ECLI:NL:RBMNE:2025:6777

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/16/599308 / FT RK 25/886
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek dwangakkoord in het kader van schuldsanering

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord, ingediend door verzoeker, die in financiële problemen verkeert. Verzoeker, geboren in 1994, heeft een schuld van € 25.865,43 aan 40 concurrente schuldeisers en heeft een beschermingsbewindvoerder aangesteld. Hij heeft een voorstel gedaan voor een schuldregeling, waarbij hij gedurende achttien maanden een bedrag van € 375,84 per maand zal sparen voor zijn schuldeisers. Dit voorstel is door alle schuldeisers, behalve door de verweerder, aanvaard. De verweerder, een besloten vennootschap, heeft een vordering van € 4.000,00 en vertegenwoordigt 16,2% van de totale schuldenlast.

Tijdens de zitting op 10 december 2024 is het verzoek behandeld, waarbij verzoeker en zijn schuldhulpverleners aanwezig waren. De rechtbank heeft beoordeeld of de verweerder in redelijkheid kon weigeren in te stemmen met de schuldregeling. De rechtbank concludeert dat de aangeboden regeling voldoet aan de eisen en dat de belangen van verzoeker en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan die van de verweerder. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker zijn financiële situatie onder controle heeft en dat het in zijn belang is om de schulden buiten de wettelijke schuldsanering om te regelen.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het verzoek toegewezen en de verweerder bevolen in te stemmen met de schuldregeling. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is niet meer aan de orde, aangezien het dwangakkoord is goedgekeurd. Hoger beroep tegen deze uitspraak kan worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen acht dagen na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/599308 / FT RK 25/886
uitspraakdatum: 19 december 2025
Vonnis op grond van artikel 287a Fw (dwangakkoord)
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ( [postcode] ) [woonplaats] ,
hierna: verzoeker
tegen
de besloten vennootschap
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
vertegenwoordigd door: Deqt,
hierna: [verweerder] .

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw, hierna: het verzoek.
1.2.
Op 10 december 2024 is het verzoek ter zitting behandeld. Op de zitting zijn verzoeker, de heer [A] (Stadsring, schuldhulpverlener) en mevrouw [B] (Stichtingbewindvoering.nl, beschermingsbewindvoerder) verschenen.

2.De feiten

2.1.
Verzoeker is 31 jaar oud en werkt 28 uur per week in loondienst. Daarnaast heeft hij drie keer per week meetings als vervolg van een eerdere behandeling. Hij volgt een 12 stappen programma om in herstel te blijven. Zijn financiën worden sinds november 2023 beheerd door een beschermingsbewindvoerder.
2.2.
Verzoeker heeft 40 concurrente schuldeisers die van hem een totaalbedrag van € 25.865,43 hebben te vorderen.
2.3.
Verzoeker heeft op 22 januari 2025 een schuldregeling aangeboden tegen finale kwijting aan zijn schuldeisers. Het aanbod houdt – samengevat – in dat verzoeker gedurende achttien maanden alles wat hij boven het voor hem geldende vrij te laten bedrag aan inkomsten heeft zal sparen voor zijn schuldeisers. Op dit moment wordt maandelijks € 375,84 gespaard. Er is sprake van een schuldbemiddeling.
2.4.
De onder 2.3. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve
[verweerder] aanvaard. [verweerder] heeft in totaal een bedrag van € 4.000,00 van verzoeker te vorderen en vertegenwoordigt daarmee 16,2 % van de totale schuldenlast.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Verzoeker heeft in het verzoek om toepassing van de schuldsanering de rechtbank verzocht [verweerder] te bevelen in te stemmen met de onder 2.3. bedoelde schuldregeling. Verzoeker heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de schuldeisers bij toepassing van de wettelijke schuldsanering een lagere uitkering hebben te verwachten, en daarmee in redelijkheid niet kunnen weigeren in te stemmen met het aanbod.
3.2.
[verweerder] heeft afwijzend gereageerd op het voorstel. Indien het product compleet en onbeschadigd wordt geretourneerd is men alsnog bereid het voorstel te overwegen. [verweerder] is ter zitting niet verschenen en heeft ook geen verweerschrift ingediend.

4.De beoordeling

4.1.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in lagere uitkeringen staat het belang van [verweerder] bij weigering van instemming met de schuldregeling vast.
4.2.
Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [verweerder] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij dient tevens een vergelijking te worden gemaakt met de situatie dat verzoeker tot de schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten.
4.3.
Bij de beoordeling van de vraag of [verweerder] tot de weigering kon komen, moet worden gekeken naar de inhoud van het akkoord. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het aangeboden akkoord aan de eisen die aan een dergelijk akkoord mogen worden gesteld. Aanvaarding van het akkoord zal tot gevolg hebben dat verzoeker gedurende achttien maanden alles wat hij boven het voor hem geldende vrij te laten bedrag aan inkomsten heeft zal sparen voor zijn schuldeisers. Op dit moment wordt maandelijks € 375,84 gespaard. Er is sprake van een schuldbemiddeling.
4.4.
Uit de stukken en ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Daarnaast heeft verzoeker een beschermingsbewindvoerder en een stabiele (woon)situatie. Daarmee is het niet onaannemelijk dat verzoeker tot een wettelijk schuldsaneringstraject toegelaten zou kunnen worden, zodat de rechtbank aan de genoemde vergelijking toekomt. De rechtbank zal daarom het aanbod vergelijken met het aanbod in de WSNP.
4.5.
Aan het minnelijk traject zijn minder kosten verbonden. Als verzoeker wordt toegelaten tot de Wsnp zullen eerst het bewindvoerderssalaris en het griffierecht moeten worden voldaan. In dat geval zal na aftrek van de kosten een lager bedrag resteren voor uitdeling aan de schuldeisers dan het aanbod wat is gedaan op 22 januari 2025. Verzoeker spaart nu maandelijks € 375,84 gespaard en dit zal naar verwachting niet minder worden, maar mogelijk meer. Dat betekent dat het belang van de overige schuldeisers bij de hogere uitdeling die nu plaats kan vinden, aanmerkelijk is.
4.6.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van verzoeker en de overige schuldeisers zwaarder dienen te wegen dan het belang van de [verweerder] . Verzoeker heeft belang bij zijn schulden buiten de Wsnp om te regelen, wat in overeenstemming is met wat de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd. De overige schuldeisers hebben zoals uit 4.5. blijkt financieel belang bij toewijzing van dit dwangakkoord. De rechtbank is tevens van oordeel dat [verweerder] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek om [verweerder] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zal dan ook worden toegewezen.
4.7.
Aangezien het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen, komt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer aan de orde.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt [verweerder] in te stemmen met de onder 2.3 bedoelde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025. [1]