ECLI:NL:RBMNE:2025:6789

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
UTR 25 / 3197
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Erfgoedverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanwijzing achterterrein en Tuinmanswoning Landgoed Jagtlust als gemeentelijk monument

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt om het achterterrein met bunkers en de Tuinmanswoning van Landgoed Jagtlust niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. De rechtbank beoordeelt of het college met voldoende motivering en belangenafweging tot dit besluit heeft kunnen komen.

De rechtbank stelt vast dat het college beleidsruimte heeft bij de monumentenaanwijzing en dat toetsing beperkt is tot de redelijkheid van het besluit. Eisers betogen dat het gehele landgoed, inclusief het achterterrein en de bunkers, als monumentwaardig moet worden aangewezen vanwege de historische en stedenbouwkundige waarde. Het college erkent de hoge waarde van het landhuis en park, maar stelt dat het achterterrein door aantasting van zichtlijnen en aanwezigheid van parkeerplaatsen minder monumentale waarde heeft. De bunkers genieten bescherming via het omgevingsplan en zijn niet gekoppeld aan bijzondere historische gebeurtenissen.

Ten aanzien van de bouwplannen voor tijdelijke woningen en een nieuw gemeentehuis weegt het college het belang daarvan zwaarder dan de beperkte monumentale waarden van het achterterrein. Ook de Tuinmanswoning wordt niet aangewezen vanwege bezwaren van eigenaren en het feit dat deze woning al op de monumentenlijst staat. De rechtbank volgt het college in deze belangenafwegingen en oordeelt dat het besluit in redelijkheid is genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanwijzing van het achterterrein met bunkers en de Tuinmanswoning als gemeentelijk monument is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3197
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

1.1. Stichting Werkgroep Behoud Jagtlust (de Stichting), uit De Bilt,

2.Erfgoedvereniging Bond Heemschut (de Vereniging), uit Amsterdam,

(gemachtigde: dr. E. Nijhof),
hierna gezamenlijk eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. E.A. Wentink-Quelle).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het buiten de aanwijzing als gemeentelijk monument houden van het achterterrein met aanwezige bunkers van Landgoed Jagtlust en de Tuinmanswoning als onderdeel van Landgoed Jagtlust. Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het achterterrein met de aanwezige bunkers en de Tuinmanswoning niet worden aangewezen als gemeentelijk monument. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. Eisers hebben op 23 juni 2023 en op 14 juni 2024 een aanvraag ingediend voor het aanwijzen van Landgoed Jagtlust (het gebouw en omliggend park) aan de [adres] in [plaats] als gemeentelijk monument.
2.1.
Met het primaire besluit van 22 augustus 2024 (gepubliceerd op 4 september 2025), heeft het college besloten om het Landhuis Jagtlust, het op het perceel aanwezige oorlogsmonument en het voor het landhuis gelegen gemeentelijk terrein aan te wijzen als gemeentelijk monument. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.2.
Met het bestreden besluit van 10 april 2025 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en met het gewijzigd aanwijzingsbesluit van 8 april 2025 ook het voorterrein aan de zuidkant en de zogenoemde Overplaats als gemeentelijk monument aangewezen.
2.3.
Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 20 oktober 2025 aanvullende stukken ingediend. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 31 oktober 2025. Hieraan hebben deelgenomen: drs. [A] (secretaris van de Stichting), mr. J.S. Webb (bestuurslid van de Stichting), gemachtigde van de Vereniging en de gemachtigde van het college vergezeld door mr. M. de Jong.
Beoordeling door de rechtbank
Beoordelingskader
3. De rechtbank stelt voorop dat het college beoordelingsruimte heeft bij het bepalen van de monumentale waarde van een onroerende zaak of een groep onroerende zaken. Bij het beantwoorden van de vraag, of een als monumentwaardig beoordeelde onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument wordt aangewezen, heeft het college beleidsruimte. Dat betekent in dit geval dat de bestuursrechter niet toetst of zij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen.
3.1.
Eisers hebben een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden toetst de rechtbank of het college met de motivering van het bestreden besluit en bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om de aanvraag ten aanzien van het aanwijzen van het achterterrein en de Tuinmanswoning als gemeentelijk monument af te wijzen.
Beoordeling van de beroepsgronden
Heeft het college in redelijkheid de aanvraag ten aanzien van het achterterrein kunnen afwijzen?
3.2.
Eisers betogen dat het college ten onrechte de aanvraag ten aanzien van het achterterrein heeft afgewezen. Volgens eisers volgt uit het advies van [organisatie] en de redengevende beschrijving van [organisatie] dat er redenen zijn om het landgoed als geheel aan te wijzen als gemeentelijk monument. Eisers menen dat het ensemble van het landhuis, het bijbehorende park inclusief het achterterrein met alle vier de bunkers en de Tuinmanswoning een waardevol geheel vormt. Eisers voeren daarbij nog aan dat het college niet is ingegaan op de vier bunkers op het landgoed. Het college handhaaft volgens eisers verder ten onrechte het standpunt dat het achterterrein niet meer voldoet aan de vereisten voor gaafheid en herkenbaarheid als historisch ensemble. Daarnaast betogen eisers dat bij afwezigheid van concrete gemeentelijke belangen – de volgens eisers premature bouwplannen voor tijdelijke woningen – en de aanwezigheid van zwaarwegende monumentale belangen het college tot toewijzing van het gehele ensemble had moeten besluiten. Daarbij wijzen eisers erop dat de bouwplannen getoetst kunnen worden aan de monumentale waarden en de langetermijnvisie, zodat die bouwplannen een aanwijzing tot gemeentelijk monument niet in de weg hoeven te staan. In het verlengde daarvan voeren eisers tot slot aan dat een beperkte grondpositie een te algemeen en niet onderbouwd argument is om te worden meegenomen in de belangenafweging.
3.3.
Het college erkent dat de stedenbouwkundig-historische en landschappelijke waarden van het landhuis en het omliggende park hoog zijn, zoals volgt uit het advies van [organisatie] en de redengevende beschrijving van [organisatie] . Het college merkt daarbij op dat [organisatie] zich daarentegen niet uitlaat over het landgoed met landhuis, park en directe omgeving als ensemble. Verder biedt de redengevende beschrijving van [organisatie] ruimte voor een genuanceerde afweging en volgt er bovendien uit dat de monumentale waarden aan de achterzijde van minder gewicht zijn. Door diverse ontwikkelingen zijn met name de historische waarden op het achterterrein aangetast en daarom laag althans minder monumentaal in vergelijking met de wél in de aanwijzing opgenomen onderdelen van het landgoed. Op de zitting heeft het college nader toegelicht dat het gaat om verstoorde zichtlijnen, meerdere parkeerplaatsen en het geplaatste gemeentelijk kantoor.
3.4.
Over de bunkers heeft het college het standpunt ingenomen dat duidelijk gemotiveerd is waarom de bunkers geen lokaal belang hebben en daarom niet worden aangewezen. Er zijn namelijk geen bijzondere historische gebeurtenissen te koppelen aan de bunkers. Op de zitting heeft het college daarbij aangegeven dat de bunkers reeds bescherming genieten door de aanwijzing als zodanig in het omgevingsplan. De bunkers kunnen hierdoor niet zomaar worden weggehaald, omdat dit zal moeten gebeuren middels een afwijkingsprocedure. De vierde bunker was het college niet bekend, maar is in het omgevingsplan aangeduid als groen. Indien het plan bestaat om hier te gaan bouwen, gaat hier ook een afwijkingsprocedure aan vooraf zodat ook de vierde bunker enige bescherming geniet. In dat kader zal namelijk voor de toets van evenwichtige toedeling van functies worden meegenomen dat achter Landhuis Jagtlust als gemeentelijk monument niet zomaar gebouwd kan worden en zullen hier onderzoeken aan voorafgaan. Verder worden de bunkers ook niet getroffen door de bouwplannen ten aanzien van de tijdelijke woningen en het nieuwe gemeentehuis.
3.5.
Ten aanzien van de bouwplannen voor tijdelijke woningen en het nieuwe gemeentehuis, heeft het college gemotiveerd dat deze plannen niet prematuur waren. Zo lag er al een aanvraag voor een omgevingsvergunning ten tijde van de beslissing op bezwaar en waren deze plannen daarvoor ook concreet gelet op onder meer de voorbereidende en planvormende besluiten en de samenwerkingsovereenkomst tussen de Woongroen en de gemeente. Het college stelt dat het belang van deze bouwplannen zwaarder hebben mogen wegen dan het aanwijzen van het achterterrein, gelet op de beperkte en inmiddels aangetaste monumentale waarden in vergelijking tot de spoedeisendheid en de onevenredige financiële en maatschappelijke gevolgen. Het niet aanwijzen van het achterterrein als monument in relatie tot de andere belangen wordt daarom gerechtvaardigd. De grondpositie heeft het college in samenhang met de andere belangen betrokken, zodat eisers niet worden gevolgd dat dit belang niet had kunnen worden meegewogen. Voor zover het college is afgeweken van de adviezen van [organisatie] en [organisatie] , is het college van mening dat dit gemotiveerd en op goede gronden is gedaan.
3.6.
De rechtbank is van oordeel dat het college met het voorgaande duidelijk en navolgbaar heeft gemotiveerd waarom hij niet is overgegaan tot aanwijzing van het gehele landgoed als gemeentelijk monument. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank het -actuele- belang dat is gediend met de tijdelijke woningen en het nieuwe gemeentehuis zwaarder mogen laten wegen dan het aanwijzen van het achterterrein mede gelet op de reeds aangetaste monumentale waarden van dat achterterrein. De rechtbank acht daarbij van belang dat volgens de redengevende beschrijving van [organisatie] het achterterrein buiten de monumentale waarden valt. Ook heeft het college voldoende gemotiveerd waarom de bunkers niet tot aanwijzing hebben geleid. Het college kon daarom, gelet op de beoordelingsruimte die hij heeft, in redelijkheid besluiten dat hij niet overgaat tot aanwijzing van het gehele landgoed als gemeentelijk monument. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college in redelijkheid de aanvraag ten aanzien van de Tuinmanswoning kunnen afwijzen?
3.7.
Eisers zijn verder van mening dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de Tuinmanswoning als onderdeel van Landgoed Jagtlust niet wordt aangewezen als gemeentelijk monument, gelet op de historische eenheid.
3.8.
Het college heeft toegelicht dat de eigenaren van de Tuinmanswoning bezwaren hebben tegen het aanwijzen van hun woning als onderdeel van Landgoed Jagtlust als gemeentelijk monument. De eigenaren hebben namelijk eerder een langdurige, bestuursrechtelijke procedure (waarbij de tuin van die woning de aanduiding ‘tuin’ kreeg in plaats van ‘groen’) doorlopen en het aanwijzen zou betekenen dat zij terug bij af zijn. Het college acht de aanwijzing daarom niet evenredig in het kader van de voorgeschiedenis met onrust en onzekerheid. Daarbij heeft het college meegewogen dat de Tuinmanswoning op zichzelf al op de monumentenlijst staat.
3.9.
De rechtbank kan de afweging van het college volgen en is van oordeel dat gelet hierop het college in redelijkheid de aanvraag om de Tuinmanswoning als onderdeel van Landgoed Jagtlust aan te wijzen mogen afwijzen. Op de zitting hebben de eigenaren kenbaar gemaakt geen bezwaar meer te hebben indien het achterterrein ook wordt aangewezen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt de beroepsgrond ten aanzien van het achterterrein niet, zodat ervan wordt uitgegaan dat de bezwaren van de eigenaren ten aanzien van het aanwijzen van de Tuinmanswoning ook in stand blijven. De beroepsgrond slaagt niet.
Voorbescherming
3.10.
Eisers hebben tot slot gewezen op artikel 4 van Pro de Erfgoedverordening en op het advies van [organisatie] waaruit blijkt dat voorbescherming dient te worden opgelegd.
3.11.
In artikel 4 van Pro de Erfgoedverordening staat:
“Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie (…) plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing”.
3.12.
Het college heeft met het primaire besluit Landhuis Jagtlust, het op het perceel aanwezige oorlogsmonument en het voor het landhuis gelegen gemeentelijk terrein als gemeentelijk monument aangewezen. Met het bestreden besluit heeft het college aanvullend het voorterrein aan de zuidkant en de Overplaats als gemeentelijk monument aangewezen. Met de registratie naar aanleiding van het aanwijzingsbesluit is de voorbescherming komen te vervallen. Daarbij merkt het college terecht op dat niet is bepaald dat onherroepelijk moet vaststaan dat iets niet wordt geregistreerd. Er geldt dus geen voorbescherming. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eisers tot aanwijzing van het achterterrein met de bunkers en de Tuinmanswoning als onderdeel van Landgoed Jagtlust als gemeentelijk monument in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.