Eiseres kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zij op 20 april 2022 zou hebben geparkeerd zonder betaling. Na bezwaar verklaarde de heffingsambtenaar het bezwaar op 12 oktober 2023 ongegrond. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar op 25 oktober 2023 had aangegeven dat de eerdere uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2023 vernietigd moest worden omdat op 3 augustus 2022 al een uitspraak op bezwaar in het voordeel van eiseres was gedaan. Volgens vaste jurisprudentie is een tweede uitspraak op bezwaar niet mogelijk.
De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de tweede uitspraak op bezwaar niet voor beroep vatbaar is. De rechtbank gaf geen inhoudelijk oordeel, maar bepaalde wel dat de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht van €50 moet vergoeden. Vergoeding van overige proceskosten werd afgewezen wegens het ontbreken van beroepsmatige rechtsbijstand.