In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Stichting Bo-Ex'91 en [gedaagde sub 2]. De eisende partij, Bo-Ex, had een vordering in conventie ingesteld, maar trok deze in tijdens de procedure. De gedaagde partij, [gedaagde sub 2], vorderde in reconventie schadevergoeding wegens gevolgschade door een gebrek aan haar huurwoning. De zaak kwam voort uit een incident waarbij de huurwoning van [gedaagde sub 2] overstroomde met rioolwater, veroorzaakt door een losgeschoten rioleringsbuis na werkzaamheden die door Bo-Ex waren uitgevoerd. De woning werd onbewoonbaar verklaard en [gedaagde sub 2] moest tijdelijk in een logeerwoning verblijven.
Tijdens de mondelinge behandeling op 25 november 2025 werd duidelijk dat [gedaagde sub 2] geen financiële middelen had om de schade te vergoeden die was ontstaan door de overstroming. De kantonrechter oordeelde dat Bo-Ex verantwoordelijk was voor de schade, aangezien de werkzaamheden aan de riolering door hen waren uitgevoerd en fouten waren gemaakt. De kantonrechter wees de vordering van [gedaagde sub 2] grotendeels toe en stelde de schadevergoeding vast op € 12.781,65, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de overstroming op 18 oktober 2024. Daarnaast werd Bo-Ex veroordeeld tot betaling van de proceskosten in zowel conventie als reconventie.
Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk moet worden nageleefd, ook als Bo-Ex in beroep gaat. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van verhuurders bij gebreken aan huurwoningen en de rechten van huurders op schadevergoeding.