In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 15 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot echtscheiding tussen een vrouw met de Eritrese nationaliteit en een man met zowel de Nederlandse als Eritrese nationaliteit. De vrouw verzocht de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken, maar de rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van een origineel afschrift van de huwelijksakte en onvoldoende bewijs dat het huwelijk daadwerkelijk had plaatsgevonden. De vrouw had een huwelijksakte overgelegd, maar de rechtbank concludeerde dat deze documenten kopieën waren en niet de vereiste bewijskracht bezaten. De rechtbank benadrukte dat het huwelijk in Oeganda rechtsgeldig moet zijn om in Nederland erkend te worden. De vrouw had ook geen andere bewijsstukken of getuigen die het huwelijk konden bevestigen. De man was niet aanwezig op de zitting, maar had wel laten weten dat hij inmiddels opnieuw getrouwd was. De rechtbank oordeelde dat dit geen bewijs was van het eerdere huwelijk met de vrouw. Aangezien de rechtbank niet overtuigd was van het bestaan van het huwelijk, werd het verzoek tot echtscheiding afgewezen. Ook het nevenverzoek tot huurrecht werd afgewezen, omdat de echtscheiding niet werd uitgesproken. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw afgewezen en haar de mogelijkheid gegeven om in een nieuwe procedure met meer bewijs te komen.