Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een herstelvonnis uitgesproken in de zaak tegen een verdachte, geboren in 1964 in Polen. Dit vonnis is een correctie op een eerder vonnis van 16 december 2025, waarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf was opgelegd. Na de uitspraak bleek dat er een fout was gemaakt in het dictum van het eerdere vonnis, waarbij de rechtbank verzuimd had om de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht in mindering te brengen op de opgelegde straf. De rechtbank oordeelde dat het onwenselijk zou zijn om de verdachte alsnog naar de gevangenis te brengen voor een straf die reeds in voorarrest was uitgezeten. Daarom heeft de rechtbank besloten om het dictum te herstellen en de eerder opgelegde straf aan te passen. In het herstelvonnis wordt de gevangenisstraf van 120 dagen gehandhaafd, maar met de bepaling dat 108 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt. Tevens is er een proeftijd van 2 jaren vastgesteld, waarin de verdachte zich niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. Het vonnis is gewezen door een meervoudige kamer, met mr. L.M. Reijnierse als voorzitter, en is in tegenwoordigheid van de griffier, mr. L.M.L. den Hoedt, uitgesproken. De andere rechters waren niet in de gelegenheid om het herstelvonnis te ondertekenen.