ECLI:NL:RBMNE:2025:6917

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
592861
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgregeling en hoofdverblijfplaats van minderjarige in familierechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 24 november 2025 een beschikking gegeven in een familierechtelijke procedure tussen een moeder en een meemoeder over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van hun gezamenlijke kind, [minderjarige]. De moeder verzocht om een zorgregeling waarbij [minderjarige] in de even weekenden bij de meemoeder verblijft, terwijl de meemoeder een andere regeling voorstelde. De rechtbank heeft vastgesteld dat [minderjarige] in de even weken van vrijdagmiddag tot zondag 19:00 uur bij de meemoeder verblijft, met een wisselmoment op neutraal terrein bij de McDonald's in [plaats]. De rechtbank heeft ook de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder vastgesteld, omdat deze al bij haar ingeschreven staat en zij het meest bij haar verblijft. Daarnaast is er een kinderalimentatie van € 150,- per maand vastgesteld, die de meemoeder aan de moeder moet betalen. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De ouders zijn het eens geworden over de kinderalimentatie en de vakanties worden gelijk verdeeld, met uitzondering van de zomervakantie, waar de ouders om de beurt de eerste keuze hebben.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/592861 / FL RK 25-510
Gezag en omgang
Beschikking van 24 november 2025
in de zaak van:
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: moeder,
advocaat mr. N.C. Milani,
tegen
[meemoeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: meemoeder,
advocaat mr. A.F.M. Visscher.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder, binnengekomen op 02 mei 2025;
- het verweerschrift (met bijlagen) van de meemoeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 27 augustus 2025;
- de brief (met bijlagen) van de meemoeder van 21 oktober 2025;
- de brief (met bijlagen) van de moeder van 22 oktober 2025.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 27 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat en de meemoeder met haar advocaat. Verder was [A] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) digitaal aanwezig.
1.3.
De rechtbank heeft aan [minderjarige] , de zoon van de ouders, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige]geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] .
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] nemen.
2.4.
De ouders zijn het niet eens over de zorgregeling. De moeder verzoekt een regeling waarbij [minderjarige] in de even weekenden van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de meemoeder is, en de rest van de tijd bij haar. Zij wil dat de meemoeder het halen en brengen voor haar rekening neemt. Als [minderjarige] ziek is of geen school heeft, wil de moeder dat het wisselmoment bij haar thuis plaatsvindt. Verder wil zij dat de vakanties gelijk tussen de ouders worden verdeeld. Zij heeft hiervoor een regeling voorgesteld.
2.5.
De meemoeder wil een andere zorgregeling. Zij wil dat [minderjarige] in de even weekenden van vrijdagmiddag uit school tot zondag 19.00 uur bij haar is, en dat het wisselmoment op zondag (en op vrijdagen dat [minderjarige] geen school of opvang heeft) plaatsvindt op de parkeerplaats bij de McDonald’s in [plaats] . Zij kan instemmen met een gelijke verdeling van de vakanties, maar wil dat de verdeling van de zomervakantie wordt afgestemd op haar werkrooster.
2.6.
Daarnaast verzoekt de moeder dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar wordt bepaald en dat de meemoeder haar € 350,- per maand aan kinderalimentatie betaalt. De moeder heeft ook voorwaardelijk verzocht het gezag van de meemoeder te beëindigen, maar dit verzoek heeft zij op de zitting ingetrokken. De rechtbank hoeft hierover daarom geen beslissing meer te nemen.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal:
- beslissen dat [minderjarige] in de even weken van vrijdag uit school zondag 19:00 uur bij de meemoeder is, waarbij het wisselmoment op zondag en als [minderjarige] op vrijdag geen school of opvang heeft plaatsvindt op de parkeerplaats bij de McDonalds in [plaats] [1] ;
- beslissen dat de vakanties 50/50 tussen de ouders worden verdeeld aan de hand van een schema van even en oneven jaren;
- beslissen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft [2] ;
- beslissen dat de meemoeder een kinderalimentatie van € 150,- betaalt.
De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
De zorgregeling
(i)
de ouders zijn het eens (geworden) over de tijden van de zorgregeling
3.2.
Tussen de ouders bestaat er (inmiddels) overeenstemming over dat [minderjarige] in de even weekenden van vrijdagmiddag na school tot zondag 19.00 uur bij de meemoeder zal zijn. De regeling die de moeder in haar verzoekschrift heeft voorgesteld – dat [minderjarige] in de even weekenden van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend bij de meemoeder verblijft – hebben de ouders, terwijl deze rechtszaak liep, een tijdje uitgeprobeerd. De regeling bleek niet goed te werken voor [minderjarige] . De reis van [plaats] naar school in [plaats] op maandagochtend zorgde voor veel stress, waardoor hij vaker woedeaanvallen kreeg. De ouders hebben toen in overleg het wisselmoment verplaatst naar zondag om 19.00 uur. Zij zijn het erover eens dat dit fijner is voor [minderjarige] . De rechtbank zal dit tijdstip dan ook vaststellen als wisselmoment.
(ii)
Een overdracht op neutrale locatie is in het belang van [minderjarige]
3.3.
Het enige onderdeel van de reguliere zorgregeling waarover de ouders het oneens zijn (gebleven), is de plek waar de overdracht op zondag zal plaatsvinden en op vrijdagen als [minderjarige] geen school of opvang heeft, bijvoorbeeld door ziekte of vakantie. De meemoeder wil dat de overdracht dan plaatsvindt op de parkeerplaats bij de McDonalds in [plaats] . De moeder wil dat de overdracht bij haar thuis plaatsvindt. Zij vindt dat een warmere en prettigere omgeving voor [minderjarige] dan een overdracht op een parkeerplaats.
3.4.
Hoewel de rechtbank het met de moeder eens is dat het in principe de voorkeur heeft dat een kind thuis bij een ouder wordt gehaald en gebracht, bepaalt de rechtbank in dit geval dat het wisselmoment plaatsvindt op neutraal terrein bij de McDonalds in [plaats] . De reden hiervoor is dat de meemoeder heeft verteld dat zij zich onveilig voelt in de buurt van de woning van de moeder vanwege een aanvaring die vorig jaar plaatsvond tussen haar, de moeder en de oma van [minderjarige] (van moederszijde). Een overdracht bij de moeder thuis leidt bij de meemoeder daarom tot spanning. Los van de vraag of deze gevoelens terecht zijn en in hoeverre het aan de meemoeder is om hiermee te leren omgaan, staat vast dat zij dit op dit moment zo ervaart. Zoals de Raad ook op de zitting heeft toegelicht, is het aannemelijk dat [minderjarige] deze spanning aanvoelt. Het is in [minderjarige] ’s belang dat de overdracht zo rustig en voorspelbaar mogelijk verloopt. De rechtbank is van oordeel dat dit in deze situatie het beste lukt op neutraal terrein, zoals de parkeerplaats bij de McDonald’s in [plaats] . Deze locatie hebben de ouders ook al eerder gebruikt voor overdrachten. [minderjarige] is dus bekend met de plek.
3.5.
Verder weegt de rechtbank mee dat de meemoeder [minderjarige] op vrijdagmiddag al ophaalt bij de school of opvang in [plaats] . Daarmee neemt zij al één volledige rit van [plaats] naar [plaats] voor haar rekening. Gebruikelijk is dat het ophalen en brengen tussen de ouders min of meer wordt verdeeld. Door daarnaast op zondag ook vanuit [plaats] naar [plaats] te rijden, neemt de meemoeder dus al aanzienlijk meer dan de helft van het rijden op zich. De rechtbank vindt dan ook dat van de moeder in redelijkheid kan worden verwacht dat zij op zondag ook een deel van de reis van [minderjarige] voor haar rekening neemt.
(iii)
De rechtbank stelt geen afwijkende regeling vast voor als [minderjarige] ziek is
3.6.
De moeder wil dat in de regeling wordt vastgelegd dat, wanneer [minderjarige] ziek is, de overdracht wél bij haar thuis plaatsvindt en niet op de parkeerplaats in [plaats] . De rechtbank zal deze uitzondering niet opnemen. Zowel de ouders als [minderjarige] hebben belang bij een duidelijke en eenduidige regeling, zonder uitzonderingen die tot discussie kunnen leiden. De rechtbank wil ook voorkomen dat het geschil over de plek van de overdracht zich verplaatst naar discussies over [minderjarige] ’s gezondheid (is hij wel of niet ziek genoeg voor een overdracht op de parkeerplaats in [plaats] ). Dat is niet in zijn belang. Dit neemt niet weg dat de rechtbank ervan uitgaat dat de ouders de gezondheid van [minderjarige] altijd vooropstellen en flexibel kunnen en zullen zijn als dat nodig is.
De vakantieregeling
3.7.
De moeder wil dat de vakanties gelijk worden verdeeld volgens een schema voor even en oneven jaren. De meemoeder heeft op de zitting gezegd dat zij tegen deze verdelingswijze geen bezwaar heeft, maar wel voor de zomervakantie. Zij wil dat de verdeling van de zomervakantie wordt afgestemd op haar werk. Zij is zzp’er in de zorg en het is voor haar moeilijk om lang achter elkaar vrij te regelen.
3.8.
De rechtbank vindt een uitzonderingspositie vanwege het werk van de meemoeder niet op zijn plaats. Beide ouders werken en zullen dus over en weer rekening moeten houden met elkaars werkrooster. De rechtbank zal – conform het verzoek van de moeder – bepalen dat de ouders om het jaar eerste keuze hebben bij de verdeling van de zomervakantie. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze verdelingswijze niet betekent dat de ouder haar keuze niet hoeft af te stemmen op het werkrooster van de andere ouder. Dat moet – zoveel als mogelijk – wel. Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders om ervoor te zorgen dat [minderjarige] in de vakantie optimaal tijd kan doorbrengen met zijn beide ouders, om de zomer daarmee voor hem zo leuk mogelijk te maken.
3.9.
Omdat de meemoeder tijdens de zitting heeft verklaard verder geen bezwaar te hebben tegen de door de moeder verzochte vakantieregeling inclusief feestdagen, neemt de rechtbank deze als uitgangspunt. Voor de voorjaarsvakantie worden de even en oneven jaren omgedraaid, omdat de meemoeder voor 2026 al een vakantie zonder [minderjarige] heeft geboekt. Het verzoek over [minderjarige] ’s verjaardag is door de meemoeder op de zitting ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
3.10.
De moeder heeft verder verzocht dat de meemoeder, wanneer [minderjarige] tijdens de vakantieperiodes op vrijdag bij haar verblijft, zelf de opvang regelt en contacteert en de moeder hierover informeert. De rechtbank wijst dit verzoek toe. De meemoeder heeft tegen dit verzoek geen verweer gevoerd, en beide ouders hebben tijdens de zitting bevestigd dat in hun regeling als uitgangspunt geldt dat de ouder die op dat moment de zorg voor [minderjarige] heeft, verantwoordelijk is voor het organiseren van de noodzakelijke opvang.
Hoofdverblijfplaats
3.11.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vaststellen bij de moeder. De moeder heeft dit verzocht en de meemoeder verzet zich er niet tegen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het belang van [minderjarige] anders te beslissen. [minderjarige] staat al bij de moeder ingeschreven en is ook het meest bij haar.
Kinderalimentatie
3.12.
De ouders zijn het kort voor de zitting eens geworden over de kinderalimentatie. Zij hebben afgesproken dat de meemoeder met ingang van de datum van het verzoekschrift € 150,- per maand aan de moeder zal voldoen, met toepassing van de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2026. Verder is overeengekomen dat er een herberekening zal worden gemaakt op het moment dat de meemoeder klaar is met haar opleiding en meer gaat werken.
3.13.
De rechtbank zal deze afspraak opnemen in De Beslissing (het dictum, punt 4 van deze beschikking). De jaarlijkse indexering van de kinderalimentatie wordt daar niet in opgenomen, omdat dit al volgt uit de wet. [3] Ook de afspraak over de toekomstige herberekening zal de rechtbank daar niet opnemen, omdat deze zich daar niet voor leent. Dit betekent echter niet dat de afspraak niet geldt: de ouders zijn hieraan gebonden en moeten zich dus eraan houden.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.14.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
3.15.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;
4.2.
stelt de volgende zorgregeling vast:
- [minderjarige] verblijft in de even weken van vrijdagmiddag (na school / de opvang) tot zondag 19.00 uur bij de meemoeder en de rest van de tijd bij de moeder, waarbij:
- de meemoeder haalt [minderjarige] op vrijdagmiddag op van school / opvang. Als [minderjarige] op die vrijdag geen school of opvang heeft, dan vindt het wisselmoment plaats op het parkeerterrein bij de McDonalds in [plaats] ;
- de overdracht op zondag 19.00 uur vindt plaats op het parkeerterrein bij de McDonalds in [plaats] ;
4.3.
stelt de volgende vakantie- en feestdagenregeling vast:
- de schoolvakanties worden gelijk tussen partijen verdeeld, waarbij geldt dat:
 voor de
zomervakantie: in de oneven jaren moeder de eerste keuze heeft en in de even jaren heeft de meemoeder de eerste keuze;
 voor de
herfstvakantie: [minderjarige] in de oneven jaren bij de moeder is en in de even jaren bij de meemoeder;
 voor de
kerstvakantie: [minderjarige] in de even jaren de eerste week bij de moeder (inclusief de kerstdagen) is en de tweede week bij de meemoeder (inclusief oud & nieuw) en in de oneven jaren de eerste week bij de meemoeder (inclusief de kerstdagen) en de tweede week bij de moeder (inclusief oud &nieuw);
 voor de
voorjaarsvakantie: [minderjarige] in de even jaren bij de moeder is en in de oneven jaren bij de meemoeder;
 voor de
meivakantie: [minderjarige] wanneer de vakantie start met een even weekend, dan aansluitend de eerste week bij de meemoeder is en de tweede week bij de moeder. Wanneer de vakantie start met een oneven weekend, dan is [minderjarige] aansluitend de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de meemoeder;
 op
officiële feestdagen(Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren en Koningsdag) en Sinterklaas en Moederdag verblijft [minderjarige] bij de ouder waar hij dan al is;
- waarbij als [minderjarige] in de vakantie op vrijdag bij de meemoeder verblijft de meemoeder verantwoordelijk is voor het regelen van opvang en het contact met de opvang, en de moeder over een aan- of afmelding bij de opvang informeert.
4.4.
beslist dat de meemoeder vanaf datum indiening verzoekschrift (2 mei 2025) een bedrag van € 150,- per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
4.5.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.G. de Jong, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.A. Beverwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025. .
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.De rechtbank kan op grond van artikel 1:253a lid 2 onder a Burgerlijk Wetboek een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (een zorgregeling) vaststellen.
2.De rechtbank kan op grond van artikel 1:253a lid 2 onder b van het Burgerlijk Wetboek bepalen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
3.Artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek