ECLI:NL:RBMNE:2025:7040

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11747063 \ MC EXPL 25-3433
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van openstaande facturen met correctie van factuurbedragen

In deze civiele zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen twee besloten vennootschappen. De eiseres, een B.V., vorderde betaling van openstaande facturen van in totaal € 4.042,89 inclusief btw van de gedaagde B.V. De gedaagde betwistte de hoogte van de facturen en voerde aan dat de facturen niet klopten. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedaagde € 3.917,13 inclusief btw aan de eiseres moet betalen, na correctie van enkele facturen. De gedaagde had in de periode van augustus tot oktober 2024 meerdere bestellingen geplaatst, waarvoor de eiseres facturen had gestuurd. De kantonrechter heeft de facturen gecontroleerd en vastgesteld dat de gedaagde recht had op een korting van 2% op alle producten, wat leidde tot een aanpassing van de te betalen bedragen. Daarnaast heeft de kantonrechter de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen aan de eiseres. De gedaagde is ook veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Zaaknummer: 11747063 \ MC EXPL 25-3433 D/51246
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door haar bestuurder [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 juni 2025 met 2 producties;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek met vermindering van eis en met aanvullende productie 3;
- de conclusie van dupliek met producties.
1.2.
De kantonrechter heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld om op de producties bij de conclusie van dupliek van [gedaagde] te reageren. Van die gelegenheid heeft [eiseres] geen gebruik gemaakt.
1.3.
De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak zal doen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] heeft meerdere keren producten bij [eiseres] besteld. Volgens [eiseres] staan er nog facturen voor die bestellingen open. Zij vordert (nadat zij haar eis heeft verminderd) een bedrag van € 4.042,89 inclusief btw met rente en kosten. [gedaagde] vindt dat bedrag te hoog en voert aan dat de facturen niet kloppen. De kantonrechter beslist dat [gedaagde] € 3.917,13 inclusief btw met rente en kosten aan [eiseres] moet betalen.

3.De beoordeling

Om welke facturen gaat het?
3.1.
[eiseres] heeft [gedaagde] in de periode vanaf 30 augustus 2024 tot en met 31 oktober 2024 twaalf facturen gestuurd:
de factuur van 30 augustus 2024 van € 1.943,43 inclusief btw;
de factuur van 10 september 2024 van € 374,44 inclusief btw;
de factuur van 17 september 2024 van € 1.103,29 inclusief btw;
de factuur van 23 september 2024 van € 1.312,56 inclusief btw;
de factuur van 2 oktober 2024 van € 884,59 inclusief btw;
de factuur van 28 oktober 2024 van € 1.964,72 inclusief btw;
de factuur van 31 oktober 2024 van € 690,91 inclusief btw;
de factuur van 8 november 2024 van € 782,46 inclusief btw;
de factuur van 15 november 2024 van € 1.245,34 inclusief btw;
de factuur van 20 november 2024 van € 796,49 inclusief btw;
de factuur van 21 november 2024 van € 91,60 inclusief btw;
de factuur van 28 november 2024 van € 853,06 inclusief btw.
Het totaalbedrag van de facturen is € 12.042,89 inclusief btw.
De productprijs op de factuur van 21 november 2024 klopt niet
3.2.
[gedaagde] is het ermee eens dat zij de bestellingen moet betalen, maar zij vindt de productprijzen op de facturen te hoog. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] regelmatig de prijzen van artikelen gewijzigd op het moment van bestellen, zonder [gedaagde] hierover vooraf te berichten. Hoewel [eiseres] het verweer niet heeft tegengesproken, zal de kantonrechter bijna alle productprijzen aanhouden die [eiseres] in rekening heeft gebracht. Het is de kantonrechter namelijk niet duidelijk welke productprijzen volgens [gedaagde] niet kloppen en welke prijzen er volgens [gedaagde] dan op de facturen zouden moeten staan. [gedaagde] noemt een paar voorbeelden van artikelen waarbij het volgens haar fout is gegaan, maar dat is zonder verdere uitleg niet duidelijk genoeg. [gedaagde] heeft wel uitgelegd wat er volgens haar niet klopt op de factuur van 21 november 2024. Op die factuur staat één type product met een productprijs van € 38,50. Volgens [gedaagde] is eerder door vertegenwoordigers van [eiseres] aangegeven dat de prijs € 32,50 per stuk zou zijn. Om dit te onderbouwen heeft [gedaagde] als productie een screenshot van een Whatsappgesprek ingediend. Dat gesprek is gevoerd in een andere taal. De kantonrechter kan het gesprek daarom niet lezen. Dat maakt in dit geval niet uit, omdat [eiseres] niet op de productie heeft gereageerd en het standpunt van [gedaagde] niet heeft tegengesproken. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat het klopt wat [gedaagde] aanvoert. Dat betekent dat de factuur van 21 november 2024 van € 91,60 te hoog is.
3.3.
De kantonrechter heeft zelf uitgerekend wat het bedrag op de factuur zou moeten zijn. De productprijs is € 32,50 exclusief btw. Op de factuur staat een korting van 2% op de productprijs (waarover meer in rechtsoverweging 3.4. en verder). Inclusief korting is de productprijs € 31,85 exclusief btw. [gedaagde] heeft twee stuks van dit product besteld. Dat is samen € 63,70 exclusief btw. Daar telt de kantonrechter de afvalfondsafdracht van € 0,24 op de factuur bij op. Dan wordt het bedrag € 63,94 exclusief btw. Uit de factuur blijkt dat [gedaagde] 21% btw moet betalen. Het totaalbedrag inclusief btw is € 77,37 (€ 63,94 x 1,21). Dat is het bedrag dat [eiseres] op de factuur van 21 november 2024 bij [gedaagde] in rekening mocht brengen.
[gedaagde] heeft recht op een korting van 2% op alle producten op alle facturen
3.4.
[gedaagde] voert ook aan dat [eiseres] op sommige artikelen geen 2% korting heeft toegepast. Volgens [gedaagde] had [eiseres] dit wel moeten doen, omdat [gedaagde] de artikelen na de bestelling zelf heeft opgehaald. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit standpunt klopt. [gedaagde] heeft een e-mail van [eiseres] ingediend waaruit blijkt dat [eiseres] op een factuur 2% korting heeft toegepast, nadat [gedaagde] had gemeld dat de “
2% pickup discount” niet op de factuur was verwerkt. De e-mail gaat niet over een factuur uit deze procedure, maar ondersteunt wel het standpunt van [gedaagde] . Daar komt bij dat [eiseres] op veel artikelen op de facturen uit deze procedure wel 2% korting heeft toegepast. [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom zij dat op de andere artikelen niet heeft gedaan.
3.5.
De kantonrechter heeft alle facturen gecontroleerd en uitgerekend wat [eiseres] inclusief de korting in rekening mocht brengen. Het is eigenlijk niet de taak van de kantonrechter om dit uit te rekenen. Partijen moeten dit zelf doen. De kantonrechter komt tot de volgende bedragen:
de factuur van 30 augustus 2024 wordt € 1.921,89 inclusief btw;
de factuur van 10 september 2024 wordt € 366,94 inclusief btw;
de factuur van 17 september 2024 wordt € 1.099,14 inclusief btw;
de factuur van 23 september 2024 wordt € 1.294,95 inclusief btw;
de factuur van 2 oktober 2024 wordt € 876,97 inclusief btw;
de factuur van 28 oktober 2024 blijft € 1.964,72 inclusief btw;
de factuur van 31 oktober 2024 blijft € 690,91 inclusief btw;
de factuur van 8 november 2024 wordt € 771,39 inclusief btw;
de factuur van 15 november 2024 wordt € 1.227,12 inclusief btw;
de factuur van 20 november 2024 wordt € 785,17 inclusief btw;
de factuur van 21 november 2024 wordt € 77,37 inclusief btw (zie randnummer 3.3.);
de factuur van 28 november 2024 wordt € 840,56 inclusief btw.
[eiseres] mocht € 11.917,13 inclusief btw bij [gedaagde] in rekening brengen
3.6.
De kantonrechter heeft alle bedragen onder randnummer 3.5. bij elkaar opgeteld. Het totaalbedrag is € 11.917,13 inclusief btw. Dat is het bedrag dat [eiseres] bij [gedaagde] in rekening mocht brengen. [gedaagde] is dit bedrag aan [eiseres] verschuldigd.
[gedaagde] moet nog € 3.917,13 inclusief btw aan openstaande facturen betalen
3.7.
[gedaagde] heeft op 13 maart 2025 € 5.000,- betaald en op 17 juni 2025 € 3.000,-. Die deelbetalingen komen volgens de wet in principe eerst in mindering op de verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens op de verschenen rente en ten slotte op de openstaande facturen en de lopende rente. Uit de conclusie van repliek leidt de kantonrechter af dat [eiseres] van deze wettelijke volgorde is afgeweken. Zij heeft de deelbetalingen in mindering gebracht op de openstaande facturen. De kantonrechter volgt die berekening. Dat betekent dat er nog € 3.917,13 inclusief btw aan facturen openstaat. [gedaagde] moet dit bedrag aan [eiseres] betalen.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen
3.8.
[eiseres] vordert de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Uit dit artikel volgt dat [gedaagde] de wettelijke handelsrente over de openstaande facturen verschuldigd is vanaf het moment dat de contractuele of wettelijke betalingstermijnen van de facturen zijn verstreken. Uit niets blijkt dat partijen samen een betalingstermijn hebben afgesproken. Op de facturen staat weliswaar een betalingstermijn van veertien dagen vermeld, maar dat kan ook een betalingstermijn zijn die [eiseres] eenzijdig heeft vastgesteld. Daarom geldt de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen vanaf de dag nadat [gedaagde] de factuur heeft ontvangen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] de facturen steeds op de dag na de factuurdatum heeft ontvangen.
3.9.
Volgens [eiseres] is [gedaagde] tot en met 1 juni 2025 € 903,38 aan handelsrente verschuldigd. De kantonrechter vindt de handelsrente niet op die manier toewijsbaar. [eiseres] heeft namelijk niet toegelicht hoe zij het gevorderde bedrag heeft berekend. Volgens [eiseres] maakt zij aanspraak op de handelsrente vanaf de dag dat [gedaagde] met betaling in verzuim is, maar [eiseres] heeft niet duidelijk gemaakt welke dag dat dan is. Verder gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiseres] de rente heeft berekend over het oorspronkelijke totaalbedrag van de facturen. Dat totaalbedrag is te hoog. Dat betekent dat het bedrag van € 903,38 aan handelsrente niet klopt. [gedaagde] moet wel wettelijke handelsrente betalen. De kantonrechter vermeldt in de beslissing hoe die rente moet worden berekend.
[gedaagde] moet € 1.081,95 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.10.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter moet de vordering beoordelen op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 1.806,43 is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal in overeenstemming met het Besluit een bedrag van € 1.081,95 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.11.
[gedaagde] heeft grotendeels ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Een deel van het griffierecht blijft voor rekening van [eiseres] zelf, omdat [eiseres] de deelbetaling van [gedaagde] van € 5.000,- niet heeft meegenomen in de eis in de dagvaarding en zij dit wel had moeten doen. Het griffierecht was dan lager geweest. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,93
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.478,93

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen:
I. € 3.917,13 inclusief btw aan openstaande facturen;
II. de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 11.917,13 inclusief btw vanaf de respectieve wettelijke vervaldata van de onderliggende facturen (zoals genoemd in rechtsoverweging 3.9.) tot de dag van volledige betaling, waarbij rekening moet worden gehouden met tussentijdse betalingen;
III. € 1.081,95 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.478,93, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.