ECLI:NL:RBMNE:2025:6752

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
11860074 en 11860075
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming van een professionele bewindvoerder en mentor voor een betrokkene met Alzheimer

Op 14 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, een beschikking gegeven op een verzoek tot onderbewindstelling en instelling van mentorschap. Het verzoek is ingediend door Stichting AxionContinu Groep, die stelt dat de belangen van de betrokkene, geboren in 1947 en gediagnosticeerd met Alzheimer, onvoldoende worden beschermd door het levenstestament dat zij eerder heeft opgesteld. De betrokkene woont in een verpleeghuis, maar is begin 2024 door haar dochters tegen advies van het behandelteam terugverhuisd naar haar eigen appartement. De dochters zijn aangewezen als gevolmachtigden in het levenstestament, maar er zijn zorgen over de zorg die zij bieden, vooral door de agressieve en bedreigende gedragingen van de jongste dochter, die ook een huisverbod heeft gekregen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de betrokkene niet in staat is haar belangen te behartigen en dat de huidige situatie onveilig is. Daarom is besloten om een professionele bewindvoerder en mentor, [beschermingsbewindvoerder] B.V., aan te stellen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de belangen van de betrokkene beter gediend zijn met een onafhankelijke partij, gezien de conflicten binnen de familie en de zorgen over financieel misbruik. De beschikking is openbaar uitgesproken en kan door belanghebbenden worden aangevochten binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer : 11860074 UT VERZ 25-6404 en 11860075 UT25-6405 CK
datum : 14 november 2025
Beschikking op een verzoek tot onderbewindstelling en instelling mentorschap
op verzoek van:

Stichting AxionContinu Groep,

gevestigd te [postcode 1] [vestigingsplaats] , [adres 1] ,
hierna te noemen: verzoekster.

De procedure

1.1
Op 4 september 2025 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift, strekkende tot instelling van een bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan, alsmede tot instelling van mentorschap ten behoeve van de betrokkene:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [postcode 2] [woonplaats] , [adres 2] .
1.2
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
  • het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 4 september 2025;
  • de bereidverklaring van de voorgestelde bewindvoerder en mentor [beschermingsbewindvoerder] B.V.;
  • het verweerschrift van dochter [de dochter 1] , ontvangen op 18 september 2025 per mail en op 22 september per post, alsmede aanvullende brieven en mails van dochter [de dochter 1] van 18, 28 en 30 september (met als bijlage handgeschreven briefje betrokkene), alsmede van 1 oktober (met als bijlage het levenstestament van 23 februari 2023) 3, 6, 7, 8, 9, 14, 16, 25, 26, 28, 29 en 30 oktober 2025.
1.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van
30 september 2025 om 13.30 uur. Verschenen zijn:
  • [A] , gevolmachtigde tevens maatschappelijk werker, en [B] , Zorgmanager Thuis, namens verzoekster;
  • [C] namens [beschermingsbewindvoerder] B.V., de beoogd bewindvoerder en mentor;
  • [D] namens Veilig Thuis;
  • [de dochter 2] (hierna: [de dochter 2] ) en [de dochter 1] (hierna: [de dochter 1] ), dochters van betrokkene.
1.4
Betrokkene is niet verschenen bij de mondelinge behandeling. De kantonrechter heeft nadien de zaak heropend teneinde betrokkene te horen op 29 oktober 2025 om 10.30 uur, waarbij uitsluitend de eerstverantwoordelijke verzorgende van betrokkene ter ondersteuning aanwezig mocht zijn.

De beoordeling

2.1
Het verzoek strekt tot het instellen van een bewind en mentorschap voor betrokkene met benoeming van [beschermingsbewindvoerder] B.V. als professionele bewindvoerder en mentor.

Standpunt verzoekster

3.1
Ter onderbouwing van het verzoek licht verzoekster toe dat de belangen van betrokkene in de huidige situatie, met dochters als verantwoordelijken voor de
(niet-)vermogensrechtelijke zaken, niet voldoende worden behartigd. Dit zou blijken uit de volgende feiten.
3.2
In 2022 heeft betrokkene de diagnose Alzheimer gekregen en hierdoor is ze opgenomen geweest in een verpleeghuis. Betrokkene is begin april 2024 door dochter(s) tegen advies van het behandelteam terugverhuisd naar haar eigen appartement. Het is volgens verzoekster nodig dat ze een woonplek toegewezen krijgt waar ze passende zorg krijgt die aansluit bij haar behoefte en diagnose.
3.3
[de dochter 2] is in eind juli/begin augustus 2025 bij betrokkene ingetrokken. Volgens de verpleging komt betrokkene sindsdien gestrest over, eet ze slecht, ziet ze er slecht uit en geeft ze soms aan bang te zijn voor [de dochter 2] . [de dochter 2] zou met regelmaat verbaal agressief zijn tegen moeder en zich bedreigend gedragen naar het personeel van de zorginstelling. Naar aanleiding van deze signalen is melding gedaan bij Veilig Thuis en is haar op
27 augustus 2025 een huisverbod opgelegd van tien dagen. Het huisverbod is nadien met achttien dagen verlengd. [de dochter 2] heeft de diagnose dementie met regelmaat ontkend en spreekt betrokkene er op aan als ze iets vergeet. Daar wordt betrokkene onrustig van.
3.4
Er is voorts een vermoeden van financieel misbruik. [de dochter 2] heeft geen inkomen en de zorg is dat zij op haar moeders zak teert. Nadat in 2022 Alzheimer is gediagnosticeerd, is er een notaris bij betrokkene langs geweest. Ook zou betrokkene bij de zorg aangeven dat ze zich zorgen maakt over haar financiën.

Standpunt dochter(s)

4.1
[de dochter 1] voert aan dat dochters via een opgesteld levenstestament d.d. 23 februari 2023 aangewezen zijn als zaakwaarnemers in medisch en financieel opzicht. Er is een bancaire volmacht verleend aan dochters. Zij verzorgen deze zaken al jaren op de juiste manier en dit moet zo blijven. Betrokkene geeft aan anderen niet te vertrouwen, dochters te willen ontzorgen van derden en niet onder curatele te willen, zoals uit het levenstestament moge blijken, aldus [de dochter 1] .
4.2
Na de mondelinge behandeling, worden door [de dochter 1] via de mail verwijten gemaakt aan Veilig Thuis inzake het, volgens dochters onterechte, opgelegde huisverbod aan [de dochter 2] . Veilig Thuis zou [de dochter 2] op grond van haar persoonlijke problemen achtervolgen en dit zou geen positieve uitwerking hebben op het gezin van betrokkene.
4.3
In haar mails van 27 en 28 oktober 2025 geeft [de dochter 1] aan dat moeder dementerend is en geen normaal gesprek kan voeren. Zij vindt het om die reden belangrijk om bij het gesprek van de kantonrechter met moeder op 29 oktober 2025 aanwezig te zijn. Zij geeft voorts aan dat zij mentor en mantelzorger is van haar moeder en zus [de dochter 2] psychische problematiek heeft.

Overwegingen kantonrechter

5.1
Allereerst overweegt de kantonrechter dat uit de stukken, het verhandelde ter zitting en het verhoor van betrokkene op 29 oktober 2025, voldoende vast is komen te staan dat betrokkene, vanwege de bij haar in 2022 gediagnosticeerde dementie, onvoldoende in staat is haar (niet-)vermogensrechtelijke belangen te behartigen. De kantonrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is dat een (derde) partij opkomt voor de belangen van betrokkene.
5.2
Voorts staat vast dat betrokkene op 23 februari 2023, nadat bij haar in 2022 de diagnose Alzheimer is vastgesteld, een levenstestament heeft ondertekend, waarin - voor zover hier van belang - zij haar dochters [de dochter 1] en [de dochter 2] , als algemeen en medisch gevolmachtigden aanwijst. De volmacht is er op gericht geen bewind, mentorschap of curatele te hoeven verzoeken. Zou de rechter desondanks toch bewind, mentorschap of curatele instellen, gaat de voorkeur uit naar de door betrokkene aangewezen gevolmachtigden (VII). Met dit levenstestament is het eerder op 17 september 2020 verleden levenstestament herroepen.
5.3
Nog los van de vraag of betrokkene in 2023, gelet op de in 2022 vastgestelde dementie, nog in staat moest worden geacht om haar wil vast te leggen, is de kantonrechter van oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de (niet-)vermogensrechtelijke belangen van betrokkene door het levenstestament onvoldoende worden beschermd. De kantonrechter acht daartoe van belang hetgeen door verzoekster is aangevoerd, in het bijzonder de door het zorgpersoneel gesignaleerde onveiligheid die betrokkene heeft ervaren door het inwonen van [de dochter 2] , hetgeen uiteindelijk zelfs tot de oplegging van een huisverbod heeft geleid. De kantonrechter overweegt voorts dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting ook naar voren komt dat het handelen van [de dochter 1] niet in het belang van moeder is. Zij heeft immers, ondanks wetenschap van de psychische problemen van [de dochter 2] , niet voorkomen dat zij bij hun moeder introk en heeft ook daarna niet ingegrepen. De kantonrechter overweegt voorts dat [de dochter 1] wisselend verklaart over de geschiktheid van [de dochter 2] als gevolmachtigde. Ook verklaart [de dochter 1] wisselend over de toestand van moeder. Desgevraagd verklaart zij tijdens de zitting dat moeder, ondanks dementie, in staat is om gehoord te worden en zij niet begrijpt waarom moeder er niet bij is. In een mail van 28 oktober 2025 geeft zij echter aan dat betrokkene geen normaal gesprek kan voeren omdat zij dementerend is. In diezelfde mail geeft [de dochter 1] aan dat zij bij het gesprek van betrokkene met de kantonrechter dat de volgende dag zal plaatsvinden, aanwezig wil zijn. De volgende dag blijkt zij zich dan ook bij de ingang van het verpleeghuis te bevinden. Tijdens het desbetreffende gesprek van de kantonrechter met betrokkene is betrokkene er zeer op gebrand een briefje voor te lezen en gaat verder niet in gesprek met de kantonrechter. Het voorlezen gaat moeizaam. Desgevraagd geeft zij aan het briefje samen met [de dochter 1] te hebben geschreven. De kantonrechter constateert dat sprake lijkt van een controlerende en sturende houding van [de dochter 1] ten opzichte van moeder die niet in het belang van moeder is.
5.4
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter voorts van oordeel dat, ondanks het bepaalde in de artikelen 1:435, lid 3, en 1:452, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek, het evenmin wenselijk is dat dochters als bewindvoerder en/of mentor worden benoemd. De kantonrechter zal derhalve [beschermingsbewindvoerder] B.V. als professioneel mentor en bewindvoerder benoemen.
5.5
Betrokkene is op dit moment niet in staat om de rekening en verantwoording te beoordelen. Betrokkene is op dit moment niet in staat om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek.

beslissing

De kantonrechter:
- stelt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking een mentorschap in ten behoeve van
[betrokkene]vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand;
- stelt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking een bewind in over de goederen die
[betrokkene](zullen) toebehoren vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand;
- benoemt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking tot mentor en bewindvoerder:
[beschermingsbewindvoerder] B.V.,
correspondentieadres: [postcode 3] [plaats] , [postadres] ;
- bepaalt dat de bewindvoerder voor de (aanvangs)werkzaamheden en voor de met het bewind gemoeide kosten de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven, ten laste van het vermogen van betrokkene mag brengen.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.M.E. Bernini, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.
Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.