ECLI:NL:RBMNE:2025:6830

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/16/602077 / HA RK 25-194
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:298 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsings- en ontslagverzoek bestuurders CWO wegens vrijwillig aftreden

De Stichting CWO, opgericht door vier verenigingen waaronder KNWV en HISWA-RECRON, beheert een diplomasysteem voor vaaropleidingen. Na interne conflicten over modernisering van het diplomasysteem besloot KNWV een concurrerend systeem te promoten, wat leidde tot een geschil over bestuur en belangenverstrengeling.

Verzoekers, waaronder HISWA-RECRON, verzochten de rechtbank om de bestuurders namens KNWV te schorsen en te ontslaan wegens vermeende strijdigheid met de statuten en tegenstrijdige belangen. Tevens werd KNWV verboden nieuwe bestuurders te benoemen en werd overdracht van het secretariaat geëist.

De rechtbank oordeelde dat de bestuurders op 5 december 2025 vrijwillig waren afgetreden, waardoor het schorsings- en ontslagverzoek geen belang meer had en werd afgewezen. Ook werden de overige verzoeken, zoals het verbod op benoeming van nieuwe bestuurders en overdracht van het secretariaat, afgewezen omdat deze niet in deze procedure thuishoorden of onvoldoende concreet waren.

De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank benadrukte dat het verzoekschrift mogelijk het aftreden heeft versneld, maar niet noodzakelijk was om dit effect te bereiken.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing en ontslag van de bestuurders van CWO wordt afgewezen omdat zij vrijwillig zijn afgetreden.

Uitspraak

RECHTBANKMidden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/602077 / HA RK 25-194
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 8 december 2025
in de zaak van

1.[verzoekster sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [verzoekster sub 1] ,
2.
[verzoeker sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [verzoeker sub 2] ,
3.
VERENIGING HISWA-RECRON,
statutair gevestigd te Leusden,
hierna te noemen: HISWA,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: verzoekers,
advocaten: mrs. C. Erasmus en D. Wurmond,
tegen

1.[verweerster sub 1] ,

woonplaats kiezende op het kantooradres van hun advocaat,
hierna te noemen: [verweerster sub 1] ,
2.
[verweerder sub 2],
woonplaats kiezende op het kantooradres van hun advocaat,
hierna te noemen: [verweerder sub 2] ,
3.
KONINGKIJK NEDERLANDS WATERSPORT VERBOND,
statutair gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen: KNWV,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: verweerders,
advocaten: mrs. K.V.A.J.M.M. de Bont en D.A.A.P. de Jong.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Dijk - Overmars als griffier.
Aanwezig zijn:
- mw. [verzoekster sub 1] ,
- dhr. [verzoeker sub 2] ,
- dhr. [A] ( [functie 1] van HISWA),
- dhr. [B] ( [functie 2] van HISWA),
- dhr. [C] ( [functie 3] HISWA),
- mr. C. Erasmus,
- mr. D. Wurmond,
- dhr. [D] ( [functie 1] van KNWV),
- mw. [E] ( [functie 4] KNWV),
- dhr. [F] ( [functie 5] van KNWV),
- mr. mr. K.V.A.J.M.M. de Bonth,
- mr. D.A.A.P. de Jong.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 t/m 37,
- producties 38 en 39 van verzoekers,
- het verweerschrift met producties 1 t/m 15,
- de e-mail van de rechtbank van 5 december 2025 aan partijen,
- de brief van 5 december 2025 van verzoekers.
1.2.
Op 8 december 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. Nadat de mondelinge behandeling was gesloten heeft de rechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is hieronder opgenomen in de paragrafen 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
De Stichting CWO (hierna: CWO) is opgericht door vier verenigingen:
  • ANWB,
  • vereniging van recreatie Ondernemers in Nederland (later genaamd RECRON),
  • KNWV, en
  • HISWA.
Op enig moment is ANWB uitgetreden en zijn RECRON en HISWA samengevoegd tot één organisatie: vereniging HISWA-RECRON (hierna: HISWA). Bij oprichting werd het bestuur gevormd door vier bestuurders, elk benoemd door één van de oprichtende verenigingen. Met de uittreding van ANWB en de fusie van HISWA en RECRON worden er alleen twee bestuursleden benoemd/voorgedragen door KNWV en twee bestuursleden door HISWA. Sinds 1 mei 2025 zijn [verzoekster sub 1] en [verzoeker sub 2] namens HISWA bestuurders van CWO. [verweerder sub 2] en [verweerster sub 1] zijn sinds 1 juni 2025 namens KNWV bestuurders van CWO. Het secretariaat van CWO wordt al ruim 10 jaar op basis van een overeenkomst tegen een vergoeding door KNWV gevoerd.
2.2.
CWO bood een diplomasysteem met de daarbij behorende opleidingen voor vaaropleidingen. Dit diplomasysteem moest worden gemoderniseerd. KNWV en HISWA kwamen daar niet gezamenlijk uit en daarom heeft KNWV besloten het diplomasysteem van een partij die eerder van CWO is afgesplitst, Vereniging Nationaal Watersportdiploma, in gebruik te nemen. KNWV is vervolgens dit diplomasysteem gaan promoten.
2.3.
[verzoekster sub 1] , [verzoeker sub 2] en HISWA verzoeken in deze procedure dat [verweerder sub 2] en [verweerster sub 1] als bestuurders van CWO worden geschorst en ontslagen. Volgens verzoekers handelden [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] in strijd met de statuten van CWO door toe te laten dat de partij die hen als bestuurder heeft voorgedragen, KNWV, een concurrerende dienst heeft opgezet en zij hierdoor ook een tegenstrijdig belang hebben. Verder verzoeken verzoekers KNWV:
  • te verbieden om vanaf de schorsing van [verweerder sub 2] en [verweerster sub 1] een andere bestuurder te benoemen of voor te dragen,
  • te gelasten alle uitingen die aanzetten tot het opzeggen van CWO-overeenkomsten te staken, en
  • te gelasten het secretariaat van CWO over te dragen aan [verzoekster sub 1] en [verzoeker sub 2] .

3.De beslissing

De rechtbank
voor wat betreft de gevraagde voorlopige voorzieningen
3.1.
wijst de verzoeken af,
3.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3.
wijst de verzoeken af,
3.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

4.De beoordeling

De producties van verweerders zijn niet nodig voor de beoordeling
4.1.
Verweerders hebben op 5 december 2025 hun verweerschrift met 15 producties bij de rechtbank ingediend. Volgens verweerders is dit, althans voor wat betreft de producties, te laat, omdat verweerders de producties conform het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken 10 kalenderdagen voor de zitting hadden moeten indienen. Dat is niet gebeurd. De rechter beslist niet op dit bezwaar, en laat in het midden of de producties moeten worden toegelaten, omdat hij nauwelijks heeft kennisgenomen van deze producties en de producties niet nodig zijn voor het oordeel.
De verzoeken om [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] te schorsen en te ontslaan worden afgewezen
4.2.
De verzoeken om [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] als voorlopige voorziening te schorsen en in de hoofdzaak te ontslaan als bestuurders van CWO worden afgewezen. [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] zijn op 5 december 2025 afgetreden als bestuurders van CWO. Verzoekers hebben dan ook geen belang meer bij deze verzoeken.
Er wordt geen verbod aan KNWV opgelegd voor het benoemen van nieuwe bestuurders
4.3.
Verzoekers verzoeken dat KNWV wordt verboden om vanaf het moment van schorsing van [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] en gedurende de duur van de schorsing een nieuwe bestuurder te benoemen of voor te dragen. De rechter gaat voorbij aan wat KNWV zegt over dat dit verzoek moet worden afgewezen omdat [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] niet geschorst worden. De rechter begrijpt dit verzoek zo dat verzoekers (nog steeds) willen dat KNWV voorlopig wordt verboden om nieuwe bestuurders te benoemen of voor te dragen.
4.4.
De rechter moet eerst de vraag beantwoorden of dit verzoek kan worden gedaan in deze verzoekschriftprocedure. Dat kan. Dit verzoek heeft namelijk een duidelijk verband met het schorsings- en ontslagverzoek. [1] Verzoekers stellen dat als KNWV nieuwe bestuurders voor CWO zou voordragen, er weer bestuurders met een tegenstrijdig belang in het bestuur zouden zitten, waardoor (ook) het voortduren van het bestuurderschap van die bestuurders niet in redelijkheid kan worden geduld en de nieuwe bestuurder op grond van artikel 2:298 lid 1 BW Pro moet worden ontslagen.
4.5.
De rechter wijst het verzoek echter af. Er is om te beginnen geen sprake van een concrete dreiging dat KNWV een nieuwe bestuurder voor CWO zal voordragen of benoemen. [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] zijn net opgestapt. Namens KNWV is uitgelegd dat zij alleen nog van haar bevoegdheid om bestuurders voor te dragen en te benoemen gebruik zou willen maken als (1) aan [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] ten onrechte geen decharge wordt verleend, en/of (2) ten onrechte de factuur van KNWV voor de secretariaatswerkzaamheden niet wordt betaald. Dat is begrijpelijk en niet onredelijk. Er is dus geen reden om een dergelijk verbod op te leggen. Daarbij komt nog dat op dit moment helemaal niet al vaststaat dat een eventueel door KNWV voor te dragen en benoemen bestuurder een tegenstrijdig belang zal hebben. Dit kan op voorhand niet bepaald worden. Zeker niet gelet op de twee redenen die KNWV noemt om toch gebruik te maken van haar bevoegdheid.
De verdere vorderingen gericht tegen KNWV worden afgewezen
4.6.
Verzoekers verzoeken verder KNWV op straffe van dwangsommen te gelasten alle uitingen die aanzetten tot het opzeggen van CWO-overeenkomsten te staken en het secretariaat met bijbehorende administratie over te dragen, plus een verklaring voor recht dat KNWV jegens verzoekers aansprakelijk is en schade moet vergoeden, op te maken bij staat. Deze verzoeken worden afgewezen omdat zij (al dan niet in kort geding) in een dagvaardingsprocedure, en niet in een verzoekschriftprocedure als deze moeten worden ingesteld. Deze verzoeken hebben niets met artikel 2:298 BW Pro te maken en kunnen niet “meeliften” met de hoofdverzoeken (schorsing en ontslag).
4.7.
Verzoekers hebben tijdens de zitting twee uitspraken genoemd waaruit zou volgen dat een verzoek tot het overdragen van het secretariaat en de bijbehorende administratie in een verzoekschriftprocedure over het ontslag van een bestuurder kan worden beoordeeld en toegewezen. [2] De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2018 was in kort geding (dagvaardingsprocedure) en bevestigt dus juist dat een dergelijke vordering thuishoort in een dagvaardingsprocedure. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2016 ziet op een andere situatie. Daarin wordt een bestuurder van een stichting met de functie penningmeester, als bestuurder ontslagen omdat hij geld had verduisterd. Hij moest toen gelijk ook de administratie overdragen. Het is begrijpelijk en wel zo praktisch dat als een bestuurder met die reden wordt ontslagen, hij tegelijkertijd ook wordt veroordeeld de administratie over te dragen. Maar deze zaak is anders. De achtergrond van het verzoek van verzoekers om het secretariaat en de administratie in handen te krijgen, heeft niets te maken met de bestuurders [verweerder sub 2] of [verweerster sub 1] . De vordering is ook niet tegen hen gericht. Het verzoek wordt gedaan in het kader van de afwikkeling van een overeenkomst van opdracht tussen CWO en KNWV, die met wederzijds goedvinden per 1 januari 2026 wordt beëindigd. De bestuurders [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] hebben hier niets mee te maken.
4.8.
Ten overvloede merkt de rechter op dat hij ook geen reden heeft om te twijfelen aan de toezegging van KNWV dat zij alle door verzoekers gevraagde gegevens of stukken uiterlijk 1 januari 2026 zal verstrekken. Tijdens de zitting heeft KNWV erkend dat zij de in het verzoekschrift opgesomde stukken heeft en bevestigd dat zij al deze stukken zal overdragen aan KNWV.
De overige verzoeken worden afgewezen
4.9.
Dan resteren nog de verzoeken om als rechtbank in goede justitie voorlopige voorzieningen te treffen, de beslissingen van de rechtbank in te schrijven in het handelsregister en de voorlopige voorzieningen in hoofdzaak toe te wijzen. Ook deze verzoeken worden afgewezen. Het eerste verzoek wordt afgewezen, omdat de rechter geen aanleiding ziet om andere voorzieningen te treffen. Het tweede verzoek wordt afgewezen, omdat er geen beslissingen worden genomen die moeten worden ingeschreven in het handelsregister. De rechter gaat er vanuit dat het ontslag van [verweerster sub 1] en [verweerder sub 2] inmiddels is ingeschreven in het handelsregister, en anders dat zij dit zo snel mogelijk zullen doen. Ook het derde verzoek wordt afgewezen, omdat er geen voorlopige voorzieningen zijn toegewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.10.
De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Alle verzoeken worden afgewezen. Het uitgangspunt is dat verzoekers dan in de proceskosten worden veroordeeld. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als de verzoeken kennelijk nodig zijn geweest om de verweerders te laten doen wat in het verzoekschrift wordt verzocht. De rechtbank kan niet oordelen dat de verzoeken van verzoekers nodig waren om het effect te hebben dat [verweerder sub 2] en [verweerster sub 1] zouden aftreden. Uit de processtukken volgt dat KNWV al maandenlang uit CWO wil stappen, wat met zich mee zou brengen dat [verweerder sub 2] en [verweerster sub 1] als bestuurder zouden aftreden. Maar het verzoekschrift heeft er mogelijk wel toe geleid dat het aftreden van [verweerder sub 2] en [verweerster sub 1] is versneld. Het ligt hier een beetje in het midden dus.
4.11.
Bovendien volgt uit de processtukken niet dat één van partijen overwegend gelijk heeft. Zo vragen verzoekers zich terecht af waarom twee vertegenwoordigers van KNWV nog in het bestuur van CWO zitten, terwijl KNWV een concurrerende dienst aanbiedt of aan gaat bieden. Daar staat tegenover dat dit al een tijd wordt erkend door KNWV en KNWV uit de stichting wil stappen en dat het KNWV enkel nog gaat om de details van de afwikkeling van de beëindiging van de samenwerking in CWO. Dat maakt dat compensatie van kosten passend is.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.

Voetnoten

1.Artikel 2:298 lid 1 BW Pro.
2.rechtbank Rotterdam 11 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2004 en rechtbank Rotterdam 23 augustus 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7073.