ECLI:NL:RBMNE:2025:6731

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/16/601610 / FT RK 25/1060
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring van een onderneming met meerdere schuldeisers

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een verzoek tot faillietverklaring afgewezen. Het verzoek was ingediend door de stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg en de stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Beroepsgoederenvervoer over de Weg, beiden gevestigd te Amsterdam, tegen een heer die als verweerder optrad. De rechtbank oordeelde dat, hoewel er sprake was van meerdere schuldeisers, er onvoldoende bewijs was dat de verweerder in een toestand verkeerde van te hebben opgehouden te betalen. De verzoeksters hadden vorderingen op de verweerder wegens niet-betaalde pensioenpremies, maar de rechtbank concludeerde dat de verweerder in staat was om zijn schulden binnen enkele maanden te voldoen. De verweerder had al substantiële betalingen verricht en had maatregelen genomen om zijn financiële situatie te verbeteren, waaronder het inschakelen van een uitzendbureau. De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden niet voldoende waren om een faillissement uit te spreken, en wees het verzoek tot faillietverklaring af. De beschikking werd openbaar uitgesproken door rechter P.J. Neijt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie Utrecht
rekestnummer: C/16/601610 / FT RK 25/1060
Beschikking op grond van artikel 1 Fw (verzoek tot faillietverklaring)
d.d. 25 november 2025
in de zaak van
de stichting
STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG,
en
de stichting
STichting OPLEIDINGS-EN ONTWIKKELINGSFONDS voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen,
beiden gevestigd te Amsterdam,
verzoeksters,
advocaat mr. S.K. Tuithof,
tegen
de heer
[verweerder],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
h.o.d.n. [onderneming] ,
verweerder,
Verzoeksters worden hierna ook BOW en SOOB genoemd. Verweerder wordt hierna [verweerder] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Verzoeksters hebben een verzoekschrift tot faillietverklaring van [verweerder] op
27 oktober 2025 bij de rechtbank ingediend.
1.2.
Het verzoekschrift tot faillietverklaring is behandeld tijdens een zitting achter gesloten deuren van deze rechtbank van 25 november 2025. Ter zitting zijn verschenen:
- [verweerder] , voornoemd;
- mevrouw mr. M.C. Franken-Schoemaker, advocaat namens verzoeksters (via een videoverbinding).

2.De beoordeling

2.1.
Artikel 6, derde lid Faillissementswet (“Fw”) bepaalt dat een faillissement op verzoek van een schuldeiser wordt uitgesproken als aan twee voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet de schuldeiser een vorderingsrecht hebben. In de tweede plaats moet de rechter beoordelen of [verweerder] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Hiervoor is nodig dat er meerdere schuldeisers zijn. Daarnaast moeten er steeds andere omstandigheden zijn die aantonen dat [verweerder] niet meer kan of wil betalen.
2.2.
Verzoeksters hebben beiden een bedrag van [verweerder] te vorderen bestaande uit niet betaalde pensioenpremies. BOW heeft een vordering van € 13.258,58 en SOOB heeft een vordering van € 1.571,80. Deze bedragen waren eerst hoger. [verweerder] heeft op 16 oktober 2025 een bedrag van € 3.000,- voldaan en op 22 oktober 2025 is er nog een bedrag van € 5.400,- betaald op de vorderingen. [verweerder] heeft op 24 november 2025 telefonisch contact gehad met de advocaat van verzoeksters, waarbij hij heeft aangeboden om een bedrag van € 6.000,- te betalen, en het restant van de vorderingen in december te voldoen. Hiermee zijn verzoeksters niet akkoord gegaan, omdat eerder betalingstoezeggingen door [verweerder] niet werden nagekomen. Aldus verzoeksters.
2.3.
[verweerder] heeft aangevoerd dat hij de vorderingen van verzoeksters kan betalen, alleen niet op dit moment. De vorderingen van verzoeksters zijn ontstaan wegens privé omstandigheden en wegens drukte bij de bedrijfsvoering van [verweerder] . Om verder oplopende schulden bij de pensioenfondsen te voorkomen heeft verweerder vanaf 1 januari 2026 een uitzendbureau ingeschakeld die hem voorziet van personeel, waardoor hij geen personeel meer in dienst zal hebben. [verweerder] zou graag maandelijks € 3.000,- betalen op de nog openstaande schuld. Aldus [verweerder] .
2.4.
De rechtbank komt tot het volgende oordeel. Verzoeksters zijn beiden pensioenfondsen en hebben beiden een afzonderlijk vorderingsrecht op [verweerder] . Hoewel er hierdoor sprake is van pluraliteit van schuldeisers, is deze niet zwaarwegend bij de beoordeling van de vraag of [verweerder] is opgehouden te betalen. De vorderingen van verzoeksters zijn immers aan elkaar gerelateerd. In dit geval had [verweerder] er ook voor kunnen kiezen om eerst SOOB te voldoen en dan was van pluraliteit geen sprake geweest. In de praktijk betaalt [verweerder] en bepalen verzoeksters op welke schuld deze betaling wordt afgeboekt. Er zijn daarnaast onvoldoende andere omstandigheden die maken dat [verweerder] in een faillissementstoestand verkeerd. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat hij de oorzaken van het ontstaan van de schulden aan de pensioenfondsen inmiddels heeft aangepakt. Hij heeft een uitzendbureau ingeschakeld, en hij heeft met zijn accountant berekend dat hij de vorderingen van verzoeksters binnen enkele maanden kan betalen. Ook heeft hij al enkele substantiële betalingen verricht aan verzoeksters, hetgeen de bereidwilligheid van verweerder tot betaling aantoont. De conclusie is dat op dit moment onvoldoende is gebleken dat verweerder verkeert in een toestand van te hebben opgehouden met betalen. [verweerder] krijgt de gelegenheid om de schulden – zoals hij ter zitting heeft aangevoerd – binnen vier tot vijf maanden volledig te voldoen. Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op
25 november 2025. [1]