ECLI:NL:RBMNE:2025:7041

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11922512 \ UE VERZ 25-310
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 RvArt. 1.4.8 Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbankenArt. 3.3.5 Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoekschrift ontslag op staande voet

Verzoeker diende een verzoekschrift in tot vernietiging van een ontslag op staande voet, maar trok dit verzoekschrift op 27 november 2025 in, kort voor de geplande mondelinge behandeling op 11 december 2025.

De verwerende partij, een stichting, stemde in met de intrekking maar vorderde vergoeding van gemaakte proceskosten en nakosten. De kantonrechter overwoog dat ondanks het ontbreken van een formeel verweerschrift, de stichting aannemelijk had gemaakt dat zij kosten had gemaakt voor het opstellen daarvan.

Op grond van artikel 289 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Procesreglement werd verzoeker als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd en veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 542,00, te voldoen binnen veertien dagen, vermeerderd met eventuele kosten van betekening.

Uitkomst: Verzoeker wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 542,00 na intrekking van het verzoekschrift.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11922512 \ UE VERZ 25-310 MS/1270
Beschikking van 17 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J. Brouwer,
tegen
STICHTING [naam stichting],
gevestigd te Zeist,
verwerende partij,
hierna te noemen: [naam stichting] ,
gemachtigde: mr. J.G.M. Rijksen.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoekschrift tot - kort gezegd - vernietiging van een ontslag op staande voet ingediend, dat op 13 oktober 2025 door de griffie is ontvangen. De mondelinge behandeling van dit verzoek zou op 11 december 2025 plaatsvinden.
1.2.
[verzoeker] heeft de kantonrechter in een e-mail van 27 november 2025 bericht dat hij het verzoekschrift intrekt.
1.3.
[naam stichting] heeft in een brief van 2 december 2025 laten weten dat zij instemt met intrekking van het verzoekschrift, maar aanspraak maakt op vergoeding van inmiddels gemaakte proceskosten en van eventuele nakosten.
1.4.
[verzoeker] heeft hier in een e-mail van 2 december 2025 op gereageerd, waarna [naam stichting] in een e-mail van 4 december 2025 nog heeft gereageerd.
1.5.
De griffier heeft partijen in een e-mail van 8 december 2025 laten weten dat de mondelinge behandeling geen doorgang zal vinden en dat schriftelijk op het verzoek tot vergoeding van de gemaakte proceskosten zal worden beslist.
1.6.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1.
[verzoeker] heeft het verzoekschrift ingetrokken, zodat alleen hoeft te worden beslist op de door [naam stichting] verzochte proceskostenveroordeling.
2.2.
Artikel 1.4.8. van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter (hierna: het Procesreglement) bepaalt het volgende:
“Zolang nog niet op het verzoekschrift is beslist, kan het verzoek worden ingetrokken. Als bij het verweer om een kostenveroordeling is gevraagd en dat verzoek na de intrekking wordt gehandhaafd, beslist de rechter op dat verzoek. (…)”
2.3.
De kantonrechter stelt vast dat in dit geval niet strikt aan de voorwaarde van artikel 1.4.8 van het Procesreglement is voldaan, omdat [naam stichting] nog geen verweerschrift had ingediend.
2.4.
Op grond van (de wetsgeschiedenis van) artikel 289 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kantonrechter echter ook ambtshalve een proceskostenveroordeling uitspreken. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervoor voldoende aanleiding. [naam stichting] heeft namelijk gesteld dat zij de kosten voor het opstellen van een verweerschrift al heeft gemaakt, omdat het verzoekschrift een paar dagen voor de uiterste termijn voor indiening van het verweerschrift is ingetrokken. De kantonrechter vindt dit voldoende aannemelijk, omdat het verzoekschrift 14 dagen voor de geplande mondelinge behandeling is ingetrokken en het verweerschrift op grond van artikel 3.3.5 van het Procesreglement uiterlijk 10 kalenderdagen voor de mondelinge behandeling moest worden ingediend.
2.5.
Nu [verzoeker] zijn verzoekschrift om hem moverende redenen heeft ingetrokken, geldt hij als de in het ongelijk gestelde partij en zal hij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam stichting] worden begroot op € 407,00 voor salaris gemachtigde (50% x tarief € 814,00, nu het niet tot een mondelinge behandeling is gekomen) en € 135,00 aan nakosten.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 542,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.