De rechtbank Midden-Nederland heeft op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een civiele zaak over een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. Verzoekster, een alleenstaande vrouw met een Participatiewet-uitkering en een inwonend kind, bood haar schuldeisers een schuldregeling aan waarbij zij haar spaargeld van € 4.110,52 aanbood, zonder aflossingen vanuit haar inkomen vanwege het ontbreken van afloscapaciteit.
Alle schuldeisers gingen akkoord met het voorstel, behalve één schuldeiser die een vordering had van € 1.092,62 en het aanbod niet redelijk vond. De rechtbank beoordeelde of deze schuldeiser in redelijkheid tot weigering van instemming kon komen, waarbij werd meegewogen dat het aanbod in het minnelijk traject hoger was dan de uitkering die bij een wettelijke schuldsanering te verwachten viel.
De rechtbank concludeerde dat de schuldeiser geen redelijke grond had om het akkoord te weigeren, mede omdat het aandeel van deze schuldeiser in de totale schuldenlast klein was en het belang van verzoekster en andere schuldeisers bij het slagen van de regeling groot was. Ook speelde mee dat verzoekster ondanks haar lage inkomen toch een bedrag had weten te sparen om aan de schuldeisers aan te bieden.
Op grond hiervan werd het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord toegewezen en werd de schuldeiser bevolen in te stemmen met de schuldregeling. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering bleef onbesproken vanwege de toewijzing van het dwangakkoord.