ECLI:NL:RBMNE:2025:6918

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
591401
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot eenhoofdig gezag en vervangende toestemming voor vakantie naar Iraaks Koerdistan

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een familierechtelijke kwestie tussen een moeder en een vader over het gezag en de hoofdverblijfplaats van hun twee kinderen. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag over de kinderen, terwijl de vader vervangende toestemming vroeg om met de kinderen naar Iraaks Koerdistan te reizen. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag afgewezen, omdat de vader een betrokken ouder is en er geen sprake is van een situatie waarin de kinderen klem of verloren dreigen te raken. De rechtbank oordeelde dat de ouders, ondanks hun slechte communicatie, in staat zijn om belangrijke beslissingen over de kinderen gezamenlijk te nemen. De vader had in het verleden zijn toestemming voor vakanties naar veilige landen gekoppeld aan zijn verzoek om met de kinderen naar Iraaks Koerdistan te reizen, wat de rechtbank als kwalijk beschouwde, maar niet voldoende om zijn gezag te beëindigen. De rechtbank heeft ook het verzoek van de vader om vervangende toestemming voor de vakantie naar Iraaks Koerdistan afgewezen, omdat het gebied als onveilig wordt beschouwd volgens het reisadvies van de Nederlandse overheid. De verzoeken van de vader over kinderalimentatie zijn aangehouden voor verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/591401 / FL RK 25-378
Gezag en omgang
Beschikking van 24 november 2025
in de zaak van:
[moeder],
wonende op een geheim adres
hierna te noemen: de moeder
advocaat mr. J.A. Wesdorp,
tegen
[vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader
advocaat mr. A.C.M. Montessori.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder, binnengekomen op 11 maart 2025;
- het bericht (met bijlagen) van de moeder van 29 april 2025;
- het bericht (met bijlage) van de moeder van 20 mei 2025;
- het verweerschrift (met bijlagen) van de vader met daarin een aantal zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 17 oktober 2025.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 27 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat en de vader met zijn advocaat. Daarnaast was [A] digitaal aanwezig namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De rechtbank heeft aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de kinderen van de ouders, gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. Op 24 oktober 2025 hebben zij allebei met de rechter gesproken. Op de zitting is samengevat aan de orde geweest wat zij hebben verteld. De ouders hebben hierop kunnen reageren.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2.
Zij hebben samen twee kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] .
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij de belangrijke beslissingen over de kinderen samen moeten nemen.
2.4.
De ouders hebben een ouderschapsplan gemaakt, dat door de rechtbank is vastgesteld in de echtscheidingsbeschikking van 6 april 2016. In het ouderschapsplan is afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat de kinderen op zaterdag of zondag van 11.30 uur tot 17.00 uur bij de vader zijn.
2.5.
Bij beschikking van 10 juli 2020 heeft de rechtbank de zorgregeling gewijzigd. Er is toen bepaald dat de kinderen 1x in de 14 dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur en de helft van de vakanties bij de vader zijn. Ook heeft de rechtbank de kinderalimentatie vastgesteld.
2.6.
De moeder is deze procedure gestart omdat zij het eenhoofdig gezag wil over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader is het daar niet mee eens en heeft zelf ook een aantal verzoeken gedaan. Hij vraagt de rechtbank om vervangende toestemming om ieder jaar met de kinderen naar Iraaks Koerdistan te reizen in de periode dat de kinderen tijdens de zomervakantie bij hem zijn. Mocht de rechtbank dat verzoek afwijzen, dan vraagt hij in elk geval toestemming om in de laatste drie weken van de zomervakantie van 2026 met de kinderen naar [plaats] (Irak) te gaan.
2.7.
Verder vraagt de vader dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] wordt gewijzigd en bij hem wordt bepaald. Ook wil de vader de kinderalimentatie wijzigen. Hij vraagt de rechtbank om (i) met ingang van 1 oktober 2025 de door hem te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] op nihil te stellen, (ii) te bepalen dat de moeder met ingang van 1 oktober 2025 € 142,- per maand aan hem betaalt voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en (iii) de door hem aan de moeder te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] met ingang van 1 oktober 2025 te wijzigen.

3.De beoordeling

Er komt geen raadsonderzoek
3.1.
Tijdens de zitting heeft de moeder gevraagd om een raadsonderzoek. De rechtbank ziet hier geen meerwaarde in. Hierbij betrekt de rechtbank dat de Raad op de zitting weliswaar heeft aangeboden een onderzoek te doen, maar zelf heeft betwijfeld wat de toegevoegde waarde daarvan zou zijn. Volgens de Raad is namelijk al duidelijk dat het probleem tussen de ouders vooral ligt in hun slechte communicatie. Vrijwel zeker gaat de belangrijkste uitkomst van het onderzoek volgens de Raad dan ook zijn dat de ouders aan hun onderlinge communicatie moeten werken. Dit kunnen zij echter ook zonder dat er een onderzoek wordt uitgevoerd. Voor dit punt biedt een raadsonderzoek dus geen meerwaarde.
3.2.
Voor de beslissingen over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de vakanties heeft de rechtbank op basis van de stukken, de toelichting van de ouders op de zitting en het advies van de Raad op de zitting voldoende informatie om een beslissing te nemen. Ook hiervoor is geen verder onderzoek van de Raad nodig.
De inhoudelijke beoordeling
3.3.
De rechtbank zal:
- het verzoek van de moeder tot het eenhoofdig gezag afwijzen;
- het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem te bepalen afwijzen;
- de verzoeken van de vader voor vervangende toestemming voor vakanties met de kinderen naar Iraaks Koerdistan afwijzen;
- de verzoeken over de kinderalimentatie aanhouden;
De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
De ouders houden samen het gezag
3.4.
De rechtbank vindt niet dat het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig is dat de moeder voortaan alleen over hen beslist. Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, ook wanneer zij uit elkaar zijn. Afwijking van dit uitgangspunt is alleen mogelijk als een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering komt, of als gezamenlijk gezag anderzijds niet in het belang van het kind is. [1] In dit geval ziet de rechtbank geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Niet is gebleken dat aan de genoemde uitzonderingen is voldaan. Hieronder zal de rechtbank dit toelichten.
(i)
De kwestie over de zomervakantie is op zichzelf onvoldoende reden om het gezag van de vader te beëindigen
3.5.
De rechtbank constateert dat het de ouders de afgelopen jaren niet goed is gelukt om afspraken te maken over de zomervakantie. De vader wil graag met de kinderen naar Iraaks Koerdistan. Beide ouders komen daar oorspronkelijk vandaan, en de familie van beide kanten woont daar. De kinderen hebben hun oma van vaderszijde nog nooit ontmoet. Het is de wens van de vader dat zij haar leren kennen. De moeder weigert echter toestemming voor deze vakantie, omdat voor het gebied code oranje geldt. Dit betekent dat de Nederlandse overheid alleen noodzakelijke reizen adviseert en het niet veilig wordt geacht om daar op vakantie te gaan.
3.6.
Voor de vakanties van de moeder in 2022, 2023 en 2025 met de kinderen naar veilige Europese landen heeft de vader geen toestemming willen geven, tenzij de moeder hem toestemming verleende om met de kinderen naar Iraaks Koerdistan te reizen. Hierdoor moest de moeder voor deze vakanties procedures starten bij de rechtbank voor vervangende toestemming. In 2024 heeft de vader wél toestemming gegeven voor vakanties van de moeder naar Griekenland en Turkije, zonder daaraan deze voorwaarde te verbinden.
3.7.
De rechtbank stelt voorop dat het kwalijk is dat de vader zijn toestemming voor vakanties naar veilige landen tot drie keer toe heeft gekoppeld aan toestemming voor zijn vakantie met de kinderen naar Iraaks Koerdistan. Deze “wisselgeld-tactiek” is niet in het belang van de kinderen geweest. Hierdoor zijn vakanties beladen geraakt, terwijl deze juist positieve momenten zouden moeten zijn voor de kinderen. Zij hebben in de zomervakantie bovendien ook hun vader moeten missen omdat de vader, toen hij geen toestemming kreeg van de moeder, zelf alsnog naar Iraaks Koerdistan is gegaan. Hij is de vakantieregeling – zonder dat de moeder hiermee akkoord was – dus ook niet nagekomen.
3.8.
De rechtbank is echter van oordeel dat dit gedrag van de vader, op zichzelf genomen, onvoldoende is om zijn gezag te beëindigen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de vader op de zitting heeft bevestigd dat hij voor de zomervakantie van 2026 de moeder toestemming zal geven om met de kinderen naar Griekenland te reizen, en dat hij in de toekomst vakanties naar veilige landen niet langer zal blokkeren. Hij gunt de kinderen hun vakanties. Deze toezegging biedt naar het oordeel van de rechtbank perspectief voor de toekomst.
3.9.
Het is nu aan de vader om te laten zien dat hij deze toezegging nakomt. Hiervoor zal hij zijn wens om met de kinderen naar Iraaks Koerdistan te reizen – en de toestemming van de moeder daarvoor – moeten loskoppelen van zijn toestemming aan de moeder voor vakanties met de kinderen naar veilige landen. Als de vader zijn toezegging niet nakomt en opnieuw zonder redelijke grond zijn toestemming weigert, moet hij er rekening mee houden dat de rechtbank dit op enig moment wel kan zien als voldoende reden om een verzoek tot beëindiging van zijn gezag toe te wijzen.
(ii)
Op andere vlakken zijn de ouders wél in staat om samen beslissingen te nemen
3.10.
Daarnaast is van belang dat niet is gebleken dat er andere grote problemen zijn bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag. De rechtbank ziet twee betrokken ouders die weliswaar niet goed met elkaar overweg kunnen, maar er toch beiden in slagen een belangrijke rol te spelen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op dit moment verblijven de kinderen evenveel tijd bij beide ouders: [minderjarige 2] één weekend per veertien dagen bij de vader en [minderjarige 1] één weekend per veertien dagen bij de moeder, en de rest van de tijd bij de andere ouder. Beide ouders zijn in die zin nauw betrokken bij de opvoeding.
3.11.
Tijdens de zitting hebben beide ouders verklaard dat hun communicatie slecht is en dat zij het over veel onderwerpen oneens zijn. Voorbeelden zijn de dansles van [minderjarige 2] en zorgen over politieke uitingen van [minderjarige 1] . De rechtbank stelt echter vast dat het hen ondanks deze meningsverschillen tóch lukt om overeenstemming te bereiken over belangrijke onderwerpen over de kinderen. Zo heeft [minderjarige 1] recent aangegeven dat hij liever grotendeels bij zijn vader wil wonen. De vader vond dit goed, en de moeder ook; zij gunt [minderjarige 1] de mogelijkheid dit uit te proberen. Het is te prijzen dat de ouders hierover geen discussie hebben gevoerd en de wens van [minderjarige 1] voorop hebben gesteld. Hoe dit is gegaan, laat ook zien dat de kinderen – ondanks de slechte communicatie en meningsverschillen – niet klem zitten of dreigen te raken tussen de ouders.
3.12.
Gezien het voorgaande is de conclusie van de rechtbank dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat de kinderen klem of verloren zullen raken als de vader zijn gezag behoudt, of dat beëindiging van het gezamenlijk gezag anderszins in hun belang noodzakelijk is.
3.13.
Dit neemt niet weg dat de rechtbank zorgen heeft over de manier waarop de ouders met elkaar omgaan. De Raad heeft de ouders op de zitting geadviseerd op korte termijn aan hun communicatie gaan werken, bijvoorbeeld via een SCHIP-traject of Ouderschap Blijft. De ouders hebben aangegeven hiervoor open te staan, zij het in combinatie met een raadsonderzoek. Hoewel de rechtbank het verzoek om een raadsonderzoek afwijst, is het nog steeds belangrijk dat de ouders hun communicatie verbeteren. De ouders zouden dit moeten doen voor hun kinderen, en niet alleen vanwege een onderzoek of externe druk. Door beter samen te communiceren, kunnen discussies die het welzijn van de kinderen beïnvloeden worden voorkomen. De rechtbank hoopt dan ook dat de ouders, ook zonder dat een raadsonderzoek plaatsvindt, hulp gaan zoeken.
De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] blijft bij de moeder
3.14.
De rechtbank zal het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] afwijzen. De gevraagde wijziging komt te vroeg. [minderjarige 1] woont nog maar korte tijd grotendeels bij de vader (volgens de vader sinds 28 augustus 2025 en volgens de moeder sinds begin september 2025) en ten tijde van de zitting dus ongeveer twee maanden. Weliswaar heeft [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek verteld dat hij bij zijn vader wil blijven wonen, maar het is onduidelijk of hij bij die wens blijft. Een periode van twee maanden is te kort om dat te kunnen beoordelen. De moeder ziet de komende periode ook nog als een proefperiode om te bekijken of het [minderjarige 1] bevalt om bij de vader te wonen.
3.15
De rechtbank zal de beslissing ook niet aanhouden in afwachting van verdere ontwikkelingen. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] de ruimte krijgt én ervaart om rustig te ontdekken of hij daadwerkelijk liever bij zijn vader wil blijven wonen. Een juridische procedure die blijft doorlopen en termijnen kent, helpt daar niet bij. De rechtbank wijst het verzoek van de vader dan ook af.
De vader krijgt geen vervangende toestemming voor vakanties naar Iraaks Koerdistan met de kinderen
3.16.
De rechtbank zal de verzoeken van de vader om vervangende toestemming voor een vakantie met de kinderen naar Iraaks Koerdistan afwijzen. Het Koerdische deel van Irak, waaronder de stad [plaats] , is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanwege veiligheidsrisico’s aangemerkt als oranje gebied. Dat betekent dat reizen daar naartoe alleen wordt geadviseerd als het dringend noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor werk of een uitvaart. Volgens de overheid is het niet veilig om daar op vakantie te gaan en kan de Nederlandse ambassade bij problemen slechts beperkt helpen. Ook volgens de moeder is een vakantie naar Iraaks Koerdistan momenteel onveilig.
3.17.
De rechtbank is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat het hier om een noodzakelijke reis gaat, zoals vereist voor een oranje gebied volgens het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn wens om de kinderen kennis te laten maken met hun familie en de regio is hiervoor niet voldoende.
3.18.
Hoewel de wens van de vader begrijpelijk is en de kinderen ook tijdens het kindgesprek hebben gezegd dat zij graag met hem daar naartoe willen, kan van de rechtbank niet worden verwacht dat zij afwijkt van het overheidsbeleid door vervangende toestemming te geven voor een niet-noodzakelijke reis naar een gebied met code oranje. De door de vader genoemde argumenten dat de moeder al een keer met de kinderen naar het gebied is gereisd en zij daarna ook zonder de kinderen nog daar naartoe is gegaan, terwijl al jaren code oranje geldt, maken dit niet anders.
De verzoeken over kinderalimentatie worden aangehouden
3.19.
De zelfstandige verzoeken van de vader over de kinderalimentatie zijn tijdens de zitting niet besproken, omdat de verweertermijn op dat moment nog niet was verstreken. De rechtbank zal de beslissing over de kinderalimentatie aanhouden totdat de verzoeken inhoudelijk worden behandeld op een nog te plannen zitting.
3.20.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst de verzoeken over het eenhoofdig gezag, de vervangende toestemming voor vakanties en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] af;
4.2
houdt de verdere beslissing over de kinderalimentatie aan tot een nog nader te bepalen datum.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door E.G. de Jong, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.A. Beverwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:251a lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek.