In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord. De verzoekster, een alleenstaande vrouw van 38 jaar met een kind, heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij zij haar spaargeld van € 4.110,52 aanbiedt. De meeste schuldeisers hebben deze regeling aanvaard, met uitzondering van één schuldeiser die een vordering heeft van € 1.092,62. De rechtbank heeft de procedure op 17 november 2025 behandeld, waarbij de verzoekster werd bijgestaan door een schuldhulpverlener en een beschermingsbewindvoerder.
De rechtbank heeft beoordeeld of de weigerende schuldeiser in redelijkheid kon weigeren in te stemmen met de schuldregeling. De rechtbank concludeert dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering heeft kunnen komen, omdat de vooruitzichten voor de schuldeiser bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping. De rechtbank heeft het verzoek tot het vaststellen van het dwangakkoord toegewezen, waardoor de schuldeiser wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling. Dit vonnis is openbaar uitgesproken en hoger beroep kan worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen acht dagen na de uitspraak.