ECLI:NL:RBMNE:2025:6725

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/16/599926 / FT RK 25/936
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een dwangakkoord in een schuldsaneringsprocedure met een nul-aanbod

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord. De verzoekster, een alleenstaande vrouw van 38 jaar met een kind, heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij zij haar spaargeld van € 4.110,52 aanbiedt. De meeste schuldeisers hebben deze regeling aanvaard, met uitzondering van één schuldeiser die een vordering heeft van € 1.092,62. De rechtbank heeft de procedure op 17 november 2025 behandeld, waarbij de verzoekster werd bijgestaan door een schuldhulpverlener en een beschermingsbewindvoerder.

De rechtbank heeft beoordeeld of de weigerende schuldeiser in redelijkheid kon weigeren in te stemmen met de schuldregeling. De rechtbank concludeert dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering heeft kunnen komen, omdat de vooruitzichten voor de schuldeiser bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping. De rechtbank heeft het verzoek tot het vaststellen van het dwangakkoord toegewezen, waardoor de schuldeiser wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling. Dit vonnis is openbaar uitgesproken en hoger beroep kan worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen acht dagen na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/599926 / FT RK 25/936
uitspraakdatum: 24 november 2025
Vonnis op grond van artikel 287a Fw (dwangakkoord) van
in de zaak van
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verzoekster] ,
tegen
[schuldeiser] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: [schuldeiser] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het op 19 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.);
  • de mondelinge behandeling van het verzoek op 17 november 2025. Hierbij is [verzoekster] verschenen met de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener bij de Stadsring (aangesloten via een videoverbinding) en met mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
2.1.
[verzoekster] is een alleenstaande vrouw van 38 jaar oud, met een inwonend kind van negen jaar oud. [verzoekster] ontvangt een Participatiewet-uitkering. Vanuit de uitkeringsinstantie is zij ontheven van de sollicitatieplicht. Volgens de schuldhulpverlener zou [verzoekster] , als ze zou gaan werken, geen afdracht kunnen verrichten aan de schuldeisers vanuit haar inkomen, omdat dat naar verwachting niet hoog genoeg zou zijn.
2.2.
[verzoekster] heeft op 18 juni 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Dit akkoord houdt - samengevat – in dat zij haar spaargeld (een bedrag van
€ 4.110,52) aan haar schuldeisers aanbiedt. Omdat zij op dit moment geen afloscapaciteit heeft, en dit naar verwachting ook niet zal veranderen de komende 18 maanden, is haar inkomen niet betrokken in het aanbod aan de schuldeisers. Op basis hiervan is er 10,08 % aan de concurrente schuldeisers aangeboden en 20,16 % aan de (enige) preferente schuldeiser, tegen finale kwijting van de restschuld.
2.3.
De onder 2.2. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers aanvaard, behalve door [schuldeiser] . De vordering van [schuldeiser] bedraagt € 1.092,62, hetgeen een aandeel van 3,5 % is in de totale schuldenlast.

3.Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1.
[verzoekster] heeft in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht de weigerende schuldeisers te bevelen in te stemmen met de onder 2.2. bedoelde schuldregeling.
3.2.
In het verzoek is betoogd dat alle schuldeisers van [verzoekster] meer uitbetaald zullen krijgen onder bovengenoemde schuldregeling, nu er bij een wettelijke schuldsaneringsregeling kosten van bewindvoering in rekening worden gebracht, hetgeen ten koste gaat van de uitkering aan de schuldeisers. Deze kosten bedragen meer dan de kosten die in rekening worden gebracht bij de uitvoering van het minnelijk traject.

4.De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1.
Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de door [verzoekster] voorgestelde schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoekster] en van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij dient tevens een vergelijking te worden gemaakt met de situatie dat [verzoekster] tot de wettelijke schuldsanering zou worden toegelaten.
4.2.
[schuldeiser] heeft als reden opgegeven voor de weigering van instemming met het voorstel van [verzoekster] dat haar vordering eigenlijk hoger is dan € 1.092,62. Daarom vindt zij het gedane aanbod niet redelijk. [schuldeiser] is niet ter zitting verschenen.
4.3.
Bij de beoordeling van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid tot haar weigering heeft kunnen komen, moet ook worden gekeken naar de inhoud van het akkoord. Aanvaarding van het akkoord zal tot gevolg hebben dat er, naar verwachting, in totaal een bedrag van € 4.002,52 uitgekeerd kan worden aan de schuldeisers. Wanneer [verzoekster] zou worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling zou er naar verwachting niets kunnen worden uitgekeerd aan de schuldeisers na beëindiging van het Wsnp-traject.
4.4.
De rechtbank oordeelt dat [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen. Hierbij weegt het volgende mee. Ervan uitgaande dat [verzoekster] zou worden toegelaten tot de Wsnp, zijn de vooruitzichten voor [schuldeiser] bij aanvaarding van het akkoord gunstiger dan bij verwerping daarvan, omdat zij naar verwachting meer uitgekeerd zal krijgen op haar vordering. Bovendien heeft [schuldeiser] een zeer laag aandeel in de schuldenlast, wat haar belang klein maakt ten opzichte van dat van de andere schuldeisers. Het belang van [verzoekster] daarentegen is groot, omdat dit voor haar een manier is om een schuldenvrije toekomst tegemoet te zien. Ook weegt mee dat [verzoekster] , hoewel zij op basis van haar inkomen niet maandelijks aan de schuldeisers kan aflossen, toch vanuit haar vrij te laten bedrag een geldbedrag bij elkaar heeft weten te sparen om de schuldeisers een aanbod te kunnen doen. Daarom oordeelt de rechtbank dat het belang van [schuldeiser] bij weigering van het aanbod niet opweegt tegen het belang van [verzoekster] en de overige schuldeisers bij het slagen van de schuldregeling.
4.5.
Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord zal worden toegewezen. Het verzoek om toepassing van de schuldsanering kan, gelet op de toewijzing van het verzoek dwangakkoord, onbesproken blijven.

5.5. De beslissing

De rechtbank
5.1
beveelt [schuldeiser] in te stemmen met de onder 2.2. bedoelde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op
24 november 2025. [1]