ECLI:NL:RBMNE:2025:6920

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
594523
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot beëindiging van gezag na strafrechtelijke veroordeling van de vader wegens geweld tegen de moeder

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 22 december 2025 een beschikking gegeven in een verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader over hun dochter, naar aanleiding van zijn strafrechtelijke veroordeling voor ernstige geweldsfeiten tegen de moeder. De moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. L.D.H. Lesmeister, verzocht om het gezag van de vader te beëindigen, omdat hij op 11 juli 2025 was veroordeeld voor opzetverkrachting, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De vader, vertegenwoordigd door mr. J. Sietsma, was het niet eens met dit verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling op 24 november 2025 was de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig, maar de rechtbank besloot geen raadsonderzoek te gelasten, omdat er voldoende informatie beschikbaar was om een beslissing te nemen.

De rechtbank oordeelde dat de vader, die niet de Nederlandse nationaliteit heeft, niettemin onder de Nederlandse rechtsmacht valt, omdat de dochter haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De rechtbank concludeerde dat de omstandigheden sinds de gezamenlijke uitoefening van het gezag zijn gewijzigd, en dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de dochter klem raakt tussen de ouders. De rechtbank baseerde haar beslissing ook op het Verdrag van Istanbul, dat bescherming biedt aan slachtoffers van geweld, en oordeelde dat het in het belang van de dochter is dat de moeder alleen het gezag uitoefent. De rechtbank verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat deze onmiddellijk van kracht is, ook als de vader in hoger beroep gaat.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/594523 / FL RK 25-651
Gezag en omgang
Beschikking van 22 december 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. L.D.H. Lesmeister,
tegen
[de vader],
verblijvende in de [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J. Sietsma.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder, binnengekomen op 20 mei 2025;
- het bericht (met bijlage) van de moeder van 17 juli 2025.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
24 november 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De Raad wordt door de rechtbank uitgenodigd als het in een zaak over een kind gaat.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige (voornaam)] , de dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt omdat zij twee jaar is. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige], geboren op
[2023] in [geboorteplaats] . [minderjarige (voornaam)] woont bij haar moeder.
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige (voornaam)] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige (voornaam)] nemen.
2.4.
De vader is op 11 juli 2025 door de Rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor opzetverkrachting, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van de moeder. Hij heeft een gevangenisstraf opgelegd gekregen van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank voorwaarden verbonden, waaronder een contactverbod met de moeder. De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
2.5.
De moeder verzoekt dat het gezag van de vader over [minderjarige (voornaam)] wordt beëindigd, zodat zij alleen het gezag heeft en alle belangrijke beslissingen mag nemen. De vader is het niet met dit verzoek eens.

3.De beoordeling

Bevoegdheid rechtbank en toepasselijk recht
3.1.
De vader heeft niet de Nederlandse nationaliteit. Daarom moet de rechtbank eerst beoordelen of de Nederlandse rechter wel bevoegd is om te beslissen op het verzoek. Ook moet de rechtbank beoordelen van welk land de rechtsregels worden toegepast.
3.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd om het verzoek te beoordelen, omdat [minderjarige (voornaam)] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. [1] Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing, omdat deze zaak gaat over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Als de Nederlandse rechter bevoegd is om in zo’n zaak te beslissen, dan is Nederlands recht van toepassing. [2]
Er komt geen raadsonderzoek
3.3.
Tijdens de zitting heeft de vader gevraagd om de beslissing uit te stellen en eerst een raadsonderzoek te laten uitvoeren. De rechtbank gaat niet mee in dit verzoek. Op basis van de stukken, de toelichting van de ouders op de zitting en het advies van de Raad op de zitting, heeft de rechtbank voldoende informatie om een beslissing te nemen. Verder onderzoek en uitstel van de beslissing is dus niet nodig.
De moeder heeft voortaan alleen het gezag over [minderjarige (voornaam)]
3.4.
De rechtbank zal het gezag van de vader beëindigen. Dat betekent dat de moeder voortaan alleen het gezag over [minderjarige (voornaam)] heeft en alle belangrijke beslissingen over haar mag nemen. Hieronder wordt deze beslissing uitgelegd.
I.
Het juridisch kader
3.5.
In de wet is bepaald wanneer de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen. Daarvoor is allereerst van belang hoe het gezag is ontstaan. In dit geval heeft de moeder van [minderjarige (voornaam)] van rechtswege – dus: automatisch – het gezag over [minderjarige (voornaam)] gekregen. De vader heeft het gezag gekregen toen hij haar op [2024] heeft erkend. Sinds 1 januari 2023 bepaalt de wet dat degene die het kind erkent, ook het gezag krijgt. [3]
3.6.
De wet bepaalt voor zo’n geval dat een ouder aan de rechtbank kan vragen het gezag van de andere ouder te beëindigen. [4] Dit kan niet altijd, maar alleen (i) als sinds de ouders samen het gezag hebben de omstandigheden zijn gewijzigd, of (ii) als de eerdere beslissing waarbij het gezag aan de ouders samen is gegeven, is genomen op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. [5]
3.7.
Als aan de voorwaarden genoemd onder (i) of (ii) is voldaan, beoordeelt de rechtbank of er voldoende reden is om het gezamenlijk gezag van een ouder te beëindigen. Dat is een ingrijpende maatregel, dus dit gebeurt slechts in bepaalde situaties. De wet beschrijft twee situaties waarin het gezag van een ouder kan worden beëindigd: (a) er is een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders, en het is niet te verwachten dat dit snel genoeg verbetert, of (b) de wijziging van het gezag is om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk. [6]
II.
Er is een wijziging van omstandigheden
3.8.
De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds dat de ouders samen het gezag hebben. Zoals genoemd in 2.4., is de vader op 11 juli 2025 veroordeeld voor ernstige strafbare feiten gepleegd tegen de moeder. Hij zit momenteel zijn gevangenisstraf uit. Gezien deze ontwikkelingen kan de rechtbank de moeder ontvangen in haar verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader.
III.
Gezamenlijk gezag geeft een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige (voornaam)] klem en verloren raakt tussen de ouders
3.9.
De rechtbank is van oordeel dat gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico oplevert dat [minderjarige (voornaam)] klem of verloren raakt tussen de ouders. Daarmee is voldaan aan de in 3.6 genoemde a-grond en het verzoek van de moeder op basis hiervan toewijsbaar. Hieronder wordt dit toegelicht.
3.10.
Op dit moment hebben de ouders geen contact. Vanwege het opgelegde contactverbod mag de vader ook geen contact met de moeder hebben. De moeder heeft op de zitting gezegd dat zij nooit meer contact met de vader wil. De rechtbank vindt dat van de moeder niet kan worden verlangd dat zij, ondanks haar wens, toch contact met de vader moet hebben. Daarom is het noodzakelijk om het gezag van de vader te beëindigen. Als het gezamenlijk gezag blijft bestaan terwijl de ouders geen contact met elkaar hebben, brengt dit het risico mee dat [minderjarige (voornaam)] klem en verloren raakt. Overleg is namelijk nodig om samen beslissingen over [minderjarige (voornaam)] te nemen.
3.11.
Bij haar oordeel betrekt de rechtbank het Verdrag van Istanbul. [7] Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, én waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. [8] Kinderen die getuige zijn van geweld, worden in het Verdrag van Istanbul ook als slachtoffer aangemerkt. [9]
3.12.
De vader heeft aangevoerd dat het Verdrag van Istanbul alleen van toepassing is bij structureel en gedocumenteerd huiselijk geweld. Omdat hij zich daaraan niet schuldig heeft gemaakt, kan de moeder volgens hem geen geslaagd beroep doen op het Verdrag van Istanbul. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het Verdrag van Istanbul is van toepassing op
allevormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huiselijk geweld, dat vrouwen buitenproportioneel treft. [10] Uit het strafvonnis blijkt dat de vader ernstig geweld tegen de moeder heeft gepleegd waarvan een deel in het bijzijn van [minderjarige (voornaam)] . Dat de vader hoger beroep heeft ingesteld tegen het strafvonnis, maakt dit niet anders. Het strafvonnis van de rechtbank geldt op dit moment. De rechtbank gaat daarom in deze zaak uit van de inhoud van dit vonnis. De moeder heeft dan ook terecht een beroep gedaan op het Verdrag van Istanbul.
3.13.
De rechtbank is van oordeel dat de rechten en de veiligheid die het Verdrag van Istanbul beschermt in het geding komen als de vader het gezag behoudt. De moeder ervaart – zoals tijdens de zitting bleek – nog veel angst en verdriet vanwege wat er is gebeurd. Zij krijgt hiervoor ook traumabehandeling. De moeder moet de ruimte krijgen om alles een plek te geven, en niet gedwongen worden om met de vader te moeten overleggen over [minderjarige (voornaam)] .
3.14.
De vader heeft verder aangevoerd dat hij het gezag van de moeder niet belemmert en de door moeder aangeboden formulieren voor toestemming zal ondertekenen. Gezag is echter veel meer dan alleen ‘niet belemmeren’ of ‘ondertekenen’. Voor een goede uitoefening van het gezag is betrokkenheid bij het leven van het kind noodzakelijk. Die betrokkenheid ontbreekt momenteel en valt, vanwege wat er is gebeurd en alle gevolgen daarvan, ook niet op korte termijn te verwachten. Een eventuele toekomstige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] , maakt dit niet anders. De rechtbank zal het gezag van de vader dan ook beëindigen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.15.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
3.16.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat het gezag over [minderjarige (voornaam)] vanaf nu alleen toekomt aan de moeder;
4.2.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst het verzoek van de vader om een raadsonderzoek te gelasten af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.G. de Jong, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 8 lid 1 van de Brussel II bis Verordening.
2.Artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
3.Artikel 1:251b van het Burgerlijk Wetboek.
4.Artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek.
5.Groene Serie Personen- en familierecht, artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek, aant. 3.
6.Artikel 1:253n lid 2 en artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
7.Volledige naam: ‘Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld’. Dit verdrag is voor Nederland op 1 maart 2016 in werking getreden.
8.Artikel 31 van het Verdrag van Istanbul.
9.Dit staat in de preambule en op grond van artikel 26 van het Verdrag van Istanbul. Op grond van deze bepaling moet de overheid ook maatregelen nemen die nodig zijn om te waarborgen dat bij het bieden van bescherming en ondersteuning aan slachtoffers naar behoren rekening wordt gehouden met de rechten en behoeften van kinderen die getuige zijn van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag. In de memorie van toelichting bij de goedkeuring van het Verdrag van Istanbul staat bij artikel 2 lid 2 dat het Verdrag van toepassing is op alle slachtoffers van huiselijk geweld, dus ook kinderen (Tweede Kamer, 2014–2015, 34 038 (R2039), nr. 3).
10.Artikel 2 lid 1 van het Verdrag van Istanbul.