ECLI:NL:RBMNE:2025:6842

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/3037
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om kwijtschelding lening bijzondere bijstand voor woninginrichting

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland op 17 december 2025, wordt het verzoek van eiser tot kwijtschelding van een openstaande schuld van € 1.865,- afgewezen. Eiser, die in detentie verblijft en onder een tbs-maatregel valt, had verzocht om kwijtschelding van de lening die hij had ontvangen voor woninginrichting. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort had eerder zijn verzoek afgewezen, maar wel uitstel van betaling verleend. Eiser was het niet eens met deze afwijzing en voerde verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt deze gronden en komt tot de conclusie dat de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding in stand blijft. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden van eiser niet zodanig zijn dat het college van zijn normale werkwijze had moeten afwijken. Eiser had aangevoerd dat hij door zijn detentie en de tbs-maatregel in een zware financiële situatie verkeert, maar de rechtbank oordeelt dat het college rekening heeft mogen houden met het maatschappelijk belang om leningen, verstrekt vanuit publieke middelen, terug te krijgen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. Tevens wordt het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toegewezen, waardoor eiser geen griffierecht hoeft te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3037

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort

(gemachtigde: mr. A. Koelewijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser tot kwijtschelding van een openstaande schuld. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat deze afwijzing in stand blijft. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Procesverloop

2. Eiser heeft het college gevraagd of hij het resterende gedeelte van zijn schuld niet meer hoeft terug te betalen. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 27 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing het verzoek gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. Op 22 juli 2020 is aan eiser leenbijstand toegekend voor de kosten van woninginrichting; gedeeltelijk om niet en gedeeltelijk in de vorm van een lening. Het gedeelte dat in de vorm van een lening is verstrekt, moet worden terugbetaald door eiser. Eiser heeft dit inmiddels gedeeltelijk gedaan maar hij verzoekt om kwijtschelding van het resterende bedrag, een bedrag van € 1.865,-. Dit omdat hij langdurig in detentie verblijft. Het college heeft zijn verzoek om kwijtschelding afgewezen maar wel uitstel van betaling verleend voor de duur van zijn detentie. Hierbij heeft het college van belang geacht dat aan eiser een tbs-maatregel is opgelegd die niet in tijd is beperkt. Omdat op dit moment nog onduidelijk is wanneer eiser vrijkomt en of er dan mogelijk wel aflossingsmogelijkheden ontstaan, vindt het college het nog te voorbarig om over te gaan tot kwijtschelding van de lening.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is van mening dat het college ten onrechte zijn verzoek tot kwijtschelding heeft afgewezen. Hij wijst erop dat het voor hem een zware financiële druk oplevert. Eiser moet ook een groot bedrag sparen voor zijn resocialisatie en het is voor hem in zijn huidige situatie onmogelijk om een stabiel inkomen te verwerven. De terugbetaling van de lening blijft boven zijn hoofd hangen terwijl eiser juist zijn volledige aandacht wil richten op zijn resocialisatie en de behandeling die hij volgt. Hij wil graag met een schone lei beginnen als hij vrijkomt. Verder plaatst eiser enkele kanttekeningen bij het verweer van 3 februari 2025. Eiser geeft namelijk aan dat hij gedurende zijn tbs-behandeling minder kan verdienen dan waar het college in het verweer van uitgaat. Ook wijst eiser er in dat kader op dat hij het gedeelte van de bijstand voor wooninrichting dat hem om niet is verleend, nooit heeft ontvangen. Ter zitting is verduidelijkt dat hij dit belangrijk vindt omdat het college dus die kosten niet heeft hoeven uitgeven. Het college is dus ongeveer even veel geld kwijt als dat bedrag destijds wel betaald had moeten worden als wanneer het college hem nu het restant van de schuld kwijtscheldt.
Wat vindt de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het college niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de door eiser gestelde omstandigheden niet zodanig zijn dat deze dwingen tot afwijking van hun normale werkwijze, namelijk om in geval van detentie en tbs uitstel van betaling te verlenen en niet over te gaan tot kwijtschelding van schuld. Hierbij heeft het college betekenis mogen toekennen aan het (maatschappelijk) belang om een lening, verstrekt vanuit publieke middelen, terug te krijgen. De wens van eiser om na zijn behandeling met een schone lei te kunnen beginnen kan, hoe begrijpelijk ook, niet tot een ander oordeel leiden. Hierbij wordt ook meegewogen dat het college heeft aangegeven dat zij, nadat eiser vrijkomt, zal kijken naar zijn financiële situatie en de (eventuele) aflossingsmogelijkheden. Aan de hand daarvan zal worden bezien of en welke (reële) betalingsregeling er getroffen kan worden dan wel of kwijtschelding alsnog in de rede ligt. De kanttekeningen van eiser bij het verweer van 3 februari 2025, leiden niet tot het oordeel dat het college zijn schuld desondanks nu had moeten kwijtschelden. Hierbij is van belang dat aan eiser uitstel van betaling is verleend gedurende zijn tbs-behandeling, zodat aan de omstandigheid dat hij gedurende deze behandeling minder kan verdienen dan wat het college had berekend, minder waarde toekomt. Hij hoeft namelijk nog niets te betalen. Dat eiser het bedrag dat hem om niet was verleend nooit heeft ontvangen, staat los van de onderhavige schuld en of het college dit geleende bedrag moet kwijtschelden. Dit was een bedrag dat onder andere voorwaarden was verleend, waaraan hij niet heeft voldaan. Het is niet zo dat eiser recht heeft op kwijtschelding van een geleend bedrag omdat het college er niet slechter vanaf komt als eiser destijds ook een bedrag had kunnen krijgen. De beroepsgrond van eiser kan daarom niet slagen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van de restschuld in stand blijft. Eiser krijgt daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.