ECLI:NL:RBMNE:2025:6857

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/16/598040 / HL RK 25-32
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 AVGArt. 15 lid 1 AVGArt. 15 lid 3 AVGArt. 35 UAVGArt. 35 lid 2 UAVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring inzageverzoek persoonsgegevens pensioenfonds

Verzoeker heeft pensioen opgebouwd bij Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) en verzocht de rechtbank PFZW te verplichten hem alle persoonsgegevens en pensioenberekeningen met uitleg te verstrekken. De rechtbank oordeelt dat verzoeker eerst een formeel inzageverzoek aan PFZW had moeten richten op grond van artikel 35 UAVG Pro, wat niet is gebeurd. De brief en e-mail van verzoeker bevatten geen duidelijk inzageverzoek in persoonsgegevens volgens de AVG/UAVG.

De rechtbank stelt vast dat de berekening van het pensioen geen persoonsgegeven is, maar een mathematisch resultaat gebaseerd op diverse inputfactoren. Verzoeker beschikt al over de relevante persoonsgegevens via het Uniform Pensioenoverzicht en het online portaal van PFZW. PFZW bood bovendien aan deze gegevens nogmaals te verstrekken.

Daarom verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Tevens wordt hij veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 door rechter J.M. van Wegen.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand inzageverzoek aan PFZW en veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/598040 / HL RK 25-32
Beschikking van 24 december 2025
in de zaak van
DRS. [verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
verschenen in persoon,
tegen
de stichting
STICHTING PENSIOENFONDS ZORG EN WELZIJN,
gevestigd te Zeist,
verweerster,
hierna te noemen: PFZW,
advocaten: mrs. E. Lutjens en R.E. van Schaik.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
­ het verzoekschrift met 5 bijlagen, ingekomen op 8 augustus 2025;
­ het verweerschrift met 9 bijlagen, ingekomen op 28 oktober 2025;
­ de pleitnota van [verzoeker] met 3 producties, ingekomen op 10 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 november 2025. [verzoeker] is in persoon verschenen. Namens PFZW zijn verschenen mevrouw [A] , (bedrijfsjurist) en de heer [B] (informatiemanager) vergezeld door mr. Lutjens en mr. Van Schaik. [verzoeker] heeft de door hem ingediende pleitnota deels voorgedragen. Door mr. Lutjes en mr. Van Schaik zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Van hetgeen verder is besproken heeft de griffier aantekeningen bijgehouden.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat heden uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoeker] heeft pensioen opgebouwd bij PFZW. Hij verzoekt de rechtbank PFZW te verplichten om al zijn persoonsgegevens toe te sturen en alle berekeningen die ten grondslag liggen aan de hoogte van zijn huidige pensioenuitkering voorzien van een uitleg.
2.2.
De rechtbank verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Hieronder licht de rechtbank toe hoe zij tot dit oordeel komt.
3. De beoordeling
Juridisch kader
3.1.
De bescherming van persoonsgegevens vindt zijn grondslag in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (AVG). [1] De AVG werkt rechtstreeks en is niet in nationaal recht omgezet. De AVG vraagt wel op onderdelen om een uitwerking op nationaal niveau. Daarvoor is de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) vastgesteld.
3.2.
Onder ‘persoonsgegevens’ wordt ingevolge artikel 4 onder Pro 1 van de AVG verstaan alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. [2] Als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon. Het begrip ‘persoonsgegevens’ moet ruim worden uitgelegd en strekt zich potentieel uit tot elk soort informatie, zowel objectieve als subjectieve, in de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene betreft. Deze laatste voorwaarde is vervuld wanneer die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon. [3]
3.3.
Een betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke inzage te krijgen in de van hem verwerkte persoonsgegevens. [4] De verwerkingsverantwoordelijke moet daarvan een kopie verstrekken. [5] Deze verplichting houdt in dat een getrouwe en begrijpelijke reproductie moet worden verstrekt van de verwerkte persoonsgegevens. Dit kan meebrengen dat onderdelen van documenten of zelfs volledige documenten moeten worden verstrekt als dat noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen zijn AVG-rechten daadwerkelijk uit te oefenen. Daarbij moet uiteraard wel rekening worden gehouden met de rechten en vrijheden van anderen.
3.4.
Indien de betrokkene gebruik maakt van zijn inzagerecht en hij zich niet kan verenigen met de reactie van de verwerkingsverantwoordelijke (niet zijnde een bestuursorgaan), kan hij de rechtbank verzoeken te bevelen zijn verzoek alsnog toe te wijzen. [6] Indien de verwerkingsverantwoordelijke binnen 4 weken heeft geantwoord moet het verzoekschrift worden ingediend binnen 6 weken na de ontvangst van het antwoord. [7]
Ontvankelijkheid
3.5.
PFZW betoogt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe voert zij aan dat [verzoeker] haar niet, zoals de AVG/UAVG voorschrijft, eerst heeft gevraagd om inzage in zijn persoonsgegevens maar direct de procedure heeft ingesteld. Volgens [verzoeker] heeft hij in zijn brief van 29 juni 2025 PFZW gevraagd om inzage te geven in zijn persoonsgegevens en heeft PFZW daaraan niet voldaan.
3.6.
De brief van 29 juni 2025 is door PFZW in de procedure overgelegd. [8] In de brief deelt [verzoeker] – samengevat – mee dat hij zijn bezwaar tegen de pensioentransitie handhaaft en vraagt hij om 1) alle berekeningen te sturen die ten grondslag liggen aan de hoogte van zijn huidige pensioenuitkering voorzien van een uitgebreide uitleg op basis van de uitspraken van minister Koolmees, met een bevestiging van de juistheid en volledigheid van de te ontvangen informatie en 2) een opgave te sturen hoe zijn huidige pensioen er volgens verwachting van het pensioenfonds over 10 jaar uitziet en hoe hoog als het meezit en als het tegenzit.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van [verzoeker] niet kan worden opgevat als een verzoek tot het krijgen van inzage in verwerkte persoonsgegevens in de zin van de AVG/UAVG. Weliswaar is een inzageverzoek niet aan een bepaalde vorm/indeling gebonden, maar het moet voor de verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval PFZW) vanzelfsprekend wel duidelijk zijn dat gevraagd wordt om inzage in persoonsgegevens te krijgen. Zoals door PFZW terecht naar voren gebracht zou op zijn minst het woord ‘persoonsgegeven’ of ‘AVG’ moeten zijn opgenomen. Dat is niet het geval. Mede gelet op de context waarin de brief is gestuurd en de bezwaren van [verzoeker] tegen de pensioentransitie, is het logisch dat PFZW de brief niet heeft opgevat als een inzageverzoek, maar als een verzoek gegrond op de Pensioenwet.
3.8.
Ook de e-mail van [verzoeker] van 28 juli 2025 is niet als een inzageverzoek aan te merken. [9] In die e-mail vraagt [verzoeker] PFZW (wederom) om alle berekeningen te sturen die ten grondslag liggen aan de hoogte van zijn huidige pensioenuitkering voorzien van een toelichting met een bevestiging van de juistheid en volledigheid daarvan. Dat [verzoeker] bedoelt inzage te krijgen in de van hem verwerkte persoonsgegevens blijkt daaruit niet.
3.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] geen verzoek aan PFZW heeft gedaan om inzage te krijgen in de van hem verwerkte persoonsgegevens. Een dergelijk verzoek moet wel zijn gedaan. Immers, pas als op dat verzoek niet of niet tot tevredenheid wordt gereageerd kan de stap naar de rechtbank worden gemaakt. Het onderhavige verzoek is dan ook te vroeg ingesteld. De rechtbank verklaart [verzoeker] daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
3.10.
Echter, ook al zou [verzoeker] wel ontvankelijk zijn in zijn verzoek, dan zou zijn verzoek ook zijn afgewezen. Op de zitting heeft [verzoeker] naar voren gebracht dat het hem er met name om gaat dat hij van PFZW een overzicht wil ontvangen waaruit de inleg van hem en zijn werkgever blijkt alsmede de hoogte van het nabestaandenpensioen en de pensioenopbouw aan het einde van elk jaar. Aan de hand van deze gegevens kan hij dan een actuaris zijn pensioen laten berekenen.
3.11.
Door PFZW is tijdens de zitting aangegeven dat het resultaat van een pensioenberekening, te weten de pensioenaanspraak, is aan te merken als persoonsgegeven van [verzoeker] . In dat geval zou [verzoeker] recht hebben op inzage daarvan. Door PFZW is echter ook aangevoerd dat [verzoeker] al over de gegevens beschikt. PFZW heeft erop gewezen dat zij jaarlijks aan [verzoeker] een Uniform Pensioenoverzicht (UPO) heeft verstrekt waarin de pensioenopbouw/aanspraak staat, waaronder het nabestaandenpensioen, en deze gegevens daarnaast zijn in te zien op ‘MijnPFZW’, ook over de achterliggende jaren. Door [verzoeker] is niet dan wel onvoldoende aangevoerd dat dit niet klopt. Mogelijk dat de gegevens niet zijn in te zien op een wijze zoals [verzoeker] voorstaat (hij verwijst naar de wijze waarop het ABP dit doet), maar dat doet niet af aan de inzage die hij al heeft. Op de zitting heeft PFZW overigens meegedeeld deze gegevens nogmaals aan [verzoeker] te willen verstrekken. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het voorgaande mee dat [verzoeker] al de beschikking heeft over de door hem gewenste persoonsgegevens, zodat een inzageverzoek, als [verzoeker] ontvankelijk was geweest in zijn verzoek, om die reden had moeten worden afgewezen.
3.12.
Voor zover [verzoeker] van PFZW de berekening wil ontvangen van zijn huidige en toekomstige pensioen geldt dat de berekening van het pensioen zelf geen persoonsgegeven is. Zoals door PFZW terecht is aangevoerd, is de berekening van het pensioen een proces van mathematisch uitrekenen, waarbij bepaalde input (zoals het pensioengevend inkomen, het aantal deelnemingsjaren en de deeltijdfactor) én de toepassing van een rekenkundige formule leiden tot een bepaalde output, te weten de pensioenaanspraak. Daarnaast kan de door [verzoeker] gevraagde bevestiging van de juistheid en volledigheid niet worden gegeven. De berekening is een momentopname en afhankelijk van de juistheid van de door het pensioenfonds verkregen informatie. De berekening kan daarom niet bindend zijn.
De proceskosten
3.13.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PFZW worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.120,00

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
4.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.120‬,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart deze beschikking wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.

Voetnoten

1.Algemene verordening gegevensbescherming (AVG); verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016.
2.Artikel 4 aanhef Pro en onder 1 AVG.
3.HvJ EU 20 december 2017, C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994, ro. 34 en 35 (Nowak) en HvJ EU 4 mei 2023, C-487/21, ECLI:EU:C:2023:369 (Österreichische Datenschutzbehörde).
4.Artikel 15 lid 1 AVG Pro.
5.Artikel 15 lid 3 AVG Pro.
6.Artikel 35 UAVG Pro.
7.Artikel 35 lid 2 UAVG Pro in samenhang met artikel 12 lid 3 AVG Pro.
8.Bijlage 4 bij het verweerschrift.
9.Bijlage 3 bij het verzoekschrift.