Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een herstelvonnis uitgesproken in de zaak tegen een verdachte, geboren in 1996 in Polen. Dit vonnis is een correctie op een eerder vonnis van 16 december 2025, waarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf was opgelegd zonder rekening te houden met de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht. De rechtbank constateerde dat er een fout was gemaakt in het dictum van het eerdere vonnis, waardoor de verdachte mogelijk onterecht naar de gevangenis zou worden gebracht voor een straf die al in voorarrest was uitgezeten. Om deze kennelijke misslag te herstellen, heeft de rechtbank het dictum aangepast. De rechtbank handhaaft de eerder opgelegde gevangenisstraf van 120 dagen, maar bepaalt dat 108 dagen daarvan niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt. Tevens is er een proeftijd van twee jaar vastgesteld, waarin de verdachte zich niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. De griffier is belast met het doen van kennisgeving van dit vonnis aan de betrokken partijen. Het vonnis is gewezen door een meervoudige kamer, met mr. L.M. Reijnierse als voorzitter, en de rechters mr. S.E. van den Brink en G.M.C. Klink. De griffier mr. L.M.L. den Hoedt was niet in de gelegenheid om het herstelvonnis te ondertekenen.