ECLI:NL:RBMNE:2025:6814

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/16/602078 / FO RK 25-1373
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming van Nidos tot tijdelijke voogd over alleenstaande minderjarige asielzoeker en prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een beschikking gegeven in een zaak betreffende de benoeming van een tijdelijke voogd voor een alleenstaande minderjarige asielzoeker, geboren in Syrië. De minderjarige verblijft sinds oktober 2025 zonder zijn ouders in Nederland en is momenteel ondergebracht bij een opvanggezin. De Stichting Nidos heeft verzocht om benoeming tot voogd, omdat de ouders onbekend zijn en niet in staat zijn om het gezag uit te oefenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en dat de ouders geen bekende woon- of verblijfplaats hebben. De rechtbank heeft besloten om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over de procedure bij verzoeken tot benoeming van een voogd over alleenstaande minderjarige asielzoekers. Deze vragen zijn van belang voor de rechtspraktijk en de behandeling van soortgelijke zaken. De rechtbank benoemt Nidos tot tijdelijke voogd en mr. I.J. Pieters tot bijzondere curator voor de minderjarige, met de opdracht om hem te vertegenwoordigen in de procedure. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de rechtbank heeft Nidos en de bijzondere curator in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de te stellen vragen aan de Hoge Raad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/602078 / FO RK 25-1373
Beschikking van de rechtbank van 23 december 2025 betreffende voogdij
over:
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] (Syrië),
verder te noemen: [minderjarige] ,
kind van:
[de moeder],
de moeder,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
en
[de vader],
de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
volgens het verzoekschrift verblijvende in [plaats 1] (Turkije).

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft ontvangen:
- het verzoekschrift van 3 november 2025 van de Stichting Nidos (Nidos) met bijlagen.
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

2.Waar deze procedure over gaat

2.1.
[minderjarige] verblijft sinds 22 oktober 2025 zonder zijn ouders in Nederland. Hij verblijft op dit moment bij een opvanggezin in [plaats 2] .
2.2.
Nidos constateert dat de ouders die het gezag uitoefenen al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen of dat hun bestaan of verblijfplaats onbekend is. Zij concludeert dat in het gezag over [minderjarige] dient te worden voorzien door middel van voogdij.
2.3.
Nidos verzoekt de rechtbank om een voorziening in de (tijdelijke) voogdij.
2.4.
Nidos heeft zich bij brief van 3 november 2025 bereid verklaard de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.
2.5.
[minderjarige] heeft aan Nidos verklaard dat hij instemt met het opdragen van de voogdij aan Nidos.

3.De beoordeling

Het juridisch kader en de onduidelijkheden in de rechtspraktijk
3.1.
Jaarlijks ontvangen rechtbanken een grote hoeveelheid verzoeken van Nidos om deze gecertificeerde instelling (GI) als (tijdelijke) voogd te benoemen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s), ook wel alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama’s) genoemd. Nidos ontvangt bericht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bericht over personen die zich bij de IND hebben gemeld als minderjarige asielzoeker die zonder ouders hun thuisland – buiten de Europese Unie – zijn ontvlucht. Nidos onderneemt vervolgens actie. Nidos is namelijk als GI binnen Nederland speciaal aangewezen [1] om zich te ontfermen over deze groep.
3.2.
Aan het verzoek legt Nidos meestal, net als in deze zaak, ten grondslag dat sprake is van een al dan niet tijdelijke onmogelijkheid van de gezaghebbende ouder(s) van betrokkene om het gezag uit te oefenen en/of dat diens bestaan of verblijfplaats onbekend is. [2] Bij het verzoekschrift – dat in de meeste gevallen nog weinig informatie bevat over de minderjarige en diens familie – zit vaak een verklaring van de minderjarige dat een kindgesprek niet nodig is. De zaken worden door de rechtbanken in veel gevallen schriftelijk afgedaan, zonder kindgesprek en zonder mondelinge behandeling. Binnen landelijke overleggremia van de rechtspraak is al langer discussie over die werkwijze en over de vraag op welke (andere) wijze de minderjarige asielzoeker en diens ouders bij de procedure betrokken (zouden) moeten worden, welke eisen gesteld moeten worden aan het verzoek en op welke termijn op dergelijke verzoeken beslist moet worden. Het belang van participatie en het belang van snelheid strijden om voorrang.
3.3.
De meeste minderjarige asielzoekers hebben, voordat zij in Nederland arriveren een heftige periode achter de rug en volgens Nidos kost het in veel gevallen ook tijd en energie om te ‘landen’ in de nieuwe omgeving. Op een aankomstlocatie als Ter Apel, waar de minderjarige ook wordt bevraagd door bijvoorbeeld de Marechaussee en de IND, is Nidos slechts één van de organisaties waar zij mee geconfronteerd worden. Het is vaak al een hele opgave om praktische zaken op orde te krijgen. Om deze minderjarige – in deze beginfase – te betrekken in een juridische procedure, kan extra belastend zijn. Nidos realiseert zich dat de informatie over de minderjarige en diens familie vaak beperkt is, maar in deze beginfase is er meestal ook niet meer informatie beschikbaar. Het vertrouwen winnen van de minderjarige om zo ook meer informatie boven water te krijgen kost bovendien tijd. Het gezagsvacuüm waar de minderjarige zich in bevindt vraagt evenwel om snelle actie omdat alleen een vertegenwoordiger/voogd de verhoren kan bijwonen en zeggenschap heeft over de plek waar een betrokkene wordt (over)geplaatst.
3.4.
Die snelle actie is mede ingegeven door de van toepassing zijnde asielwetgeving. Op dit moment bepaalt de Asielverordening [3] al dat zo snel mogelijk een vertegenwoordiger moet worden aangewezen, maar per 12 juni 2026 treedt het zogeheten Migration Pact in werking. De Screeningsverordening – die onder het Migration Pact valt en rechtstreekse werking heeft – bepaalt dat op de eerste dag al een vertegenwoordiger moet zijn aangesteld. [4] De Asielprocedureverordening – ook vallend onder het Migration Pact, met rechtstreekse werking – bepaalt dat uiteindelijk binnen 15 werkdagen na de dag dat de asielaanvraag is gedaan een voogd (‘vertegenwoordiger’) moet zijn aangewezen. [5] In de rechtspraktijk worstelt men met de vraag op welke wijze de minderjarige asielzoeker en de ouders in de procedure betrokken dienen te worden, of er een mondelinge behandeling van het verzoek nodig is, maar ook welke eisen dienen te worden gesteld aan het verzoekschrift.
Welke onderbouwing noodzakelijk?
3.5.
De eisen van een verzoekschrift, waarmee de procedure wordt ingeleid, staan in artikel 278 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voor familiezaken geldt een aantal aanvullende eisen die te vinden zijn in artikel 799 Rv en in artikel 815 Rv. De stukken die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd, staan omschreven in artikel 815 Rv en in de procesreglementen.
3.6.
Om de gezagssituatie van een minderjarige, mede gelet op het internationaalrechtelijke aspect, in bedoelde zaken adequaat te kunnen beoordelen, zouden bijvoorbeeld de volgende bescheiden aan de rechter moeten worden overgelegd (niet limitatief):
  • het verhoor van aanmelding van de minderjarige;
  • de uitkomst van een leeftijdsonderzoek;
  • de geboorteakte van de minderjarige;
  • een al dan niet gewaarmerkte kopie van het paspoort van de minderjarige;
  • actuele informatie over de ouder(s) en hun verblijf, bijvoorbeeld door middel van informatie van de burgerlijke stand van het laatst bekende verblijfland;
  • bewijs van overlijden van de ouder(s) voor zover van toepassing.
3.7.
De verzoeken van Nidos die worden ingediend in de allereerste fase van het verblijf van de minderjarige in Nederland, zijn doorgaans, net als in deze zaak, summier onderbouwd omdat deze snel na de melding van de IND door Nidos worden ingediend. De betreffende minderjarigen beschikken in zijn algemeenheid niet over de hiervoor genoemde identificerende bescheiden en de IND heeft in die periode nog geen eerste gehoor gedaan. De vraag komt op, welke onderbouwing van het verzoekschrift, al dan niet gestaafd met (officiële) documenten, de rechter in deze fase van het (recente) verblijf van de minderjarige in Nederland van Nidos mag verwachten afgezet tegen het belang om snel te beslissen. En vervolgens is de vraag welke moeite moet Nidos zich hebben getroost om aan de documenten te komen.
3.8.
Overigens leert de ervaring dat zorgvuldigheid bij het uitzoeken en registreren van persoonsgegevens als namen, geboortedatum en -plaats van groot belang is, omdat het moeilijk is deze achteraf nog aan te passen.
Mondelinge behandeling?
3.9.
In de rechtspraktijk is de vraag gerezen of de verzoeken waar we het hier over hebben eigenlijk niet voor onmiddellijke toewijzing gereed zijn (artikel 800 lid 1 Rv). Ondanks de beperkte informatie zal het immers in de meeste gevallen zonneklaar zijn dat het verzoek toewijsbaar is. Er is een persoon die stelt minderjarig te zijn en zich zonder ouder(s) c.q. gezagsdragers in Nederland bevindt en er moet in het gezag worden voorzien. Tegenspraak of een andere uitkomst dan verzocht valt niet te verwachten en de minderjarige heeft onmiskenbaar zelf belang bij toewijzing van het verzoek.
3.10.
De vraag is daarnaast hoe de situatie beoordeeld moet worden als er contactgegevens van ouders bekend zijn in een land buiten de Europese Unie. Zo bevindt de vader in deze zaak zich volgens het verzoekschrift in [plaats 1] (Turkije), maar het is onduidelijk of er een adres bekend is of dat er pogingen zijn ondernomen om dit adres te achterhalen. Het is de vraag of ouders van wie een mobiel telefoonnummer of een e-mailadres bekend is, in de mogelijkheid zijn het gezag vanuit het buitenland uit te oefenen en dus de minderjarige die zich heeft gemeld als minderjarige asielzoeker, kunnen vertegenwoordigen en begeleiden bij het verzorgen van woonruimte, school, medische beslissingen en het doen van een asielaanvraag., in een land dat volkomen onbekend voor de ouder is.
3.11.
Vermelding verdient verder dat de ‘tijdelijke voogdij’ ex artikel 1:253q in verbinding met artikel 1:253r BW in de praktijk helemaal niet zo tijdelijk hoeft te zijn en in principe eindeloos kan duren na het uitspreken daarvan. Zodra de omstandigheden zijn vervallen moet/moeten de ouder(s) namelijk op basis van de wettelijke bepalingen zelf een verzoek indienen om het gezag weer te verkrijgen. Indien één of beide ouders zich bij de minderjarige heeft gevoegd, verzoekt Nidos de rechtbank Midden-Nederland om herstel in het gezag van ouders. De ouders hoeven dit dus niet via een advocaat te verzoeken. Daarnaast verzoekt Nidos bij de rechtbank Midden-Nederland ook beëindiging van de voogdij om diverse redenen, bijvoorbeeld bij een verhuizing naar het buitenland of als de voogdijpupil meerderjarig blijkt te zijn.
Voorlopige voogdij?
3.12.
Opgemerkt wordt dat Nidos ook een verzoek tot voorlopige voogdij op grond van artikel 1:241 BW kan doen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft dan drie maanden de tijd om het benodigde onderzoek te doen voor het verzoeken van een meer bestendige voorziening in het gezag. Het is echter de vraag of een dergelijk onderzoek in de praktijk tot (veel) meer informatie zal leiden. Bovendien is een zorg dat een toename van dergelijke (spoedeisende) onderzoeken door de Raad de op dit moment lange wachttijden bij de Raad in andere familierechtelijke procedures zal doen toenemen.
Betrekken ouders in de procedure
3.13.
Indien op het verzoek niet zonder zitting kan worden beslist, is de vraag wat er van de rechtbank kan worden verwacht waar het de oproep van ouders betreft. De oproeping van niet in de procedure verschenen belanghebbenden van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf onbekend zijn geschiedt door plaatsing van de oproeping in de Staatscourant. De rechter kan bepalen dat de oproeping tevens op andere wijze geschiedt. [6] Voor een oproep via de Staatscourant gelden geen wettelijke termijnen, maar op grond van het procesreglement Gezag en Omgang dat van toepassing is in voogdijzaken is de oproeptermijn ten minste drie maanden. [7] De vraag is echter of ouders – daargelaten of er al correcte persoonsgegevens van hen bekend zijn – openbaar moeten worden opgeroepen voor een zitting als op voorhand al met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat zij toch geen kennis van dat bericht zullen nemen en de maatregel – zoals hiervoor geschetst – spoed heeft.
Kindgesprek
3.14.
Los van de vraag of er een mondelinge behandeling van het verzoek nodig is, bestaat in de praktijk onduidelijkheid of de minderjarigen in kwestie dienen te worden uitgenodigd voor een kindgesprek. Bij de verzoekschriften in de procedures waar het hier om gaat, bevindt zich namelijk doorgaans, net als in deze zaak, een door de minderjarige ondertekende verklaring die in aanwezigheid van een tolk is besproken. De minderjarige geeft dan aan in te stemmen met benoeming van Nidos tot voogd en het niet noodzakelijk te vinden om te worden opgeroepen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.
3.15.
Minderjarigen hebben het recht om hun mening te geven over zaken die hen aangaan. Het is één van de vier grondbeginselen van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK, artikel 12). Op grond van artikel 809 Rv hebben kinderen vanaf twaalf jaar het recht om door de rechter gehoord te worden in zaken die hen betreffen. Zij worden in principe in alle familie- en jeugdprocedures tegenwoordig vanaf acht jaar standaard uitgenodigd voor een gesprek met de rechter. In de uitnodiging is vermeld dat de minderjarige ook een brief of mail naar de rechter kan sturen. De rechter beslist pas de minderjarige zijn/haar mening heeft kunnen geven, tenzij het een zaak van kennelijk ondergeschikt belang is (artikel 809 lid 1 RV).
3.16.
De vraag is hoe zich het belang van participatie van de minderjarige enerzijds zich verhoudt ten opzichte van het belang van een snelle beslissing en voorziening in het gezagsvacuüm in een voor de minderjarige turbulente periode waarin veel beslissingen genomen dienen te worden. De minderjarige dient zo snel mogelijk te worden vertegenwoordigd en ondersteund, bijvoorbeeld bij het verhoor bij de IND. Hiervoor wordt verwezen naar de bovengenoemde asielwetgeving, maar ook naar general comment nummer 6 bij het IVRK en artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Daarbij wordt nog genoemd dat het gaat om minderjarigen met veelal een belast verleden die vanuit dat verleden een zeker wantrouwen hebben tegen instituties.
Aanleiding tot prejudiciële vragen
3.17.
Gelet op de hiervoor omschreven onduidelijkheden zal de rechtbank op de voet van artikel 392 e.v. Rv de Hoge Raad de hierna genoemde prejudiciële vragen stellen. Antwoord op de vragen is zonder meer vereist om op de verzoeken van Nidos die in de onderhavige zaak ter beoordeling voorliggen te kunnen beslissen. Daarnaast is het antwoord op alle vragen rechtstreeks van belang voor de beslissing in talrijke andere soortgelijke kinderbeschermingszaken – namelijk voor alle alleenstaande minderjarige asielzoekers – waarin zich dezelfde vragen voordoen.
3.18.
De vragen:
Welke onderbouwing van het verzoekschrift, al dan niet gestaafd met (officiële) documenten, mag de rechter in deze fase van het (recente) verblijf van de minderjarige in Nederland van Nidos verwachten afgezet tegen het belang om snel te beslissen? En welke moeite moet Nidos zich hebben getroost om aan de documenten te komen?
Is een verzoek van Nidos om met voogdij op grond van artikel 253q en r over een alleenstaande minderjarige asielzoeker van buiten de Europese Unie benoemd te worden een verzoek als bedoeld in artikel 800 lid 1 Rv dat voor onmiddellijke toewijzing, dus zonder zitting, gereed is?
Maakt het bij de beantwoording van vraag 2) uit of van ouders verblijfs-s of contactgegevens bekend zijn buiten Europa? Wanneer brengt de beschikbaarheid van contactgegevens met zich mee dat ouders in de mogelijkheid zijn om hun gezag uit te oefenen?
Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, wat kan dan precies van de rechtspraak worden verwacht waar het de oproep van de ouders voor een mondelinge behandeling betreft als er:
a. (nog) geen contactgegevens bekend zijn, moet er dan toch een oproeping via de Staatscourant (met een oproeptermijn van drie maanden)?
b. contactgegevens van (de) ouder(s) bekend zijn in een land buiten de Europese Unie, moet er dan op reguliere wijze betekening plaatsvinden in het buitenland (hetgeen een tijdrovende aangelegenheid kan zijn)?
5. Moeten de minderjarigen in bedoelde zaken (in alle gevallen) in de gelegenheid worden gesteld hun mening kenbaar te maken door middel van een oproep voor een kindgesprek?
6. Luidt het antwoord op vraag 5 anders indien de minderjarige – bijgestaan door een tolk – een verklaring heeft getekend waaruit blijkt dat hij/zij geïnformeerd is over de mogelijkheid op een kindgesprek te komen en van dat kindgesprek afziet?
3.19.
Conform het bepaalde in artikel 392 lid 2 Rv zal de rechtbank alvorens de vragen te stellen Nidos in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het voornemen om de vragen te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.
3.20.
Daarnaast benoemt de rechtbank op grond van 1:250 lid 1 BW ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige in deze procedure te vertegenwoordigen, zijn stem weer te geven en hem te informeren over de procedure. De bijzondere curator zal ook in de gelegenheid worden gesteld over het voornemen om de vragen te stellen en de inhoud van de te stellen vragen. Mr. I.J. Pieters, advocaat in Leiden, heeft zich bereid verklaard om benoemd te worden tot bijzondere curator. De rechtbank zal hem een kopie van het verzoekschrift en de contactgegevens van de minderjarige doen toekomen.
3.21.
Omdat de procedure ter beantwoording van deze vragen naar verwachting nog geruime tijd zal duren zal de rechtbank Nidos op grond van artikel 1:296 BW tot (tijdelijk) voogd te benoemen in afwachting van de beslissing na de beantwoording van de vragen door de Hoge Raad.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
benoemt Nidos tot (tijdelijk) voogd van [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] (Syrië);
4.2.
benoemt mr. I.J. Pieters, advocaat te Leiden, tot bijzondere curator over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] (Syrië) met als opdracht de minderjarige te vertegenwoordigen in deze procedure, zijn stem weer te geven en hem te informeren over de procedure;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
stelt Nidos tot uiterlijk
30 januari 2026in de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten over het voornemen van de rechtbank om ex artikel 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellen vragen;
4.5.
stelt de bijzondere curator tot uiterlijk
30 januari 2026in de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten over het voornemen van de rechtbank om ex artikel 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellen vragen;
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Kleijn (griffier), en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Voetnoten

1.Zie artikel 1:302 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW): Nidos is de ‘daartoe door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon’ als bedoeld in dit artikel.
2.De wettelijke grondslag daarvoor is doorgaans artikel 1:253q in verbinding met artikel 1:253r BW.
3.Artikel 46 van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en
4.Artikel 25 van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van de screening van onderdanen van derde landen aan de buitengrenzen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240 en (EU) 2019/817.
5.Artikel 23 van de Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU.
6.Artikel 272 Rv
7.Artikel 5.2 procesreglement Gezag en Omgang