ECLI:NL:RBMNE:2025:6853

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
16/087993-22
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens medeplegen van diefstallen met behulp van babbeltruc en oplichting van kwetsbare slachtoffers

Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van meerdere diefstallen en oplichting. De feiten vonden plaats op 11 oktober 2021 en 4 oktober 2021 in Utrecht, waarbij de verdachte samen met een mededader kwetsbare slachtoffers, waaronder ouderen, doelbewust uitkoos. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan drie diefstallen en één oplichting, waarbij hij gebruik maakte van een babbeltruc. De verdachte werd vrijgesproken van een vijfde feit wegens gebrek aan bewijs. De rechtbank legde een taakstraf op van 400 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en de positieve ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers, die door de verdachte in hun kwetsbare positie zijn benadeeld. De rechtbank vond het belangrijk dat de verdachte zijn positieve ontwikkeling voortzet en niet naar de gevangenis gaat, maar in plaats daarvan een taakstraf uitvoert.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16/087993-22
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 december 2025 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [1989] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 8 december 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. A.P.M. van Weegen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. M.H.H. Meulemeesters.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 11 oktober 2021 in Utrecht samen met een ander meerdere sieraden en geldbedragen uit de woning van [slachtoffer 1] heeft gestolen waarbij zij de woning binnenkwamen door middel van een babbeltruc;
feit 2
op 11 oktober 2021 in Utrecht samen met een ander meerdere sieraden en geldbedragen uit de woning van [slachtoffer 2] , heeft gestolen waarbij zij de woning binnenkwamen door middel van een babbeltruc;
feit 3
op 11 oktober 2021 in Utrecht samen met een ander [slachtoffer 2] heeft opgelicht door haar via een babbeltruc ervan te overtuigen om vier ringen, een ketting en een armband af te geven;
feit 4
op 4 oktober 2021 in Utrecht samen met een ander meerdere sieraden uit de woning van [slachtoffer 3] heeft gestolen waarbij zij de woning binnenkwamen door middel van een babbeltruc;
feit 5
op 28 september 2021 in Utrecht samen met een ander meerdere sieraden, geldbedragen, een zonnebril, een koffer, een beautycase, sleutels, een paspoort en een horloge uit de woning van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft gestolen waarbij zij de woning binnenkwamen door middel van een babbeltruc.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten op de beschuldiging heeft gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feiten 1 tot en met 4 op de beschuldiging. De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 5. De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 5
De rechtbank oordeelt dat feit 5 op de beschuldiging niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De rechtbank ziet weliswaar in het dossier, met name in de werkwijze en de locatie waar de diefstal plaatsvond, aanwijzingen dat de verdachte ook bij dit feit betrokken is geweest, echter daar staat tegenover dat de verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij niet degene is die naast de medeverdachte op de (stills van de) camerabeelden is te zien en dat de medeverdachte deze werkwijze ook samen met anderen toepaste. In het dossier bevindt zich evenmin een proces-verbaal van herkenning van een verbalisant waaruit volgt dat het verdachte zou zijn die op (stills van de) camerabeelden te zien is. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de verdachte dat hij niet degene is die op de stills is te zien, op basis van het dossier niet kan worden weerlegd en spreekt de verdachte daarom vrij van feit 5.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feiten 1, 2, 3 en 4
De verdachte bekent dat hij de feiten 1, 2, 3 en 4 op de beschuldiging heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. De advocaat van de verdachte heeft namens hem ook niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. De rechtbank volstaat in deze situatie met een opsomming van de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
feit 1
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 8 december 2025;
  • het proces-verbaal van aangifte namens [slachtoffer 1] van 13 oktober 2021, inclusief goederenbijlage.
feiten 2 en 3
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 8 december 2025;
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 11 oktober 2021, inclusief goederenbijlage.
feit 4
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 8 december 2025;
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 5 oktober 2021, inclusief goederenbijlage.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 11 oktober 2021 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, (uit een woning aan de [adres] ) meerdere sieraden en geldbedragen die aan [slachtoffer 1] toebehoorden
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een
samenweefsel van verdichtsels, door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen:
- een meting te moeten doen en
- de woning te moeten binnentreden en
- dat die [slachtoffer 1] mee moet komen naar de keuken en goed moet kijken hoe de meting
opgenomen wordt, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
feit 2
op 11 oktober 2021 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, (uit een woning aan de [adres] ) meerdere sieraden en geldbedragen die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen:
- van Portaal te zijn en
- bezig te zijn met een stralingsonderzoek en
- het water te moeten controleren en
- de woning en/of badkamer betreden moet worden en
- dat er straling in de badkamer is en
- dat die [slachtoffer 2] in de badkamer moet blijven omdat het gevaarlijk was en
- dat die [slachtoffer 2] (gouden) sieraden af moet doen omdat die de straling versterken, en
- door met een apparaat een meting bij de kraan op te nemen, althans te doen alsof
er een meting wordt uitgevoerd;
feit 3
op 11 oktober 2021 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van vier ringen, een ketting en een armband, door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen:
- van Portaal te zijn en
- bezig te zijn met een stralingsonderzoek en
- het water te moeten controleren en
- de woning en/of badkamer betreden moet worden en
- dat er straling in de badkamer is en
- dat die [slachtoffer 2] in de badkamer moet blijven omdat het gevaarlijk was en
- dat die [slachtoffer 2] (gouden) sieraden af moet doen omdat die de straling versterken, en
- door met een apparaat een meting bij de kraan op te nemen, althans te doen alsof
er een meting wordt uitgevoerd;
feit 4
op 4 oktober 2021 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander (uit een woning aan de [adres] ) meerdere sieraden, die aan [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, door tegen die [slachtoffer 3] te zeggen:
- voor het asbest (in het water) te komen en
- de woning en/of de badkamer betreden moet worden en
- dat als er asbest is die [slachtoffer 3] eruit moet en
- dat de woning over drie jaar toch gesloopt wordt, en
- door met een apparaat een meting bij de kraan op te nemen, althans te doen alsof
er een meting wordt uitgevoerd.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
4.1
KwalificatieDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
ten aanzien van feiten 1 en 4:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels.
ten aanzien van feiten 2 en 3:
eendaadse samenloop van:
feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels;
en
feit 3: oplichting.
4.2
Strafbaarheid feiten en verdachteDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan dat oplegging van een langdurige taakstraf in combinatie met een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf passend is, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee. Dit licht de rechtbank hieronder toe.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het plegen van in totaal drie diefstallen met behulp van een babbeltruc en een oplichting, waarbij steeds doelbewust kwetsbare mensen werden uitgekozen als slachtoffer. De verdachte heeft samen met zijn mededader op slinkse wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van de slachtoffers vanwege hun hogere leeftijd en/of (fysieke) beperkingen.
Dat sprake is van een buitencategorie aan brutaliteit bij de gepleegde feiten blijkt volgens de rechtbank uit het feit dat de verdachte een 81-jarige aangeefster, die slecht ter been is, in haar eigen huis met een smoes ervan overtuigde om de sieraden die zij op dat moment droeg af te doen en aan hem af te geven, nadat hij haar had gevraagd of deze sieraden van echt goud waren en zij daarop bevestigend antwoordde. De verdachte heeft met zijn handelen enkel en alleen oog gehad voor het oplossen van zijn eigen financiële problemen en zich volstrekt niet bekommerd om de gevolgen die zijn gedrag voor de slachtoffers hebben gehad. Naast de financiële schade die de verdachte heeft toegebracht, heeft de verdachte ook hun vertrouwen in de medemens ernstig geschaad en bovendien hevige gevoelens van angst teweeggebracht bij deze kwetsbare slachtoffers en hun directe omgeving. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025 blijkt dat hij voor het plegen van de onderhavige feiten niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld. Uit het strafblad van de verdachte blijkt ook dat de verdachte, na een veroordeling van de politierechter op 18 december 2023 wegens een soortgelijk feit (gepleegd na onderhavige feiten), niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie.
De rechtbank kijkt ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft op de zitting onderbouwd dat hij eenzijdig gezag heeft over zijn twee kinderen. Verder heeft de verdachte verklaard in het verleden een ongeluk te hebben gehad waardoor hij chronische rugklachten heeft opgelopen. Hierdoor is hij naar eigen zeggen verslaafd geraakt aan de tramadol die hij voor zijn rugklachten tijdelijk slikte. Deze verslaving is volgens de verdachte de reden geweest dat de verdachte in de desbetreffende periode geld heeft geleend en in de schulden is geraakt. De verdachte heeft op de zitting onderbouwd inmiddels onder bewind te staan en verklaart zijn verslaving gedurende langere tijd onder controle te hebben. De verdachte heeft er op de zitting blijk van gegeven spijt te hebben van de gepleegde feiten en aangeven meebetaald te hebben aan de schadevergoedingen die de medeverdachte aan de slachtoffers heeft betaald.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor inbraak in een woning, een misdrijf dat naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar is met het bewezenverklaarde onder feiten 1, 2 en 4, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor 3 maanden indien de verdachte zich voor het eerst schuldig maakt aan een dergelijk feit. Voor oplichting, zoals bewezen verklaard onder feit 3, bestaat nog geen landelijk oriëntatiepunt voor meerderjarigen.
Strafoplegging
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd rechtvaardigen, mede gelet op voornoemd oriëntatiepunt, oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bovendien heeft de verdachte zich niet één keer schuldig gemaakt aan een brutale diefstal, maar meerdere keren. Toch zal de rechtbank de verdachte op dit moment niet naar de gevangenis sturen gelet op het volgende.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de feiten plaatsvonden in oktober 2021 en dat de verdachte is verhoord in april 2022 en pas tijdens de onderhavige strafzitting in 2025 ter verantwoording is geroepen. Er is om die reden dan ook sprake van een (forse) overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte inmiddels (onderbouwd) een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven en dat detentie deze positieve ontwikkeling en ook de zorg voor zijn kinderen zal doorkruisen. Vanuit de doelen die worden gediend met de oplegging van straffen, waaronder het voorkomen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit begaat, in combinatie met de forse overschrijding van de redelijke termijn, vindt de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet passend meer.
De rechtbank acht het voor zowel de verdachte als voor de samenleving van belang dat de verdachte zijn positieve stappen blijft voortzetten en zich nuttig maakt in de vorm van het verrichten van een taakstraf. De rechtbank vindt dat, ook na zo een lange tijd en de positieve stappen die de verdachte heeft gezet, een cumulatie van forse taakstraffen in combinatie met een langere voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten en het leed dat hij daarmee de slachtoffers heeft aangedaan wordt in de hoogte van de straf tot uitdrukking gebracht. De rechtbank heeft in de hoogte van de oplegging van de straf ook rekening gehouden met de eendaadse samenloop van feiten 2 en 3 en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank overweegt dat voor de overige feiten sprake is van meerdaadse samenloop, waardoor de hoogte van de taakstraf niet begrensd is tot 240 uur. De samenloop van artikel 57 Sr kent geen beperkingen over cumulatie van taakstraffen, terwijl ook titel II (“Straffen”) van Boek 1 van het Wetboek van Strafrecht geen regels bevat over maximaal op te leggen taakstraf in geval van meerdaadse samenloop (ECLI:NL:HR:2022:1191). De wettelijke termijn voor het uitvoeren van een taakstraf is in artikel 6.3.1. Wetboek van Strafvordering gesteld op 18 maanden.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een cumulatie van taakstraffen van in totaal 400 uren, te vervangen door 200 dagen hechtenis in het geval dat de verdachte de taakstraf niet of niet behoorlijks uitvoert.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij, anders dan de officier van justitie, vier feiten bewezen acht en de overschrijding van de redelijke termijn heeft opgenomen in de keuze van de strafmodaliteit. De straf die wordt opgelegd brengt, naar het oordeel van de rechtbank, de ernst van het bewezenverklaarde bovendien voldoende tot uitdrukking.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de teruggave van het op de beslaglijst vermeldde geldbedrag aan de verdachte.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om het op de beslaglijst vermeldde geldbedrag aan de verdachte terug te geven.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
- 500 EUR IBG 07-04-2022 (Omschrijving: PL0900-2021324375-2973038),
aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55, 57, 63, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 5 op de beschuldiging heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf ten aanzien van feiten 1, 2, 3 en 4:
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvan
6 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat de gevangenisstraf
niet zal worden ten uitvoer gelegd zodat de verdachte niet naar de gevangenis hoeft, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvan
400 uur;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 200 dagen hechtenis;
beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp:
500 EUR IBG 07-04-2022 (Omschrijving: PL0900-2021324375-2973038).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Terstegge, voorzitter, mr. A. Maas en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij, op of omstreeks 11 oktober 2021 te Utrecht, althans in het arrondissement
Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen, (uit een woning aan de [adres] ) één of meerdere sieraden en/of
geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk
geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun
bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam
of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een
samenweefsel van verdichtsels, door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen:
- een meting te moeten doen en/of
- de woning te moeten binnentreden en/of
- dat die [slachtoffer 1] mee moet komen naar de keuken en goed moet kijken hoe de meting
opgenomen wordt,
althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
feit 2
hij, op of omstreeks 11 oktober 2021 te Utrecht, althans in het arrondissement
Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen, (uit een woning aan de [adres] ) één of meerdere sieraden en/of
geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in
elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun
bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam
of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een
samenweefsel van verdichtsels, door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen:
- van Portaal te zijn en/of
- bezig te zijn met een stralingsonderzoek en/of
- het water te moeten controleren en/of
- de woning en/of badkamer betreden moet worden en/of
- dat er straling in de badkamer is en/of
- dat die [slachtoffer 2] in de badkamer moet blijven omdat het gevaarlijk was en/of
- dat die [slachtoffer 2] (gouden) sieraden af moet doen omdat die de straling versterken,
althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- door met een apparaat een meting bij de kraan op te nemen, althans te doen alsof
er een meting wordt uitgevoerd;
feit 3
hij, op of omstreeks 11 oktober 2021 te Utrecht, althans in het arrondissement
Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het
aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige
kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,
het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het
teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van vier ringen, een ketting en/of
een armband, althans één of meer sieraden, door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen:
- van Portaal te zijn en/of
- bezig te zijn met een stralingsonderzoek en/of
- het water te moeten controleren en/of
- de woning en/of badkamer betreden moet worden en/of
- dat er straling in de badkamer is en/of
- dat die [slachtoffer 2] in de badkamer moet blijven omdat het gevaarlijk was en/of
- dat die [slachtoffer 2] (gouden) sieraden af moet doen omdat die de straling versterken,
althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- door met een apparaat een meting bij de kraan op te nemen, althans te doen alsof
er een meting wordt uitgevoerd;
feit 4
hij, op of omstreeks 4 oktober 2021 te Utrecht, althans in het arrondissement M
idden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen, (uit een woning aan de [adres] ) één of meerdere sieraden, in elk
geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander
dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn
mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft
en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht
door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid,
of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, door tegen
die [slachtoffer 3] te zeggen:
- voor het asbest (in het water) te komen en/of
- de woning en/of de badkamer betreden moet worden en/of
- dat als er asbest is die [slachtoffer 3] eruit moet en/of
- dat de woning over driejaar toch gesloopt wordt, althans woorden van gelijke aard
en/of strekking en/of
- door met een apparaat een meting bij de kraan op te nemen, althans te doen alsof
er een meting wordt uitgevoerd;
feit 5
hij, op of omstreeks 28 september 2021 te Utrecht, althans in het arrondissement
Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen, (uit een woning aan de [adres] ) één of meerdere sieraden en/of
geldbedragen en/of een zonnebril en/of een koffer en/of een beautycase en/of
sleutels en/of een paspoort en/of horloges), in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededadefts) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn
mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft
en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht
door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid,
of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, door tegen
die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te zeggen:
- van het waterbedrijf te zijn en/of
- het water te moeten controleren en/of
- de woning en/of badkamer betreden moet worden en/of
- dat het water vergiftigd is en/of
- ze daardoor dood kunnen gaan,
althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2021326126, doorgenummerd pagina 1 tot en met 129. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 93-95.
3.Pagina 71-75.
4.Pagina 37-40.