In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, die verplicht is gesteld om een rijvaardigheidsonderzoek te ondergaan. Verzoeker had eerder bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) van 21 juli 2025, waarin hem deze verplichting werd opgelegd. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard op 4 september 2025. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd om de betalingsverplichting op te schorten, maar deze werd afgewezen op 17 oktober 2025.
Op 31 oktober 2025 ontving verzoeker een brief van het CBR waarin werd aangegeven dat er vóór 23 januari 2026 een rijvaardigheidsonderzoek ingepland zou worden. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze brief en vroeg om een voorlopige voorziening om de verplichting tot het ondergaan van het onderzoek op te schorten. In zijn correspondentie met de rechtbank gaf verzoeker aan dat het spoedeisend belang bij de voorziening was komen te vervallen, maar hij wenste wel een uitspraak waarin werd vastgesteld dat het CBR hem onrechtmatig onder druk had gezet.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de brief van het CBR van 31 oktober 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze niet op rechtsgevolg is gericht. De brief is slechts een feitelijke vaststelling van de datum voor het rijvaardigheidsonderzoek. Aangezien er geen sprake is van een besluit, is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.