ECLI:NL:RBMNE:2025:6768

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
16.173789.24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijk geweld plegen tegen een persoon met een hamer en een glazen fles

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van openlijk geweld tegen een slachtoffer op 25 mei 2024 in Mijdrecht. De zaak werd behandeld in een openbare zitting op 2 december 2025. De officier van justitie, mr. M.M.L. Kalsbeek, beschuldigde de verdachte ervan samen met anderen openlijk geweld te hebben gepleegd tegen het slachtoffer, waarbij een hamer en een glazen fles werden gebruikt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten betrokken waren bij een vechtpartij die plaatsvond in een weiland, waar het slachtoffer ernstig letsel opliep. De rechtbank oordeelde dat het feit bewezen was op basis van getuigenverklaringen en forensisch bewijs. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.500,00 aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank hield rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het gebeurde, en de persoonlijke situatie van de verdachte, die inmiddels zijn leven in Polen weer had opgepakt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16.173789.24
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1994] in Land Onbekend,
ingeschreven op het adres [adres] , Polen,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 december 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de officier van justitie: mr. M.M.L. Kalsbeek;
  • de gemachtigde advocaat van de verdachte: mr. F.S. Baardman;
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. T. Cijntje.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 25 mei 2024 in Mijdrecht samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van het feit.
De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] :
V: Wat is er gisteren gebeurd?
A: Op 25 mei 2024 was ik samen met [medeverdachte 1] (
de rechtbank begrijpt: de verdachte). Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen “Hou je bek idioot”. Ik gaf aan dat als hij dat durft te zeggen ik het wel even met hem ging bepraten. Ik ben naar buiten gegaan. [medeverdachte 1] had zich inmiddels bij [verdachte] (
de rechtbank begrijpt: medeverdachte [verdachte]) gevoegd en ze kwamen met een voor mij onbekende man op mij aflopen. In totaal waren ze dus met zijn drieën. [verdachte] haalde een hamer uit zijn jaszak. [verdachte] en [medeverdachte 1] kwamen op mij af en omringden mij. [verdachte] sloeg mij met de hamer op mijn hand. Het was mijn linkerhand dan wel onderarm. Vervolgens sloeg [medeverdachte 1] mij met een fles. [medeverdachte 1] en ik belandden samen in de sloot en toen werd ik op mijn hoofd geslagen door [verdachte] .
V: Wat deed die derde man dan?
A: Het moment dat ik met [medeverdachte 1] en [verdachte] in de sloot aan het vechten ben, slaat de derde
onbekende man mij met een fles op mijn hoofd. Ik heb niet gezien dat de fles kapotging op mijn hoofd maar ik heb dat wel gevoeld en gehoord.
A: [verdachte] heeft aan het einde met een hamer op mijn gezicht geslagen. Volgens hebben de drie mannen mij vastgehouden bij mijn handen. [verdachte] bleef op mij inslaan tot de hamer kapotging. Toen zijn ze weggegaan.
V: Kan je de hamer beschrijven?
A: Keukenhamer of vleeshamer. [2]
Een proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden:
WA0001
Om 01:59 minuten zag ik dat de aangever naar buiten kwam en om 02:09 minuten uit beeld verdween, nadat hij de kruisende weg op was gelopen. Vanaf 02:21 minuten zag ik 2 personen lopen. Man 1 had iets glimmends in zijn linkerhand. Ik zag dat dit een langwerpig voorwerp was. Op het moment dat zij beiden richting de kruisende weg liepen zwaaide man 1 iets met zijn linkerarm, waardoor het glimmende voorwerp dat hij in zijn linkerhand had enkele malen weer oplichtte in het licht van de zon. [3] Om 02:22 komt er een derde persoon, deze persoon noem ik man 3. Op dat moment lijkt man 1 het voorwerp op zijn kop te houden, alsof hij het leegschudt op het wegdek. Alle drie de personen bleven achter elkaar lopen en verdwenen om 02:36 uit beeld. [4]
WA0002
Deze beelden zijn een vervolg op WA0001. [5] Om 01:55 zag ik vanaf de kruisende weg een persoon aan komen lopen die natte sporen achterliet. Deze persoon heeft grote gelijkenissen met man 1. [6] Vervolgens liep een ander persoon door, hij liet ook natte voetsporen achter op het wegdek. Ik zag dat deze persoon dezelfde persoon was als man 3. [7] Ik zag dat de derde persoon die achter de andere twee aan liep ook natte voetsporen achterliet op het wegdek. [8] Vervolgens zag ik de aangever aan komen lopen het erf op. [9]
Man 1 is kennelijk verdachte [medeverdachte 1] .
Man 2 is kennelijk verdachte [verdachte] .
Man 3 is kennelijk verdachte [medeverdachte 2] . [10]
Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] :
A: Ik wil toevoegen dat die jongen mijn collega heeft aangevallen. Die moest daar niet zijn.
V: Bedoel je dan in [plaats] ?
A: Ja
V: Die vriend die jij hebt geholpen, bedoel je dan [medeverdachte 1] ?
A: Ja
V: Klopt het dat er ook een [medeverdachte 2] aanwezig was?
A: Ja
Een vergelijkend onderzoek aan een houten steel en een hamerkop naar aanleiding van een geweldsincident in Mijdrecht op 25 mei 2024 van het Nederlands Forensisch Instituut:
De vraagstelling op de benoeming/opdracht deskundige luidt:
"Heeft de hamer en de steel één geheel gevormd? " [11]
Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten en de gestelde hypothesen:
Hypothese Hl: De steel [AAQD3090NL] heeft één geheel gevormd met de hamerkop [AAQD3093NL].
Hypothese H2: De steel [AAQD3090NL] heeft één geheel gevormd met een ander voorwerp waarvan een houten steel ontbreekt.
wordt het volgende geconcludeerd:
De bevindingen van het onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer de steel [AAQD3090NL] één geheel heeft gevormd met de hamerkop [AAQD3093NL], dan met een ander voorwerp waarvan eén houten steel ontbreekt. [12]
Een letselrapportage Forensische Geneeskunde, GGD regio Utrecht:
Naam [slachtoffer]
datum letselonderzoek 01-06-2024 [13]
ernst van het letsel: matig
Samenvatting Letsel: Centraal aan het achterhoofd is een korstend huidletsel waarvan het aspect niet betrouwbaar kan worden beoordeeld (vanwege de tekenen van genezing). Er is bloeduitstorting ter hoogte van beide ogen (rechts meer dan links). Er was een beperkte scheefstand van de neus naar rechts. Aan de voorzijde van de rechterbovenarm en de strekzijde van de linker onderarm is een huidverkleuring met een geelbruin aspect.
Toelichting: De letsels kunnen zijn veroorzaakt door stomp botsende krachtinwerking, al dan niet met voorwerpen. Het letsel aan het achterhoofd kan eventueel ook zijn veroorzaakt van scherpe krachtinwerking (waaronder de verhaalde gebroken fles). [14]
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
Vaststaande feiten
In de aangifte en verklaringen worden de verdachten bij voornaam en/of bijnamen genoemd. De rechtbank stelt het volgende vast: [medeverdachte 2] is de verdachte [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] is de verdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] is de verdachte [verdachte] .
De verdachten en de aangever woonden gezamenlijk in de woning dat was geregeld door het uitzendbureau waarvoor zij allemaal werkten. Daar ontstond op 25 mei 2024 een conflict tussen de aangever en de medeverdachte. De aangever stelde de medeverdachte voor hun conflict “als echte mannen” op te lossen. Zij gingen naar buiten. De medeverdachte schakelde daarbij de verdachte en de andere medeverdachte in en er ontstond een vechtpartij. Die vechtpartij speelde zich af in een weiland, buiten het zicht van de camera bij de woning en eventuele getuigen. Eén getuige reed langs toen de vechtpartij was afgelopen en zag de aangever met verwondingen uit het weiland komen.
Oordeel
De rechtbank oordeelt op grond van de bewijsmiddelen dat de verdachte en zijn medeverdachten bij het conflict aanwezig waren en ieder een voldoende wezenlijke en significante bijdrage hebben geleverd aan het geweld waardoor de aangever letsel heeft opgelopen. Daarbij is niet van belang welke verdachte precies welke geweldshandelingen heeft verricht.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het meenemen van en plegen van geweld met een glazen fles (het eerste en vierde gedachtestreepje van de tenlastelegging). Dat de medeverdachte een glimmend voorwerp in zijn handen heeft, staat niet ter discussie. De advocaat van de verdachte heeft naar voren gebracht dat het ook om een telefoon zou kunnen gaan. De rechtbank volgt dat verweer niet. Aangever heeft het uitdrukkelijk over een glazen fles en de rechtbank stelt vast dat, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, er wel sprake is van letsel dat past bij geweld met een glazen fles. De rechtbank oordeelt daarom dat uit de aangifte en het letselrapport volgt dat de aangever is geslagen met een glazen fles. Dat de fles niet meer is teruggevonden doet daar niet aan af, nu die ook in de sloot beland kan zijn.
Verder verwerpt de rechtbank het verweer dat uit het bewijs niet blijkt dat de aangever met de hamer op zijn hoofd is geslagen (het vijfde gedachtestreepje van de tenlastelegging). Uit het letsel op het gezicht/hoofd blijkt niet zonder meer dat dit door de vleeshamer is toegebracht, zoals dat wel het geval is bij het letsel op de arm waarop de afdrukken van de hamer te zien zijn. Dit neemt echter niet weg dat, gelet op de aangifte en het letselrapport, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er letsel op het gezicht/hoofd van de aangever is ontstaan als gevolg van het slaan met de hamer.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 25 mei 2024 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen, met anderen, op of aan de openbare weg, te weten een
weiland/sloot in de buurt van het adres [adres] te
[plaats] , openlijk met verenigde
krachten geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] door:
- een (vlees)hamer en een glazen fles mee te brengen naar een confrontatie met
voornoemde [slachtoffer] ,
- voornoemde [slachtoffer] te omringen,
- voornoemde [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (vlees)hamer op zijn
hand en/of onderarm, te slaan,
- voornoemde [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een glazen fles op/tegen zijn
(achter)hoofd, te slaan, totdat die glazen fles kapot ging,
- terwijl voornoemde [slachtoffer] vastgehouden werd bij zijn handen voornoemde
[slachtoffer] veelvuldig, (met kracht) met een (vlees)hamer
op/tegen zijn gezicht en/of hoofd te slaan totdat die
(vlees)hamer kapot ging.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
KwalificatieHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
4.2
Strafbaarheid feit en verdachteHet feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte inmiddels zijn leven in Polen weer heeft opgepakt, en daar een baan heeft. Zij verzoekt de rechtbank om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als onvoorwaardelijk deel de dagen die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts voert zij aan dat de vordering tot gevangenhouding is afgewezen op 6 juni 2024, maar verdachten doorgaans pas een dag later in vrijheid worden gesteld. Zij verzoekt de rechtbank om daar rekening mee te houden in de oplegging van het voorwaardelijke strafdeel.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De aangever had een conflict met de medeverdachte en zei tegen hem dat ze het “als echte mannen” konden oplossen. De medeverdachte riep de verdachte en de andere medeverdachte erbij om de confrontatie aan te gaan. Niet alleen werd het daarmee drie tegen één, maar ook bewapenden de verdachte en zijn medeverdachten zich met een glazen fles en een vleeshamer. Daarmee zijn zij, in vereniging, de confrontatie met de aangever aangegaan. Hij heeft hieraan flink letsel overgehouden, zoals blijkt uit het dossier.
Door zo te handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever en zijn gevoel van veiligheid aangetast. De aangever was behoorlijk verwond toen hij door de getuigen werd aangetroffen vlak na het gevecht. Dat heeft ook bij de getuigen, die uit het niets een gewonde en bebloede man uit een weiland zagen lopen, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 24 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor openlijke geweldpleging, waarbij lichamelijk letsel wordt veroorzaakt ten gevolge hebbend is een taakstraf van 150 uur. Hierbij wordt opgemerkt dat bij lichamelijk letsel zoals bedoeld in dit oriëntatiepunt valt te denken aan een of meer builen, schrammen of blauwe plekken.
In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat het letsel dat de verdachten bij aangever hebben toegebracht behoorlijk is, zoals blijkt uit de foto’s en de geneeskundige verklaringen in het dossier.
De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het eigen aandeel dat de aangever heeft gehad in de aanleiding van het conflict, zoals hierboven is toegelicht. Dat de aangever het conflict met de verdachte ‘als echte mannen‘ wilde oplossen en daarbij een fysieke confrontatie niet schuwde, betekent echter niet dat hij kon verwachten dat de verdachte samen met twee anderen en voorzien van een vleeshamer en een fles de confrontatie met hem zou aangaan.
Een taakstraf is, gelet op het feit dat de verdachte inmiddels terug is verhuisd naar Polen en daar zijn leven aan het opbouwen is, niet de passende strafmodaliteit. De rechtbank vindt het passend om een gevangenisstraf op te leggen, waarvan een groot deel als voorwaardelijke straf als stok achter de deur zodat verdachte niet opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten zal plegen. In hetgeen de raadsvrouw ter zitting heeft aangevoerd over de voorlopige hechtenis ziet de rechtbank geen aanleiding om het voorwaardelijke strafdeel te matigen. Er is in deze zaak niet gebleken dat de verdachte na de afwijzing van de vordering tot gevangenhouding een dag te lang in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De benadeelde heeft in zijn schriftelijke vordering tot schadevergoeding aangegeven divers letsel opgelopen te hebben als gevolg van het strafbare feit, waarvoor hij pijnstilling voorgeschreven heeft gekregen. Hij ervaart nog altijd met een verminderde neusdoorgankelijkheid, en sinds het incident kampt hij met psychische klachten.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie had het slachtoffer het psychisch letsel, wat hij meent te hebben overgehouden aan het delict, nader moeten onderbouwen. Vanwege het ontbreken van die onderbouwing vordert de officier van justitie dat de benadeelde partij niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW (onder meer) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Lichamelijk letsel levert op grond van de wet recht op immaterieel smartengeld op (ECLI:NL:HR:2012:BW1519). In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.
Anders dan de officier van justitie en de advocaat van de verdachte menen, is het niet nodig om het psychisch letsel nader te onderbouwen. Omdat het onderhavige schadeverzoek ziet op toegebracht lichamelijk letsel en uit het dossier ook volgt dat dit letsel is toegebracht, volstaat het verzoek zoals de benadeelde partij dat heeft ingediend.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.500,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 25 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.500,00 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36f, 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
-
verklaart bewezendat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij
strafbaarheid
-
verklaart het bewezenverklaarde strafbaaren kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
-
verklaart de verdachte strafbaarvoor het bewezenverklaarde;
straf
-
legtaan de verdachte
een gevangenisstraf van 120 dagenop;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf
een gedeelte van 108 dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
-
wijstde vordering van. [slachtoffer]
gedeeltelijk toetot een bedrag van € 1.500,00;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2024 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 25 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of een van zijn mededaders op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.L. den Hoedt, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij, op of omstreeks 25 mei 2024 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen, althans
in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten een
weiland/sloot tegenover en/of in de buurt van het adres [adres] te
[plaats] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk met verenigde
krachten geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] door:
- een (vlees)hamer en/of een glazen fles mee te brengen naar een confrontatie met
voornoemde [slachtoffer] ,
- voornoemde [slachtoffer] te omringen,
- voornoemde [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (vlees)hamer op zijn
hand en/of onderarm, althans het lichaam te slaan,
- voornoemde [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een glazen fles op/tegen zijn
(achter)hoofd, althans het lichaam te slaan, totdat die glazen fles kapot ging,
- (terwijl voornoemde [slachtoffer] vastgehouden werd bij zijn handen) voornoemde
[slachtoffer] veelvuldig, althans meermalen (met kracht) met een (vlees)hamer
op/tegen zijn gezicht en/of (achter)hoofd, althans het lichaam te slaan totdat die
(vlees)hamer kapot ging.

Voetnoten

2.Pagina 127.
3.Pagina 168.
4.Pagina 169.
5.Pagina 171.
6.Pagina 172.
7.Pagina 175.
8.Pagina 176.
9.Pagina 177.
10.Pagina 180.
11.Pagina 381.
12.Pagina 387.
13.Pagina 392.
14.Pagina 393.