ECLI:NL:RBMNE:2025:6807

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/2789
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet WIAArt. 8 Wet WIAArt. 9 Wet WIAArt. 3 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking op eerste ziektedag

Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd nadat zijn Ziektewet-uitkering was beëindigd wegens het bereiken van de maximale duur. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser op de eerste ziektedag niet verzekerd was voor de Wet WIA, omdat er geen dienstverband bestond.

Eiser voerde aan dat hij wel degelijk bij de werkgever werkzaam was en verwees naar een arbeidsovereenkomst, verklaringen van oud-werknemers, een brief van de voormalig werkgever, een foto en bankafschriften. De rechtbank stelde echter vast dat de arbeidsovereenkomst en de brief vermoedelijk vals waren, getuigen verklaarden dat eiser niet meer werkte vanaf september 2020, en de bankafschriften en andere stukken geen bewijs leverden van een dienstverband op de eerste ziektedag.

De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op de eerste ziektedag een privaatrechtelijke dienstbetrekking had en dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat hij niet verzekerd was voor de Wet WIA. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op de eerste ziektedag verzekerd was voor de Wet WIA.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2729

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] (Turkije), eiser

(gemachtigde: mr. E.B. Doganer)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: N. Schoonhoven-Zuidema)

Inleiding

1.1
Eiser heeft van 1 februari 2018 tot en met 31 januari 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.
1.2
Eiser heeft zich op 23 april 2021 bij het Uwv ziekgemeld per 12 november 2020. Met het besluit van 6 april 2023 heeft het Uwv aan eiser meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) wordt beëindigd per 9 november 2022, wegens het bereiken van de maximale duur van 104 weken.
1.3
Eiser heeft op 2 februari 2022 bij het Uwv een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Met het besluit van 1 september 2023 heeft het Uwv eiser meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat hij op de eerste ziektedag, 12 november 2020, niet verzekerd was voor de Wet WIA. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door het Uwv in de beslissing op bezwaar van 23 februari 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.4
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 17 mei 2024 en 9 augustus 2024 aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 20 augustus 2024. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk, M. Bozalslan. Voor het Uwv was zijn gemachtigde aanwezig. Naar aanleiding van het verhandelde op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Dit om eiser in de gelegenheid te stellen om de rechtbank binnen twee weken te berichten of zijn voormalig werkgever, [persoon1] , bereid is in deze beroepszaak onder ede te getuigen, en om aanvullende stukken over te leggen waaruit blijkt van uitbetaling van de ZW-uitkering of correspondentie met de Sociale Dienst over aanvulling van zijn inkomsten uit arbeid tot bijstandsniveau.
1.6
Op 6 september 2024 heeft eiseres bericht dat hij zijn voormalig werkgever indirect heeft kunnen bereiken en heeft uitgelegd dat het nodig is dat hij verklaart dat eiser bij hem in dienst is geweest en heeft gewerkt in bedoeld periode. De voormalig werkgever heeft echter aangegeven niet te willen verklaren en dat hij nog met vakantie is in Turkije en om die reden sowieso niet zou kunnen komen. Eiseres heeft in verband daarmee de rechtbank verzocht om de voormalig werkgever formeel voor een getuigenverhoor op te roepen.
1.7
Op 24 oktober 2024 heeft eiser een aantal nadere stukken ingediend.
1.8
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 18 juni 2025 voortgezet. Op de zitting zijn als getuigen gehoord: [persoon1] en [persoon2] . Daarbij waren aanwezig: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het Uwv en een tolk, I. Kilinc.
Eiser heeft op 21 juli 2025 van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt om naar aanleiding van de verklaringen van beide getuigen een nadere zienswijze te geven. Het Uwv heeft daarop met de brief van 1 augustus 2025 gereageerd.
1.9
De rechtbank heeft vervolgens, met instemming van partijen, zonder nadere zitting het onderzoek gesloten.

Het geschil

2. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of het Uwv terecht stelt dat eiser niet verzekerd is voor de Wet WIA. De rechtbank beoordeelt deze vraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Standpunten van partijen
3. Volgens het Uwv is eiser niet verzekerd voor de Wet WIA, omdat op eisers eerste ziektedag er geen dienstverband was – noch sprake was van nawerking – of recht bestond op een WWuitkering. Het Uwv licht in het verweerschrift toe dat eiser vanaf 27 december 2019 tot op de dag van zijn ziekmelding recht had op een uitkering op grond van de Participatiewet, maar dat dit geen verzekeringsgrond oplevert. De dienstverbanden bij VOF [persoon3] en VOF [persoon4] leveren geen grond op voor verzekering. Het eerste dienstverband is geëindigd op 1 september 2020 en eiser heeft sinds mei 2020 geen salaris meer ontvangen. Bij het tweede dienstverband is sinds juni 2019 geen inkomen meer verantwoord. Hoewel aan eiser met het besluit van 6 april 2023 is meegedeeld dat zijn ZW-uitkering wordt beëindigd per 9 november 2022, heeft eiser naar aanleiding van ziekmelding per 12 november 2020 nooit een ZW-uitkering ontvangen. Wel is er per abuis een melding in het systeem gekomen, waardoor na 104 weken automatisch een beëindigingsbrief is verstuurd.
4. Eiser is van mening dat hij wel verzekerd was voor de Wet WIA en dus recht heeft op een WIA-uitkering. In het aanvullend beroepschrift van 9 augustus 2024 heeft eiser aangevoerd dat hij in de periode 2018 tot en met 31 december 2020 heeft gewerkt bij [persoon3] [bedrijf] . Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de brief van 22 maart 2021 van de voormalige eigenaar van [persoon3] , [persoon1] , waarin is aangegeven dat hij geen gebruik meer wenste te maken van de werkzaamheden van eiser. Verder verwijst eiser naar de verklaring van een oud-werknemer van [persoon3] dat eiser tot en met de corona-uitbraak bij [persoon3] werkzaam was, een foto van eiser aan het werk, volgens eiser genomen in 2020, en een pinbetaling op 12 november 2020 toen hij volgens eiser tijdens zijn pauze iets te eten kocht bij [persoon3] . Eiser heeft voor de overige uren aanvullende bijstand ontvangen. Op de zitting van 20 augustus 2024 heeft eiser hier aan toegevoegd dat hij wel degelijk een ZW-uitkering heeft ontvangen van het Uwv, die door de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam werd aangevuld tot bijstandsniveau. Eiser meent dat uit de betaling van de ZW-uitkering volgt dat er een dienstverband was.
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij op of omstreeks 12 november 2020 ziek is geworden en ziek uit dienst is gegaan bij [persoon3] , maar dat de ziekmelding onjuist is vastgelegd. Bij de ZW-uitkering is deze datum ook als eerste ziektedag gehanteerd. De ZW-uitkering is na 104 weken beëindigd, namelijk per 9 november 2022, en eiser heeft daarmee ook voldaan aan de wachttijd voor de WIA.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser bankafschriften overgelegd en stukken van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam.

Beoordeling door de rechtbank

5. Om voor een WIA-uitkering in aanmerking te kunnen komen, moet iemand verzekerd zijn. Uit artikel 7 van Pro de Wet WIA volgt dat een werknemer verplicht verzekerd is. Wanneer iemand is aan te merken als een werknemer is bepaald in artikel 8, van de Wet WIA in samenhang met artikel 3, van de ZW: de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Verder is iemand ook verzekerd wanneer diegene een WW-uitkering ontvangt. Dat staat in artikel 9, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wet WIA.
6. Het is vaste rechtspraak [1] dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake moet zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon.
7. Nu eiser een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op uitkering heeft. Dit brengt met zich mee dat eiser aannemelijk dient te maken dat op zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag een dienstbetrekking bestond tussen hem en een werkgever of dat hij een WW-uitkering ontving.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser op 12 november 2020 geen WW-uitkering ontving. Dat wordt ook niet door eiser betwist. Het gaat er dus om of eiser op 12 november 2020 in een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking stond.
9. Uit de polisadministratie van het Uwv blijkt niet dat eiser op 12 november 2020 een dienstbetrekking had met [persoon3] of een andere werkgever. Daaruit volgt juist dat eiser van 1 maart 2020 tot en met 31 maart 2020 voor het laatst loon heeft ontvangen.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door eiser overgelegde stukken of uit de verklaringen van de gehoorde getuigen evenmin dat eiser op 12 november 2020 een dienstbetrekking had. De rechtbank licht dat hierna toe.

De arbeidsovereenkomst en de brief van de voormalig werkgever

10.1
In het dossier zit een door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst (nul uren contract) voor bepaalde tijd van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. Bovenaan de overeenkomst staat:
De ondergetekenden:
1.
[eiser] , […..] hierna te noemen: “Werknemer”
Hierna gezamenlijk te noemen ‘Partijen’.”
De werkgever wordt hier niet vermeld als partij. Onderaan de arbeidsovereenkomst staan de naam van eiser en de naam [persoon1] met handtekeningen. [persoon1] heeft tijdens zijn verhoor van 18 juni 2025 verklaard dat de handtekening bij zijn naam niet zijn handtekening is. Hij heeft zijn identiteitsbewijs getoond, waarop een andere handtekening dan onder de arbeidsovereenkomst staat. Zijn broer, [persoon2] , heeft tijdens zijn verhoor van 18 juni 2025 eveneens verklaard dat de handtekening niet de zijne is en als bewijs daarvan zijn identiteitsbewijs getoond met een andere handtekening.
10.2.
In het dossier zit ook een door het Uwv overgelegde niet ondertekende oproepovereenkomst (nulurencontract) tussen [bedrijf] en eiser voor de periode van 1 oktober 2018 tot en met 30 september 2019. [bedrijf] is een handelsnaam van [persoon3] . Het Uwv heeft deze overeenkomst gekregen van de boekhouder van de voormalige werkgever. Deze overeenkomst ziet er anders uit dan de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst.
10.3
Over de door eiser overgelegde brief van zijn voormalig werkgever [persoon1] van 22 maart 2021 heeft [persoon1] tijdens zijn verhoor verklaard de brief niet te herkennen en dat de handtekening die eronder staat, niet zijn handtekening is.
10.4
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat, voor zover al niet sprake is van een valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomst en brief, daaruit niet blijkt tot wanneer eiser daadwerkelijk heeft gewerkt en loon heeft ontvangen.

De verklaring van [persoon5]

11. In de door eiser overgelegde schriftelijke verklaring van [persoon5] staat dat eiser rond half 2019 tot de corona-uitbraak in [persoon3] heeft gewerkt. Aangezien de eerste coronamaatregelen per 16 maart 2020 werden ingevoerd, blijkt uit deze verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser op 20 november 2020 nog bij [persoon3] werkte.

De foto en pinbetaling bij [persoon3]

12. Eiser heeft een foto van zichzelf overgelegd, die volgens hem in 2020 tijdens het werken bij [persoon3] is genomen. De rechtbank kan dit echter op geen enkele wijze uit de foto opmaken. De op 12 november 2020 gedane pinbetaling bij [persoon3] is volgens eiser gedaan tijdens zijn pauze, maar ook daarvoor ontbreekt elk nader bewijs.

De bankafschriften

13. Eiser heeft bankafschriften over de periode van 4 oktober 2019 tot en met 26 oktober 2020 overgelegd. De rechtbank stelt vast dat daaruit blijkt dat eiser in de periode van 4 oktober 2019 tot 30 januari 2020 een WW-uitkering en loon van [persoon3] heeft ontvangen. Vanaf 7 februari 2020 is in de bankafschriften alleen nog sprake van een bijstandsuitkering van de gemeente Amsterdam. Aangezien eiser geen bankafschriften van rondom 20 november 2020 heeft overgelegd, zijn deze geen bewijs van het hebben van een dienstverband op 20 november 2020.

De specificaties van de Dienst werk en inkomen

14. Eiser heeft specificaties van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam overgelegd die betrekking op de periode van februari tot en met juni 2020. De rechtbank stelt vast dat eiser geen specificaties heeft overgelegd die betrekking hebben op de periode rondom 12 november 2020. Uit deze specificaties volgt dus niet dat eiser, naast zijn bijstandsuitkering, op 12 november 2020 ook nog loon uit werk bij [persoon3] ontving.

De getuigenverklaringen

15.1
[persoon1] heeft verklaard dat eiser bij hem heeft gewerkt toen hij eigenaar van de bakkerij was en dat hij zelf de arbeidsovereenkomst heeft getekend. In juni of juli 2019 is hij uit de V.O.F. gestapt en heeft zijn partner, [persoon2] , de zaak alleen voortgezet. Hij heeft daarna wel nog geholpen in de winkel, maar in november 2020 was hij er niet meer, omdat hij toen een andere zaak had.
Eiser heeft bij hem in de bakkerij gewerkt van oktober 2018 tot 1 september 2020. Dat weet hij zo precies op grond van de loonstroken, die hij van zijn partner heeft gekregen.
Verder heeft de getuige ontkend dat het zijn handtekening is die onder de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst en zijn vermeende brief staat.
15.2
[persoon2] heeft verklaard dat eiser als oproepkracht niet elke dag werkte, maar dat hij niet weet hoeveel uren en in welke maanden dat precies was. Eiser heeft een paar maanden wel en een paar maanden niet gewerkt. Dat was tot september 2020. Hij weet niet of eiser daarna nog is opgeroepen. Er zouden dan volgens hem loonstroken of bankafschriften moeten zijn.
De getuige heeft verder verklaard de handtekening onder de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst niet te herkennen en dat er geen anderen zijn die in zijn plaats arbeidsovereenkomsten mogen ondertekenen. De door hem gebruikte arbeidsovereenkomsten werden gemaakt door de boekhouder en daar zette hij dan zelf dingen bij.
16.1
In reactie op deze verklaringen heeft eiser in zijn nadere zienswijze allereerst aangevoerd dat de omstandigheid dat de getuigen vanwege het tijdsverloop het allemaal niet meer weten, geen argument kan zijn, omdat van hen als werkgever mag worden verwacht dat zij een zodanige administratie voert en houdt dat zij bij vragen concreet kan aangeven op welke datum bijvoorbeeld een werknemer in en uit dienst is getreden, op welke datum een werknemer is uitgevallen wegens ziekte, wat voor soorten dienstverband het betreft, hoeveel uur er is gewerkt etc. Onduidelijkheid over deze kwestie dient in het voordeel van werknemer en in het nadeel van werkgever te worden uitgelegd, vooral indien er duidelijke aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat een werknemer in een bepaalde periode bij werkgever heeft gewerkt.
16.2
De rechtbank is het daar niet mee eens. Anders dan eiser kennelijk aanneemt, is het niet aan de werkgever om iets te bewijzen, maar is het aan eiser om tegenover het Uwv aannemelijk te maken dat hij een privaatrechtelijke dienstbetrekking had op 12 november 2020. De verklaring van zijn werkgever zou daaraan een bijdrage kunnen leveren, maar heeft dat in dit geval niet gedaan. Veeleer duiden de verklaringen erop dat eiser niet meer heeft gewerkt bij [persoon3] vanaf 1 september 2020. De door eiser gestelde omstandigheden die het bestaan van een dienstbetrekking op 12 november 2020 bevestigen, heeft de rechtbank hiervoor al besproken en onvoldoende als bewijs gevonden.
17.1
Eiser heeft er verder op gewezen dat de getuigen hebben erkend c.q. verklaard dat het arbeidscontract dat hen is getoond door de rechtbank een standaard contract is dat zij
gebruiken en de heer [persoon2] heeft zelfs verklaard dat hij daarin soms wat aanpassingen in doorvoert.
17.2
De rechtbank overweegt hierover dat het contract waarover [persoon2] (en niet [persoon1] ) heeft verklaard dat het een standaardcontract was waar hij zelf wat bijzette, het contract betrof dat het Uwv van de boekhouder heeft ontvangen, niet het door eiser overgelegde contract.
18.1
Eiser heeft ook opgemerkt dat de verklaring van de getuigen dat de handtekeningen niet van hun zijn, niet met zich brengt dat het arbeidscontract niet door of namens werkgever is getekend. De bevoegdheden binnen de onderneming van werkgever zijn zodanig onduidelijk dat niet is uitgesloten dat het arbeidscontract namens werkgever is ondertekend door een ander binnen de onderneming van werkgever, bijvoorbeeld de boekhouder die, zo heeft de heer [persoon2] verklaard, ook contracten opstelt voor werkgever en alles verder regelt. Daarbij heeft de heer [persoon2] erkend dat hij zelf ook contracten maakt waarop een logo van werkgever ontbreekt. Het ondertekende contract met einddatum 31 december 2020 is er een zonder logo en dus hoogstwaarschijnlijk afkomstig van en opgesteld door de heer [persoon2] . Eiser betwist uitdrukkelijk dat binnen de onderneming anderen dan de heer [persoon2] geen handtekening onder een arbeidscontract mogen zetten. Dit is ook niet in lijn met de mededeling van werkgever, althans de heer [persoon2] dat zijn boekhouder ook contracten opstelt (maar dan met logo)en hij alles regelt, waaronder dus ook dient te worden verstaan, dat hij het contract namens werkgever ondertekent. Werkgever heeft niet verklaard dat de ondertekening ook niet heeft plaatsgevonden door de boekhouder.
18.2
De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Beide getuigen hebben verklaard dat zij de handtekening onder de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst niet herkennen. De rechtbank heeft ook zelf aan de hand van ter zitting getoonde identiteitsbewijzen vastgesteld dat de handtekening fors afwijkt van de handtekeningen van de getuigen. Verder heeft [persoon2] uitdrukkelijk verklaard dat niemand namens hem een arbeidsovereenkomst mag tekenen. Over de boekhouder heeft hij verklaard dat deze de arbeidsovereenkomsten opstelde, maar niet dat de boekhouder die ook tekende. Dat de boekhouder mogelijk brieven voor de werkgever schreef en contact onderhield met het Uwv – wat hier ook van zij – betekent niet dat de boekhouder dús de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. De rechtbank stelt vast dat dit slechts speculaties van eiser zijn.

Conclusie en gevolgen

19.1
Uit het voorgaande volgt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 20 november 2020 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot [persoon3] stond, zodat hij niet als werknemer in de zin van de Wet WIA kan worden aangemerkt.
19.2
Het Uwv heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat hij op 20 november 2020 niet verzekerd was voor de Wet WIA. Eiser krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hij krijgt daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt hij het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
29 september 2025.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:445