Beoordeling door de voorzieningenrechter
7. De voorzieningenrechter ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of JEL een bestuursorgaan is. JEL heeft in haar verweerschrift en op de zitting er op gewezen dat zij is aan te merken als een bestuursorgaan. Daarbij heeft JEL toegelicht dat zij op grond van artikel 2.11 van de Jeugdwet door het college is aangewezen als derde om namens het college uitvoering aan de Jeugdwet te geven. In dat kader neemt zij ook besluiten, bijvoorbeeld over een persoonsgebonden budget in de zin van artikel 8.1.1. van de Jeugdwet. Verzoekster en derde-partij hebben dat standpunt niet betwist. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is JEL aan te merken als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Zonder voorlopige voorziening worden documenten openbaar gemaakt, wat onomkeerbaar is, terwijl verzoekster het niet eens is met de openbaarmaking zoals JEL die voorstaat.
9. Als er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen twijfel is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zal het algemene belang bij openbaarheid, de doorslag geven. Dit geldt ook wanneer de uitvoering van het besluit, zoals in dit geval, onomkeerbare gevolgen heeft. Als de voorzieningenrechter het besluit tot openbaarmaking van de documenten onrechtmatig vindt of als zij twijfel heeft bij de rechtmatigheid van het besluit terwijl de uitvoering daarvan onomkeerbare gevolgen heeft, kan er aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Standpunt van verzoekster
10. Verzoekster voert aan dat JEL het zorgvuldigheidsbeginsel schendt door alleen gelakte documenten voor een zienswijze te overleggen. Volgens verzoekster moet JEL de documenten transparant lakken, zodat verzoekster volledige inzage krijgt in de openbaar te maken stukken, omdat zij die stukken anders niet goed kan beoordelen en niet goed kan afstemmen binnen de organisatie. Doordat de documenten gelakt aan verzoekster zijn overlegd, weet zij niet aan welke medewerkers die documenten ter beoordeling voorgelegd moeten worden. Hierdoor bestaat het gevaar dat openbaar gemaakte informatie te herleiden is tot cliënten en medewerkers van verzoekster en dat kan hun belangen schaden. Volgens eiseres miskent JEL met haar werkwijze de weigeringsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel d, van de Woo (openbaarmaking bijzondere categorieën persoonsgegevens en openbaarmaking persoonsgegevens van strafrechtelijke aard) en artikel 5.1, tweede lid, onderdeel e, van de Woo (openbaar making nationaal identificatienummer). Ook betoogt verzoekster dat de beschrijving van gebeurtenissen, locaties en omstandigheden in de geziene documenten zo specifiek is, dat betrokkenen door hun omgeving eenvoudig herkenbaar zijn in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Avg.Tot slot voert verzoekster aan dat JEL niet heeft aangetoond dat het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van bescherming van de privacy.
Had JEL bij het verzoek om een zienswijze aan verzoekster de ongelakte stukken moeten voorleggen?
11. Niet in geschil is dat uit artikel 4:8 van de Awb de verplichting voor JEL volgt om aan verzoekster een zienswijze te vragen. Noch uit dit artikel noch uit de Woo volgt dat JEL de openbaar te maken documenten ongelakt of transparant gelakt aan verzoekster moet overleggen. JEL stelt terecht dat verzoekster voor het geven van een zienswijze geen recht heeft op ongelakte of transparant gelakte documenten.
12. Ook de stelling van verzoekster dat zij zonder transparant gelakte stukken niet goed kan uitzetten bij de juiste medewerker in de organisatie, de mogelijke impact van openbaarmaking daardoor niet goed kan beoordelen en dus niet op zorgvuldige wijze tot een zienswijze kan komen, maakt niet dat zij op die transparant gelakte stukken recht had. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster blijft steken in algemeenheden zonder concreet op de voor een zienswijze overgelegde documenten in te gaan. Voor zover verzoekster beoogt te betogen dat het vragen van een zienswijze in de zin van artikel 4:8 van de Awb zinledig is geworden als zij daarbij niet beschikt over de ongelakte stukken, is dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk geworden.
Zijn de stukken herleidbaar tot personen?
13. Verzoekster heeft er ook op gewezen dat de openbaar te maken documenten herleidbaar zijn tot specifieke individuen en situaties. Ook ten aanzien van dit standpunt merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster niet concreet maakt in welke documenten en waar in die documenten dat potentiële risico van herleidbaarheid zich voordoet.
14. Hier staat tegenover dat de voorzieningenrechter kennis heeft genomen van de gelakte Woo-stukken. De voorzieningenrechter constateert dat het gaat om gespreksverslagen over casussen niet waarin bepaalde elementen die niet zijn gelakt, mogelijk wel herleidbaar zijn tot personen. Zo staat er bijvoorbeeld een voornaam in, een plaatsnaam, een verplaatsing uit een andere regio, een beslissing over een ondertoezichtstelling op of rond de datum van het genoemde gespreksverslag en betrokkenheid van de reclassering bij de vader in een gezin. Niet valt uit te sluiten dat deze informatie in combinatie met andere ongelakte passages van het verslag van een gesprek over een gezin voor de kring van die betrokkenen herleidbaar is tot dat gezin. Hoewel verzoekster de vrees voor herleidbaarheid naar personen en casussen niet concreet onderbouwt, begrijpt de voorzieningenrechter de zorg van verzoekster wel. Te meer ook nu JEL op zitting heeft verklaard dat de betrokken gezinnen niet op de hoogte zijn gebracht van dit verzoek en aan hen geen zienswijze is gevraagd. Terwijl, gelet op het voorgaande, niet is uit te sluiten dat juist de belangen van de gezinnen in de zin van artikel 4:8 van de Awb getroffen kunnen worden met de openbaarmaking van gespreksverslagen over hun situatie. Daarbij vindt de voorzieningenrechter bovendien van belang dat derde partij in zijn verzoek en ook op de zitting heeft benadrukt dat het hem niet gaat om openbaarmaking van individuele casussen.
15. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat voor wat betreft de door verzoekster geuite bezwaren aangaande de mogelijke herleidbaarheid naar individuele personen en aangaande de belangenafweging, niet is uit te sluiten dat die bezwaren kans van slagen hebben.