ECLI:NL:RBMNE:2025:7043

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11750701 \ AC EXPL 25-1468
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens geluidsoverlast door onder bewind gestelde huurder

In deze zaak vordert de Stichting Woningcorporatie Het Gooi en Omstreken (hierna: G&O) de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning van de heer [onderbewindgestelde] vanwege aanhoudende (geluids)overlast. De huurovereenkomst is sinds 4 november 2015 van kracht en de huurachterstand bedraagt op het moment van dagvaarden € 1.411,90. G&O stelt dat de onder bewind gestelde huurder sinds 2022 ernstige overlast veroorzaakt, waaronder luid geschreeuw, stankoverlast en het plaatsen van afval in gemeenschappelijke ruimtes. De kantonrechter heeft op 17 december 2025 uitspraak gedaan en de vorderingen van G&O toegewezen. De kantonrechter oordeelt dat de overlast van voldoende gewicht is om de huurovereenkomst te ontbinden, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de onder bewind gestelde huurder. De kantonrechter heeft de ontruimingstermijn vastgesteld op twee maanden en G&O is gerechtigd om huur en gebruiksvergoeding te vorderen tot de ontruiming heeft plaatsgevonden. Tevens is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van G&O.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11750701 \ AC EXPL 25-1468 VL/58599
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
STICHTING WONINGCORPORATIE HET GOOI EN OMSTREKEN,t.h.o.d.n. G&O,
gevestigd te Hilversum,
eisende partij,
hierna te noemen: G&O,
gemachtigde: mr. M. Jansen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan
[onderbewindgestelde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T.E. van der Bent.

1.De procedure

1.1.
G&O heeft [gedaagde] op 28 mei 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft op 31 juli 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. Vervolgens heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling bepaald.
Op 24 en 30 oktober 2025 heeft G&O aanvullende producties inclusief een USB-stick overgelegd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 5 november 2025 plaatsgevonden. Namens G&O was de heer [A] , woonconsulent, aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Jansen. De heer [onderbewindgestelde] was aanwezig, vergezeld door zijn partner, mevrouw [B] . Namens [gedaagde] was de heer [C] aanwezig, bijgestaan door mr. Van der Bent. Verder waren aanwezig de heer [D] , wijkbeheerder bij G&O, mevrouw [E] , maatschappelijk werkster bij De Waag en een kantoorgenoot van mr. Jansen. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en hebben hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken.
1.3.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling geprobeerd onderling tot overeenstemming te komen, maar hadden hier meer tijd voor nodig. De kantonrechter heeft daarom het wijzen van vonnis aangehouden en bepaald dat G&O zich op 19 november 2025 per akte mocht uitlaten over het verdere verloop van de procedure. Bij bericht van 12 november 2025 heeft G&O aan de rechtbank bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en heeft zij de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen. De kantonrechter heeft daarom bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
G&O verhuurt sinds 4 november 2015 de woning aan de [adres] in [plaats] aan de heer [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde] ) voor thans € 839,58 inclusief servicekosten per maand. Dit betreft een appartement in een appartementencomplex. Volgens G&O veroorzaakt [onderbewindgestelde] sinds 2022 aanhoudende (geluids)overlast, gedraagt hij zich intimiderend naar omwonenden en plaatst hij afval in de algemene ruimten. Daarbij heeft [onderbewindgestelde] op het moment van dagvaarden een huurachterstand van € 1.411,90. G&O wil dat [onderbewindgestelde] de huurachterstand betaalt, dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [onderbewindgestelde] de woning ontruimt.
[onderbewindgestelde] is het hier niet mee eens. Volgens hem veroorzaakt hij geen overlast en daarnaast is hij op de goede weg; hij accepteert hulp en heeft de woning nodig om zijn uit huis geplaatste kinderen weer terug te krijgen. De kantonrechter wijst de vorderingen van G&O toe.

3.De beoordeling

[gedaagde] is de formele partij - [onderbewindgestelde] is de materiële partij
3.1.
Omdat de goederen die (zullen) toebehoren aan [onderbewindgestelde] sinds 7 mei 205 onder bewind staan van [gedaagde] , treedt [gedaagde] als formele procespartij op ten behoeve van [onderbewindgestelde] . [onderbewindgestelde] wordt als materiële partij aangemerkt. [1]
[gedaagde] moet de huurachterstand betalen
3.2.
G&O vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.411,90 aan huurachterstand, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van elke termijn tot het moment dat het volledige bedrag is betaald. [gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand niet meer betwist. Evenmin is hij opgekomen tegen de daarover gevorderde wettelijke rente. Deze vorderingen wijst de kantonrechter toe.
[onderbewindgestelde] heeft zich niet als goed huurder gedragen
3.3.
G&O stelt dat [onderbewindgestelde] zich niet als goed huurder heeft gedragen, omdat hij sinds 2022 structurele ernstige (geluids)overlast veroorzaakt. De (geluids)overlast bestaat onder meer uit luid geschreeuw in de woning, slaan met deuren, het draaien van luide muziek, geluidsoverlast door klus-geluiden en stankoverlast door het plaatsen van vuilnis in de galerij. Deze overlast onderbouwt G&O niet alleen met tientallen geanonimiseerde getuigenverklaringen van negen [2] verschillende huurders van G&O (hierna te noemen: de omwonenden) in de periode van januari 2022 tot en met oktober 2025, maar ook met van hen ontvangen audio- en beeldmateriaal. Deze omwonenden hebben aangegeven voor
[onderbewindgestelde] anoniem te willen blijven. [gedaagde] ontkent dat
[onderbewindgestelde] ernstige en structurele overlast veroorzaakt. Volgens haar kan dit niet objectief worden vastgesteld, omdat dit alleen is gebaseerd op anonieme meldingen.
3.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft G&O toegelicht dat de personen van wie zij overlastmeldingen heeft ontvangen, huurders van haar zijn die in hetzelfde appartementencomplex wonen alwaar [onderbewindgestelde] woont. De door G&O overgelegde overlastmeldingen van de omwonenden zijn veelal redelijk specifiek en onderling consistent en zij onderbouwen de stelling van G&O dat de omwonenden gedurende lange tijd met ernstige door [onderbewindgestelde] veroorzaakte (geluids)overlast zijn geconfronteerd. De klachten, hoewel geanonimiseerd, komen de kantonrechter authentiek voor en lijken niet op elkaar afgestemd. De meldingen zijn niet anoniem bij G&O binnengekomen; G&O heeft de meldingen geanonimiseerd en gecategoriseerd door een ieder van de verschillende personen een eigen letter te geven (A t/m I). Hieruit blijkt dat het gaat om negen verschillende personen en uit de verklaringen blijkt dat deze personen allen omwonenden zijn van [onderbewindgestelde] . Deze overlastmeldingen worden ondersteund met het audio- en beeldmateriaal dat G&O van deze omwonenden heeft ontvangen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat deze geanonimiseerde overlastmeldingen betrouwbaar zijn en gebruikt kunnen worden als onderbouwing voor de stelling van G&O dat [onderbewindgestelde] structureel ernstige overlast veroorzaakt.
3.5.
Zes verschillende klagers hebben verklaard dat zij geluidsoverlast ervaren. Deze geluidsoverlast bestaat uit het horen van ruzies in de woning van [onderbewindgestelde] , waarbij hard wordt geschreeuwd en deuren worden dichtgeslagen. Daarnaast bestaat de geluidsoverlast volgens hen uit klusgeluiden, waaronder langdurig boren. Eén van de klagers heeft daarbij als voorbeeld onderstaande foto toegevoegd van de galerij vóór de woning van [onderbewindgestelde] alwaar door [onderbewindgestelde] een werkblad aan de balustrade is bevestigd en klusmateriaal in de galerij is geplaatst. Met dit werkblad en/of dit klusmateriaal verspert [onderbewindgestelde] de doorgang in de galerij en het is aannemelijk dat wanneer vanaf deze galerij geklust wordt, dit geluid ver doorklinkt.
AFBEELDING VERWIJDERD I.V.M. HERLEIDBAARHEID
3.6.
Daarnaast bestaat de geluidsoverlast volgens de meldingen uit het draaien van harde muziek in de woning van [onderbewindgestelde] . Eén van de klagers heeft geluidsfragmenten overgelegd waarop te horen is dat muziek wordt gedraaid, dat in de woning van deze klager hoorbaar is als gedril. Vier van deze zes klagers hebben verklaard dat de geluidsoverlast zich ook ’s avonds en/of in de nacht voordoet. De klagers verklaarden dat [onderbewindgestelde] niet aanspreekbaar is op zijn gedrag en één van hen verklaarde dat [onderbewindgestelde] bij hem/haar aan de deur is geweest en zich intimiderend heeft gedragen met als gevolg dat deze klager zich onveilig voelt. Op 4 september 2023 is de politie langs geweest bij de [locatie] vanwege een dreigende situatie en onder meer geluidsoverlast. [3] Verder hebben vier klagers verklaard dat zij last hebben van stankoverlast doordat [onderbewindgestelde] zijn afval langere tijd op de gemeenschappelijke galerij zet en hebben twee melders geklaagd dat [onderbewindgestelde] zijn elektrische auto oplaadt met een snoer vanuit zijn woning, waardoor de gemeenschappelijke toegangsdeur niet dicht kon. Alle klachten vormen tezamen meer dan dertig meldingen over een periode van ruim 3,5 jaar.
3.7.
De kantonrechter is van oordeel dat op basis van deze meldingen is komen vast te staan dat [onderbewindgestelde] structurele en ernstige overlast heeft veroorzaakt. Daardoor heeft hij zich niet als goed huurder gedragen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
3.8.
G&O vordert dat de huurovereenkomst tussen haar en [onderbewindgestelde] wordt ontbonden vanwege de door hem veroorzaakte (geluids)overlast. [gedaagde] stelt dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is vanwege het grote belang dat [onderbewindgestelde] en de zijnen hebben bij behoud van de woning. Zij voert verder aan dat de kinderen van [onderbewindgestelde] uit huis zijn geplaatst en het lastiger zal worden om hen terug te krijgen als hij geen woning heeft. De kantonrechter wijst de gevorderde ontbinding toe en overweegt hiertoe als volgt.
3.9.
Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, en alle overige omstandigheden van het geval deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Er moet sprake zijn van een tekortkoming van voldoende gewicht. [4]
3.10.
De kantonrechter is van oordeel dat de (geluids)overlast, zoals omschreven onder 3.5. en 3.6. en als blijkt uit alle door G&O overgelegde meldingen van de omwonenden en het door hen overgelegde audio- en beeldmateriaal, gelet op de ernst, de frequentie, de intensiteit en de al langer durende periode van de overlast een zeer ernstige tekortkoming van [onderbewindgestelde] oplevert. Deze tekortkoming is van zodanig gewicht dat het de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, ondanks het persoonlijke belang van [onderbewindgestelde] en de zijnen om in de woning te mogen blijven wonen. Hierbij heeft kantonrechter in aanmerking genomen dat uit de processtukken en producties waarnaar G&O heeft verwezen blijkt, dat G&O [onderbewindgestelde] tevergeefs op verschillende momenten in de afgelopen jaren heeft aangesproken op zijn overlast veroorzakend gedrag met als doel dat [onderbewindgestelde] dat gedrag zou staken zodat hij met zijn gezin in de woning kon blijven wonen. G&O heeft vervolgens ook een oplossing aangedragen in de vorm van een aanbod om te verhuizen naar een andere passende woonruimte binnen de gemeente die
[onderbewindgestelde] van een zorgpartij zou huren met afspraken over zijn gedrag en het accepteren van hulp en zorg, met als doel dat de omwonende huurders van G&O geen last meer van [onderbewindgestelde] zouden hebben en [onderbewindgestelde] met zijn gezin een ander onderkomen kon krijgen, maar [onderbewindgestelde] is daarop niet ingegaan. G&O heeft zich dan ook voldoende voor de belangen van [onderbewindgestelde] en de zijnen ingespannen. Van haar kan niet meer verwacht worden de huurovereenkomst voort te laten bestaan. Dit geldt te meer nu zij nog steeds overlastmeldingen over [onderbewindgestelde] blijft ontvangen van de omwonenden. G&O moet ook waken voor de belangen van haar overige huurders die jarenlang overlast van [onderbewindgestelde] (hebben) ervaren. Gelet op het voormelde ziet de kantonrechter dan ook geen aanleiding om [onderbewindgestelde] een gedragsaanwijzing op te leggen met instandlating van de huurovereenkomst. Dat [onderbewindgestelde] baat heeft bij zijn huidige (medische en psychische) behandeling en op dit moment positieve verandering in zijn gedrag ervaart, is voor hem en zijn gezin zeker een stap in de goede richting, maar legt wat betreft de vraag of de huurovereenkomst wel of niet ontbonden moet worden geen gewicht in de schaal in het voordeel van [onderbewindgestelde] . [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning tot een acute noodsituatie zal leiden, maar deze stelling is niet met (medische) stukken onderbouwd. Ook uit de tijdens de mondelinge behandeling door de maatschappelijk werkster van
[onderbewindgestelde] gegeven toelichting, blijkt daar niet van.
3.11.
[gedaagde] stelt dat de kinderen van [onderbewindgestelde] uit huis zijn geplaatst en het lastiger zal zijn om hen weer terug te krijgen als hij geen woning heeft. Het staat echter niet vast dat zijn kinderen zullen worden teruggeplaatst. De kinderen hebben op dit moment elders onderdak, dus zij zullen niet dakloos worden bij ontbinding van de huurovereenkomst. Maar ook als de kinderen inmiddels wel weer bij [onderbewindgestelde] zouden wonen, dan zou ontbinding van de huurovereenkomst naar het oordeel van de kantonrechter gerechtvaardigd zijn. Weliswaar is het voor de kinderen ingrijpend om de woning op korte termijn te moeten verlaten, maar het belang van G&O om de woning te verhuren aan een huurder die geen ernstige overlast voor de andere huurders van G&O veroorzaakt weegt zwaarder dan de belangen van [onderbewindgestelde] en de zijnen. De ouders van minderjarige kinderen zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind(eren) zoveel mogelijk te beperken. De mogelijkheid bestaat om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat een kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. [gedaagde] heeft echter niet gesteld dat [onderbewindgestelde] bij ontruiming geen
– tijdelijke – vervangende woonruimte kan vinden, bijvoorbeeld bij familieleden. De kantonrechter vindt het daarom niet aannemelijk dat bij toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming er geen andere woonruimte in beeld komt voor de kinderen en dat dan een acute noodsituatie voor hen dreigt.
3.12.
De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst tussen G&O en [onderbewindgestelde] per vandaag.
[onderbewindgestelde] moet de woning ontruimen en verlaten
3.13.
Aangezien de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt, zal [onderbewindgestelde] de woning moeten ontruimen. G&O vordert oorspronkelijk een ontruimingstermijn van zeven dagen, maar zij heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij akkoord is met een ontruimingstermijn van twee maanden. De kantonrechter stelt de ontruimingstermijn daarom vast op twee maanden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de ontruimingstermijn op een periode van drie maanden te stellen zoals [gedaagde] heeft verzocht.
3.14.
[gedaagde] wordt als formele procespartij en enkel in haar hoedanigheid van bewindvoerder tot ontruiming van de woning veroordeeld. [onderbewindgestelde] moet als materiële procespartij de daadwerkelijke ontruiming van de woning voor zijn rekening te nemen.
[gedaagde] moet de huur/een gebruiksvergoeding betalen totdat de woning is ontruimd
3.15.
G&O vordert betaling van € 839,58 per maand vanaf 1 juni 2025 tot het moment dat [onderbewindgestelde] de woning heeft ontruimd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot het moment dat het volledige bedrag is betaald. Deze vordering wijst de kantonrechter toe. Tot het moment dat de huurovereenkomst is ontbonden is [onderbewindgestelde] maandelijks de huurprijs verschuldigd en in de periode tussen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde is [onderbewindgestelde] maandelijks een gebruiksvergoeding ter hoogte van de huurprijs verschuldigd. [5] Hierbij geldt dat een ingegane maand als volle maand mag worden gerekend. De kantonrechter bepaalt dat de maandelijkse gebruiksvergoeding net als de maandelijks huurprijs bij voorruitbetaling verschuldigd is. [gedaagde] zal de huurprijs en de gebruiksvergoeding uit het vermogen van [onderbewindgestelde] aan G&O moeten betalen.
3.16.
Bij de executie van dit vonnis dient G&O uiteraard rekening te houden met alle betalingen die zij van [gedaagde] en/of [onderbewindgestelde] heeft ontvangen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld. Zij wordt daarom in de kosten veroordeeld. [6] Dit betekent dat zij haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van G&O aan haar moet betalen. De proceskosten van G&O worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
994,47
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.18.
G&O vordert dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat G&O het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] / [onderbewindgestelde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [onderbewindgestelde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van G&O om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn genoemd onder 3.10. en 3.11. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van G&O zwaarder wegen dan de belangen van [onderbewindgestelde] . Daarom wordt het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [gedaagde] / [onderbewindgestelde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de tussen [onderbewindgestelde] en G&O bestaande huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] in [plaats] per vandaag,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om de woning binnen twee maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan [onderbewindgestelde] toebehoren en niet aan G&O, en om deze woning met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van G&O te stellen,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om uit het vermogen van [onderbewindgestelde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan G&O te betalen:
  • € 1.411,90 aan huurachterstand berekend tot en met 28 mei 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vervaldag van elke termijn tot aan de dag dat het volledige bedrag is betaald,
  • € 839,58 per maand, voor elke ingegane maand dat [onderbewindgestelde] de woning onder zich houdt, vanaf 1 juni 2025 tot het moment van ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden tot het moment dat het volledige bedrag is betaald,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; zij moet uit het vermogen van [onderbewindgestelde] de proceskosten van G&O van € 994,47 aan G&O betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Voetnoten

1.Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2014:525).
2.Van wie twee inmiddels zijn verhuisd.
3.Productie 5 van G&O.
4.Zie artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek (BW) en de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810).
5.Zie artikel 7:225 BW.
6.Zie artikel 237 lid 1, eerste volzin, Rv.