AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen brief van bestuursorgaan
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een brief van het College van Gedeputeerde Staten van Utrecht, waarin het bestuursorgaan reageert op klachten over het aannamebeleid van vervoersbedrijven en uitzendorganisaties. De rechtbank heeft beoordeeld of deze brief kwalificeert als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Volgens artikel 1:3 vanPro de Awb moet een besluit een schriftelijke beslissing zijn van een bestuursorgaan die gericht is op rechtsgevolg. De rechtbank oordeelt dat de brief van 4 maart 2025 niet op een rechtsgevolg is gericht en daarom niet als besluit kan worden aangemerkt.
Hierdoor is de bestuursrechter onbevoegd om op het beroep te beslissen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 18 december 2025 door rechter G. Schnitzler.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de brief omdat deze geen besluit is in de zin van de Awb.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2397
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
College van Gedeputeerde Staten van Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de brief van verweerder.
Overwegingen
1. Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Artikel 8:1 vanPro de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van verweerder van 4 maart 2025. In deze brief stelt verweerder onder meer, in reactie op brieven van eiser, dat verweerder geen partij is in het persoonlijke geschil van eiser met vervoersbedrijven en uitzendorganisaties over hun aannamebeleid en dat zij niets kunnen met klachten over het handelen van deze bedrijven.
4. Deze brief is naar het oordeel van de rechtbank niet op een rechtsgevolg gericht. Die brief is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5. De bestuursrechter is daarom onbevoegd om op het beroep van eiseres te beslissen.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegdp.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
De griffier is buiten staat te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.