Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:6829

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/16/25/247 R
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 349a FaillissementswetArt. 316 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met eerdere ingangsdatum vastgesteld

Verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank beoordeelt dat verzoekster ontvankelijk is omdat het niet mogelijk is gebleken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, mede doordat schulden zijn gemaakt door haar ex-partner en de schuldenlijst incompleet is.

De rechtbank stelt vast dat het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt, waardoor zij bevoegd is de Wsnp-procedure te openen. De ingangsdatum van de Wsnp wordt vastgesteld op 1 april 2025, de datum waarop verzoekster de schuldhulpregelingsovereenkomst tekende. Hoewel tijdens het minnelijk traject geen besparingen voor gezamenlijke schuldeisers plaatsvonden door beslaglegging, wordt dit niet aan verzoekster toegerekend. Ook de arbeidstijd van 32 uur per week in plaats van 36 uur wordt geaccepteerd gezien persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank benoemt een bewindvoerder en rechter-commissaris die toezicht houden op de naleving van de verplichtingen tijdens de Wsnp. De bewindvoerder moet onderzoeken of verzoekster voldoende heeft voldaan aan de inspanningsverplichting in het minnelijk traject om de eerdere ingangsdatum te rechtvaardigen. De Wsnp-regeling wordt vastgesteld op een duur van 10 maanden, met een postblokkade van 13 maanden of korter indien noodzakelijk.

Indien verzoekster zich houdt aan alle verplichtingen, eindigt het traject met een 'schone lei', waardoor schuldeisers hun vorderingen niet meer kunnen verhalen. De rechtbank wijst het verzoek toe en bepaalt de voorwaarden en toezichthouders voor het Wsnp-traject.

Uitkomst: Verzoekster wordt toegelaten tot de Wsnp met ingangsdatum 1 april 2025 en een looptijd van 10 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Toezicht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/25/247 R
uitspraakdatum: 26 november 2025
uitspraak op grond van artikel 288 lid 1 van Pro de Faillissementswet
( “toepassing schuldsanering”)
enkelvoudige kamer
[verzoekster] ,
wonende [adres] ,
[postcode 1] [woonplaats] ,
hierna: verzoekster.
Waar deze zaak over gaat
Verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft verzoekster een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt verzoekster om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 april 2025. Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek van verzoekster om toegelaten te worden tot de Wsnp is op 1 oktober 2025 ontvangen door de rechtbank.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 19 november 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- Verzoekster,
- [A] , schuldhulpverlener.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet verzoekster in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens verzoekster geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de schuldenlijst niet compleet is en niet alle schuldeisers in kaart kunnen worden gebracht, doordat de schulden zijn gemaakt door de ex-partner.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. Verzoekster is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Bevoegdheid
2.4.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
De ingangsdatum
2.5.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.6.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande minnelijk traject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijk traject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrage (het vtlb), moet aflossen op haar schulden en dat zij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.7.
Op 1 april 2025 heeft verzoekster de schuldhulpregelingsovereenkomst getekend. Dit is de start van het minnelijk traject. De rechtbank stelt vast dat gedurende het minnelijke traject van 10 maanden niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van verzoekster. Daardoor is gedurende 10 maanden een deel van de inkomsten betaald aan een schuldeiser. Naar oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan verzoekster. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum.
2.8.
De rechtbank stelt vast dat dat verzoekster tijdens het minnelijk traject een aanstelling heeft gehad van 32 uur per week en niet een aanstelling van 36 uur, zoals in beginsel verplicht is tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling. Gelet op het feit dat verzoekster tijdens het minnelijk traject op verzoek van haar werkgever regelmatig 4 uur per week extra zou hebben gewerkt en in het licht van haar persoonlijke omstandigheden, overweegt de rechtbank dat de omvang van de aanstelling niet in de weg hoeft te staan aan het toewijzen van een eerdere ingangsdatum. De rechtbank oordeelt vooralsnog dat verzoekster tijdens het minnelijk traject voldoende inzet heeft getoond en een eerdere ingangsdatum gerechtvaardigd is. De rechtbank bepaalt daarom bij dit vonnis een eerdere ingangsdatum. Het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het minnelijk traject voorafgaand aan het Wsnp-traject, op basis van het onderzoek en de bevindingen van de bewindvoerder, laat de rechtbank aan de rechter-commissaris. De uitkomst van die beoordeling kan aanleiding zijn voor de rechter-commissaris of de rechtbank om de looptijd van de schuldsaneringsregeling (alsnog) te verlengen.
Duur
2.9.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) op 10 maanden.

3.De verplichtingen in de Wsnp

3.1.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of verzoekster de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.2.
De verplichtingen waaraan verzoekster tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat alle bezittingen die verzoekster nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt. Verzoekster heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan. De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden, of zoveel korter als noodzakelijk, van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan verzoekster.
3.6.
Als verzoekster zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op verzoekster kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
wonende [adres] ,
[postcode 1] [woonplaats] ,
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 1 april 2025. de duur op 10 maanden en de einddatum op 1 september 2026;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. G. Konings;
- benoemt tot bewindvoerder M. Zomerdijk, postbus [postbusnummer] , [postcode 2] [plaats] .
- oordeelt dat de bewindvoerder moet onderzoeken of gedurende het minnelijk traject voorafgaand aan de wettelijke schuldsanering de inspanningsverplichting voldoende is nageleefd om de eerdere ingangsdatum te rechtvaardigen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini en is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.