ECLI:NL:RBMNE:2025:6748

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/3234
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van toestemming voor het aanleggen van een inrit in strijd met de verordening Fysieke leefomgeving Amersfoort

Op 20 augustus 2024 heeft eiser een meldingsformulier ingediend voor het realiseren van een inrit ten behoeve van zijn woning in Amersfoort. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 14 oktober 2024 niet ingestemd met de melding, omdat de aanleg van de inrit in strijd zou zijn met de beoordelingsregels uit de verordening Fysieke leefomgeving van de gemeente Amersfoort (FloA). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar het college heeft op 17 april 2025 het bezwaar ongegrond verklaard. Hierop heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft op 2 oktober 2025 de zaak behandeld. Eiser betwistte de weigeringsgronden van het college, waaronder de aantasting van een openbare parkeerplaats en het openbaar groen. Eiser stelde dat er geen hoge parkeerdruk is en dat de aanleg van de inrit niet noodzakelijk is. Hij voerde ook aan dat hij niet serieus genomen is door het college, omdat er geen fysieke hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde echter dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen en dat de hoorplicht niet is geschonden.

De rechtbank concludeerde dat de weigering van het college om toestemming te verlenen voor de inrit terecht was, omdat er geen noodzaak voor de uitweg was en de aanleg ten koste zou gaan van een openbare parkeerplaats. Eiser kreeg geen gelijk en het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het college de FloA op juiste wijze had toegepast en dat eiser geen recht had op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3234

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort

(gemachtigde: mr. M.S. Zwerus).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 20 augustus 2024 een meldingsformulier ingediend voor het realiseren van een inrit ten behoeve van de woning aan de [adres] in [plaats] .
2. Het college heeft met zijn besluit van 14 oktober 2024 niet ingestemd met de melding, omdat het realiseren van de inrit in strijd is met de beoordelingsregels uit de verordening Fysieke leefomgeving van de gemeente Amersfoort (FloA).
3. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
4. Het college heeft met het besluit van 17 april 2025 (
het bestreden besluit)het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn echtgenote [A] , en de gemachtigde van het college.

Beoordeling rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt de weigering van het college om toestemming te verlenen voor het aanleggen van de inrit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Waar gaat het om?
8. Het college heeft op grond van de FloA [1] niet ingestemd met het aanleggen van de inrit op grond van twee weigeringsgronden. De eerste weigeringsgrond betreft het feit dat de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. [2] De tweede weigeringsgrond is dat door het maken of veranderen van de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. [3]
9. Eiser is het daar niet mee eens. Het klopt volgens eiser wel dat de aanleg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, maar er is helemaal geen hoge parkeerdruk in de straat en directe omgeving. Volgens eiser had het college daarom toestemming kunnen geven voor de uitweg. Verder betwist eiser dat door de inrit het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Daarnaast heeft het college, door een fysieke hoorzitting achterwege te laten, er geen blijk van gegeven hem serieus te nemen.
Geen hoorzitting
10. Eiser stelt dat sprake is geweest van een gebrekkige communicatie tijdens de bezwaarprocedure over de mogelijkheid om deel te nemen aan een fysieke hoorzitting. In het telefoongesprek met de medewerker bezwaar is hij hierover onjuist geïnformeerd. Hierdoor en door de lange duur van de bezwaarprocedure voelt hij zich niet serieus genomen en onvoldoende gehoord. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij had gehoopt om in een hoorzitting nader tot elkaar te komen.
11. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) [4] stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord. Van het horen kan worden afgezien indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. [5]
12. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser gehoord in bezwaar en is er daarom geen gebrek in de besluitvorming. In het bestreden besluit is ook samengevat wat eiser telefonisch heeft aangevoerd. Eiser ontkent ook niet dat hij zijn bezwaargronden naar voren heeft kunnen brengen in het telefoongesprek met de medewerker bezwaar. Hoe het precieze verloop van het gesprek is geweest, is niet te achterhalen, omdat de betreffende medewerker niet meer werkzaam is bij de gemeente. Die collega zou op basis van het telefoongesprek hebben aangekruist dat eiser afstand heeft gedaan van een fysieke hoorzitting. Uit wat eiser aanvoert in beroep en heeft verteld op zitting, lijkt eiser dat ook niet te betwisten. Dat eiser vindt dat hij op het verkeerde been is gezet in welke gevallen een fysieke hoorzitting plaatsvindt en hij op een hoorzitting nader tot elkaar had willen komen, leidt niet tot het oordeel dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden.
Zonder noodzaak ten koste van een openbare parkeerplaats
13. Tussen partijen is niet in geschil dat er een openbare parkeerplaats verloren gaat door het aanleggen van de uitweg. De vraag is daarom of er een noodzaak bestaat voor de uitweg. Indien dit namelijk niet het geval is, moet het college op grond van het toetsingskader uit de FloA het maken of veranderen van de uitweg verbieden. Het college kan daarbij geen belangenafweging maken.
14. Eiser vindt dat het college wel had kunnen instemmen met de uitweg. Eiser voert in dat verband aan dat de vorige bewoner al in 2009 een inrit had aangelegd die sindsdien is gedoogd door de gemeente. Eiser zou daarom de bestaande situatie willen formaliseren, aanpassingen aan de voortuin zijn dus ook niet nodig en van verstening is geen sprake. Hij zou met een uitweg de eventuele parkeerdruk ook reduceren, omdat er zelfs plek is voor meerdere auto’s op eigen terrein. Verder beschikt hij over een eigen laadpaal, zodat hij ook geen gebruik hoeft te maken van publieke laadpalen op straat.
15. De rechtbank is van oordeel dat eiser weliswaar een opsomming van voordelen van een uitweg geeft, maar dat hieruit niet blijkt dat de uitweg noodzakelijk is. De rechtbank concludeert dan ook dat zich hier een weigeringsgrond voordoet: een openbare parkeerplaats gaat verloren en er is geen noodzaak voor een uitweg. Het college verbiedt in dat geval het maken of veranderen van de uitweg.
Aantasting van het groen
16. Het college stelt zich op het standpunt dat voor de uitweg een aanwezig boom moet worden gekapt. Ook als de uitweg verkleind zou worden gemaakt, biedt dat geen garantie voor het behoud van de boom, dat de wortels alsnog beschadigd kunnen raken. Het college ziet dan ook geen mogelijkheid om de boom op duurzame wijze te behouden bij de aanleg van de uitweg.
17. Eiser voert ten aanzien van deze weigeringsgrond aan dat als de afmetingen van de inrit worden aanpast naar 4 meter de aanwezige boom niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. De wortels van de boom kunnen volgens een door hem geraadpleegde ecoloog behouden blijven en niet worden aangetast als de bestaande bestrating blijft liggen.
18. De rechtbank stelt vast dat eiser ter onderbouwing van zijn stelling dat de boom wel behouden kan worden bij een kleinere uitweg, niet heeft onderbouwd met een schriftelijk deskundigenadvies. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
De weigering van de tweede bewonersvergunning
19. Tot slot heeft eiser gewezen op een besluit van 20 mei 2025 waarbij het college de tweede bewonersvergunning heeft geweigerd met als reden dat bij zijn adres al eigen parkeergelegenheid aanwezig zou zijn.
20. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat gebleken is dat dit besluit niet klopt, omdat gebruik is gemaakt van onjuiste informatie. De gemachtigde van het college heeft verklaard dat als eiser tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt het college in de heroverweging de tweede bewonersvergunning alsnog zal gaan verlenen.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het college heeft de FloA, zoals die luidde ten tijde van het bestreden besluit, op juiste wijze toegepast en de toestemming voor het maken van de uitweg/inrit terecht geweigerd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De verordening FloA zoals die luidde van 1 januari 2024 tot 15 juli 2025.
2.Artikel 5.6, derde lid, aanhef en onder b, van de FloA.
3.Artikel 5.6, derde lid, aanhef en onder c, van de FloA.
4.Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb.