Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een vonnis uitgesproken in de zaak tegen de verdachte, geboren in 1986 en wonende in Polen. Na de uitspraak is gebleken dat er een fout in het dictum van het vonnis zat, waarbij de rechtbank verzuimd had om de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht in mindering te brengen op de opgelegde gevangenisstraf. Dit had tot gevolg dat de verdachte mogelijk onterecht naar de gevangenis zou worden gebracht om het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf uit te zitten, wat onwenselijk werd geacht door de rechtbank.
In het herstelvonnis, dat op 18 december 2025 werd uitgesproken, handhaafde de rechtbank haar eerdere beslissing, maar corrigeerde zij de misslag in het dictum. De rechtbank legde de verdachte opnieuw een gevangenisstraf van 90 dagen op, waarvan 78 dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt. Tevens werd een proeftijd van 2 jaren vastgesteld, waarin de verdachte zich niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. De rechtbank bepaalde dat de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht op de gevangenisstraf. Het vonnis werd ter kennis gebracht van de betrokken partijen, waaronder de verdachte en de officier van justitie.