Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.de vennootschap naar buitenlands recht
[handelsnaam eiseres sub 1] SE,
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond van het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
17 juni 2026;
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele bodemprocedure hebben eiseres sub 1 en eiseres sub 2 tussentijds hoger beroep gevraagd tegen een deelgeschilbeschikking van 9 april 2025. Deze beschikking betrof de aansprakelijkheid van eiseres sub 2 als werkgever voor blijvend letsel van gedaagde na een val tijdens een bedrijfsuitje met een elektrische step.
De deelgeschilrechter had geoordeeld dat het bedrijfsuitje onder de reikwijdte van artikel 7:658 BW Pro valt en dat eiseres sub 2 haar zorgplicht niet is nagekomen, waardoor zij aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeluk. Tevens is bepaald dat eiseres sub 1 de uitkering rechtstreeks aan gedaagde moet betalen. De kosten van het deelgeschil zijn begroot op € 10.254,00.
De kantonrechter toetste het verzoek om verlof voor tussentijds hoger beroep aan de wettelijke criteria, waaronder de status van de deelgeschilbeschikking als tussenvonnis en de vraag of er een bindende beslissing over de materiële rechtsverhouding is genomen. Ook werd beoordeeld of het verzoek tijdig was ingediend en of het hoger beroep niet tot onredelijke vertraging leidt.
De kantonrechter concludeerde dat aan alle voorwaarden is voldaan, dat het verzoek tijdig is gedaan en dat het hoger beroep niet leidt tot onredelijke vertraging. Het verlof werd daarom verleend, waarbij de kantonrechter tevens verwees naar een roldatum over zes maanden voor verdere procedurele afhandeling.
Uitkomst: Verlof voor tussentijds hoger beroep tegen deelgeschilbeschikking wordt verleend en zaak verwezen naar rolzitting over zes maanden.