ECLI:NL:RBMNE:2025:7002

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/6953
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen leges omgevingsvergunning voor verbouwing van woning tot bed & breakfast

In deze zaak heeft eiser op 28 augustus 2020 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning bij de gemeente Amersfoort, met als doel het wijzigen van het gebruik van zijn woning naar een combinatie van wonen en een bed & breakfast. De gemeente verleende op 30 november 2020 de omgevingsvergunning, maar legde tegelijkertijd een legesaanslag van € 12.697,50 op. Eiser maakte bezwaar tegen deze aanslag, maar het bezwaar werd afgewezen. Hierop heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft op 15 december 2025 uitspraak gedaan. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar ten onrechte de bouwkosten van een nieuw te bouwen woning als uitgangspunt heeft genomen voor de leges. Eiser had immers enkel een verbouwing van zijn bestaande woning aangevraagd. De rechtbank stelde vast dat de hoogte van de leges direct afhankelijk is van de bouwkosten en dat de heffingsambtenaar onvoldoende onderbouwing had gegeven voor de gehanteerde bouwkostenraming van € 92.000,-. Hierdoor was de legesaanslag onterecht vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg de heffingsambtenaar op om een nieuw besluit te nemen over de hoogte van de leges, rekening houdend met de uitspraak. Eiser kreeg tevens een vergoeding van het door hem betaalde griffierecht van € 51,-.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort, verweerder(gemachtigde: R. Janmaat).

Inleiding en procesverloop

1. Op 28 augustus 2020 heeft eiser bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (het college) op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van de woning ten behoeve van wonen en een bed & breakfast op het perceel [adres] in [plaats] . Met het besluit van 30 november 2020 is de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ [1] en ’afwijken bestemmingsplan’ [2] .
2. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag omgevingsvergunning heeft de heffingsambtenaar op 31 mei 2024 aan eiser een bedrag van totaal € 12.697,50 aan leges in rekening gebracht (de legesaanslag). Eiser heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.
3. Met het bestreden besluit van 25 september 2024 op het bezwaar van eiser
tegen de legesaanslag is de heffingsambtenaar bij die aanslag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [A] , vergunningverlener.
5. Partijen hebben op de zitting de afspraak gemaakt dat nog nadere informatie ten behoeve van de bouwkosten van eiser zal worden ingediend, om te kijken of zij er op basis van een nieuwe berekening aan de hand van die bouwkosten onderling uit konden komen. Op de zitting is het onderzoek in deze zaak geschorst. Verweerder heeft per bericht van 20 november 2025 aangegeven het bestreden besluit, en de onderbouwing daarvan, niet te willen wijzigen. Vervolgens is het onderzoek op 9 december 2025 gesloten. Omdat partijen er onderling niet uit zijn gekomen, zal de rechtbank uitspraak doen in deze zaak.

Overwegingen

6. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en de Omgevingswet in werking is getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Grondslag van de legesaanslag
7. Leges worden geheven door de gemeente in verband met vergunningaanvragen of andere gemeentelijke diensten. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning was de ‘Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent de heffing en invordering van leges (Verordening leges 2020)’ (de legesverordening) van toepassing. In artikel 1 van de legesverordening is het aanvragen van een omgevingsvergunning aangemerkt als een belastbaar feit. De hoogte van de aanslag is onder verwijzing van artikel 4 van de legesverordening, gebaseerd op de tarieventabel uit Bijlage 1 bij de legesverordening.
8. De heffingsambtenaar heeft aan eiser een legesaanslag van € 12.697,50 opgelegd in verband met de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 2.605,- voor de activiteit ‘bouwen’, € 1.250,- voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’, € 1.302,50 voor de activiteit ‘legalisatie bouwwerk’ en
€ 7.540,- voor de activiteit ‘legalisatie wijzigen gebruik’.
9. De post ‘legalisatie wijzigen gebruik’ is een vaste post. [3] De posten ‘bouwen’, ‘afwijken bestemmingsplan’ en ‘legalisatie bouwwerk’ zijn flexibele posten die aan de hand van de bouwkosten van de aanvrager van de vergunning worden berekend. Bij de posten ‘bouwen’ en ‘afwijken bestemmingsplan’ wordt gerekend met verschillende schijven. [4] Bij de post ‘legalisatie bouwwerk’ wordt gerekend met een percentage van 150, van de op grond van dat onderdeel verschuldigde leges.
10. Bij het berekenen van de verschuldigde leges is verweerder uitgegaan van bouwkosten van € 92.000,-. Verweerder heeft aan de hand van de tekeningen zoals overgelegd bij de aanvraag de volgende wijzigingen geconstateerd:
nieuwe slaapkamer toegevoegd, badkamer toegevoegd, keuken toegevoegd, ombouw trappenhuis, hoofddeur toegevoegd en brandscheiding maken met de hoofdwoning.Verweerder stelt dat met de functiewijziging en de aanpassing van de functie in het bestemmingsplan het (ver)bouwplan wordt gezien als een nieuwe toevoeging. Eiser is meermalen verzocht om reële bouwkosten op te geven voor de wijziging van een gastenverblijf naar een volwaardige woning. Ook na de op de zitting gemaakte afspraken is hetzelfde kostenoverzicht overgelegd door eiser. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het overzicht van eiser niet alle noodzakelijke wijzigingen dekt om van een logiesfunctie een volwaardige woning te maken. Omdat een reële kostenopgave door eiser uitblijft, gaat verweerder uit van hun eigen raming van de bouwkosten voor het oprichten en afbouwen van een woning.
Het standpunt van eiser
11. Eiser stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, nu de door verweerder gehanteerde bouwkostenraming volgens hem niet overeen komt met de feitelijke situatie. Ondanks herhaalde verzoeken heeft verweerder geen objectieve onderbouwing van deze raming verstrekt. Daarmee is, naar de mening van eiser, in strijd gehandeld met het motiveringsbeginsel. Hij verwijst daarbij naar artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
12. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder hem niet tijdig, noch schriftelijk of digitaal, heeft geïnformeerd over de betreffende aanslag, waardoor hij hiervan eerst via zijn DigiD-omgeving kennis van heeft kunnen nemen. Eiser acht dit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb. In het kader van zorgvuldigheid wijst eiser ook op gebreken in de communicatie door het college, waaronder een onjuiste beschuldiging van illegaal gebruik op 1 februari 2024 en een voorstel tot intrekking van een niet-bestaande bouwvergunning op 22 januari 2023.

Het standpunt van verweerder

13. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de casemanager van de gemeente eiser in de gelegenheid heeft gesteld om de bestaande tekening aan te leveren, om op die manier te kunnen vaststellen wat het bouwplan omvat. Omdat er geen tekening werd aangeleverd heeft de casemanager de laatste vergunde tekening beschouwd als bestaand. Op deze tekening was er geen indeling en/of kamers te zien. Dit was een grote ruimte die gebruikt werd als logies en was ondergeschikt aan de woning. Het gebouw was eerst een kantoor en had daarna een logiesfunctie. De aanvraag van eiser betreft het omzetten van de huidige logiesfunctie naar een zelfstandige woning. Voor de bouwkostenberekening is de casemanager uitgegaan van functiewijziging van kantoor naar woonfunctie, en is daarbij uitgegaan van de bouwkosten voor het oprichten en afbouwen van een woning. Verweerder stelt zich op het standpunt dat door eiser onvoldoende is aangetoond dat de daadwerkelijke bouwkosten
onderhet gehanteerde bedrag van € 92.000,- liggen.
Het oordeel van de rechtbank
14. De rechtbank stelt voorop dat het niet juist informeren over de aanslag – voor zover dat zo zou zijn – en eventuele communicatiegebreken niet kunnen leiden tot de conclusie dat het besluit gebrekkig tot stand is gekomen, omdat dit omstandigheden zijn die zich na het nemen van het bestreden besluit hebben voorgedaan. Als eiser niet op de juiste manier op de hoogte is gebracht van de aanslag kan dat wel betekenen dat het besluit niet goed bekend is gemaakt en dat de bezwaartermijn niet is aangevangen, maar dat is in dit geval niet relevant. Eiser heeft immers op tijd bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
14. De beroepsgrond over bouwkostenraming slaagt wel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voor het vaststellen van de leges ten onrechte de bouwkosten van een nieuw te bouwen woning als uitgangspunt genomen. Uit de aanvraag voor de omgevingsvergunning kon immers zonder meer worden afgeleid dat het eiser niet ging om een nieuw te bouwen woning, maar uitsluitend de verbouwing van zijn bestaande pand. Nu de hoogte van de bouwkosten direct invloed heeft op drie posten van de te betalen leges, is de rechtbank het met eiser eens dat door desalniettemin aan te sluiten bij de kosten van nieuwbouw, verweerder een onjuist standpunt heeft gehanteerd.
16. De rechtbank merkt daarbij op dat het voorgaande niet met zich meebrengt dat de door eiser opgegeven bouwkosten zonder meer als reële verbouwingskosten kunnen worden aanvaard. Verweerder heeft terecht gesteld dat de door eiser verstrekte informatie daarvoor onvoldoende specifiek en onvoldoende onderbouwd is. Het is aan verweerder om de bouwkosten opnieuw en op zorgvuldige wijze te ramen.
17. Voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. De overige beroepsgrond van eiser behoeft om die reden geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

18. Uit deze uitspraak volgt dat verweerder de leges ten onrechte heeft vastgesteld op basis van geraamde bouwkosten voor het bouwen van een nieuw te bouwen woning. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd.
Wat betekent dit voor partijen?
19. De rechtbank moet vervolgens beoordelen welke consequenties zij moet verbinden aan de vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in deze zaak te voorzien, aangezien het bepaalde in deze uitspraak ertoe leidt dat verweerder het verschuldigde bedrag aan leges opnieuw moet vaststellen. Verweerder zal daarom, met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak, een nieuw besluit moeten nemen over de hoogte van de verschuldigde leges. Hiervoor geldt de wettelijke beslistermijn.
20. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
De griffier is verhinderddeze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, lid 1, onder a Wabo en artikel 2.10 Wabo.
2.Artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo en artikel 2.12 Wabo.
3.Zie 2.3.4.2.7. van de Tarieventabel Verordening Leges 2020, behorend bij de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent de heffing en invordering van leges.
4.Zie 2.3.1 en 2.3.4, van de Tarieventabel Verordening Leges 2020, behorend bij de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent de heffing en invordering van leges.