ECLI:NL:RBMNE:2025:7047

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
C/16/602555 / KL ZA 25-290
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot hervatting en afronding van bouwwerkzaamheden in kort geding

In deze zaak heeft eiser sub 1, vertegenwoordigd door mr. P.M. Jongeling, een kort geding aangespannen tegen gedaagde B.V., vertegenwoordigd door mr. D. Talsma, met als doel de hervatting en afronding van bouwwerkzaamheden aan woningen. De partijen hebben in juni 2023 een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een vrijstaande woning en een mantelzorgwoning. Gedaagde heeft de werkzaamheden halverwege juli 2025 stilgelegd, wat heeft geleid tot de vordering van eiser sub 1 om de werkzaamheden te hervatten en af te ronden op uiterlijk 1 februari 2026, met een dwangsom als drukmiddel. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er een spoedeisend belang is voor eiser sub 1, aangezien hij en zijn ouders momenteel geen toegang hebben tot de woningen. De rechter heeft echter vastgesteld dat er geen harde opleverdatum in de aannemingsovereenkomst is opgenomen en dat de vertragingen grotendeels niet aan gedaagde te wijten zijn. De voorzieningenrechter heeft besloten dat gedaagde de werkzaamheden uiterlijk op 1 mei 2026 moet afronden, met een dwangsom van € 1.000,- per dag voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, tot een maximum van € 75.000,-. Eiser sub 1 heeft recht op de voortvarende afronding van de werkzaamheden, maar de rechter heeft de eis voor oplevering op 1 februari 2026 afgewezen, gezien de omstandigheden rondom de bouwstop en de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/602555 / KL ZA 25-290
Vonnis in kort geding van 18 december 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1]

te [woonplaats] ,
2.
[eiseres sub 2]
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] ,
advocaat: mr. P.M. Jongeling,
tegen
[gedaagde] B.V.
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. D. Talsma.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 27
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 25
- de akte overlegging producties van [eiser sub 1] met producties 1 tot en met 11
- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser sub 1]
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] en [eiser sub 1] hebben in juni 2023 een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een vrijstaande woning en een mantelzorgwoning door [gedaagde] . [gedaagde] heeft halverwege juli 2025 de werkzaamheden stilgelegd. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] veroordelen om de werkzaamheden binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te hervatten en af te ronden op 1 mei 2026 op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3. De beoordeling
Reconventionele vorderingen zijn te laat ingediend
3.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangekondigd reconventionele vorderingen te willen instellen. Deze staan opgenomen in de voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling overgelegde en voorgedragen pleitnota. De voorzieningenrechter heeft laten weten de reconventionele vorderingen niet toe te laten. [gedaagde] had deze vorderingen op grond van het procesreglement uiterlijk 24 uur vóór de mondelinge behandeling aan [eiser sub 1] en de voorzieningenrechter moeten toesturen. Nu zij dat niet op tijd heeft gedaan en [eiser sub 1] hiertegen bezwaar heeft gemaakt, brengt de goede procesorde met zich dat deze vorderingen buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Er is een spoedeisend belang
3.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser sub 1] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit het geval is. [eiser sub 1] kan de woningen (een woonhuis voor [eiser sub 1] en een separate mantelzorgwoning voor de ouders van [eiser sub 1] ) nog steeds niet betrekken. [eiser sub 1] huurt een woning en de ouders van [eiser sub 1] verblijven noodgedwongen elders. [eiser sub 1] heeft dan ook belang bij een spoedige voorziening. Het verweer van [gedaagde] dat een spoedeisend belang ontbreekt, wordt verworpen.
Toetsingskader in kort geding3.3. De wet gaat ervan uit dat er na de kortgedingprocedure nog een gewone rechtszaak zal komen, een zogeheten bodemprocedure. Een kortgedingprocedure loopt daarop vooruit. De voorzieningenrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen van [eiser sub 1] in die bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt verder dat in deze kortgedingprocedure geen plaats is voor bewijslevering.
Standpunten partijen3.4. [eiser sub 1] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de bouwwerkzaamheden conform de aannemingsovereenkomst voort te zetten en deze uiterlijk op 1 februari 2026 af te ronden op straffe van een dwangsom. Met afronden bedoelt [eiser sub 1] : opleveren. Aanvankelijk vorderde [eiser sub 1] ook om deze werkzaamheden conform het herstelplan uit te voeren, maar [eiser sub 1] heeft dit deel van de vordering laten vervallen op de mondelinge behandeling. [eiser sub 1] stelt dat [gedaagde] heeft toegezegd dat het werk op 1 april 2025 zou zijn afgerond en daarmee opgeleverd. Hieraan is [gedaagde] herinnerd door een e-mail van [eiser sub 1] aan [gedaagde] van 28 januari 2025. Daarnaast is op 10 juni 2025 aan [gedaagde] een ingebrekestelling gestuurd, waarin hem een termijn tot 15 augustus 2025 is gegeven. Op 16 oktober 2025 is [gedaagde] opnieuw in gebreke gesteld en een termijn gegeven van 5 dagen om te bevestigen dat uiterlijk 3 november 2025 het werk zou worden hervat, en op 1 februari 2026 moet zijn afgerond.
3.5.
Volgens [gedaagde] is bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst geen termijn voor de oplevering van de werkzaamheden afgesproken. Zij betwist dat zij op een later moment 1 april 2025 als opleverdatum heeft toegezegd. [gedaagde] heeft voor het sluiten van de aannemingsovereenkomst slechts een indicatie gegeven van de duur van de bouwwerkzaamheden; zij heeft dat in december 2023 opnieuw gedaan. Bij de afbouw van de woningen is echter een vertraging in de termijn ontstaan. Dat is volgens [gedaagde] niet aan haar te verwijten, maar komt voor een groot deel door een door de gemeente in juli 2024 opgelegde en maandenlang durende bouwstop. Verder heeft [eiser sub 1] begin 2025 enige facturen onbetaald gelaten waardoor [gedaagde] het werk tijdelijk heeft opgeschort. Volgens [gedaagde] heeft [eiser sub 1] bovendien de door hem te regelen nutsvoorziening (aansluitingen op stroom en water), die noodzakelijk was voor de uitvoering van de werkzaamheden, niet blijvend geregeld. Daardoor kon zij vanaf juli 2025 haar werkzaamheden niet meer uitvoeren. Al deze omstandigheden maken dat het op dit moment feitelijk niet mogelijk is om uiterlijk op 1 februari 2026 alle werkzaamheden afgerond te hebben. Dat heeft mede te maken met het aantal en de omvang van de werkzaamheden die nog verricht moeten worden. Een groot deel daarvan kan volgens [gedaagde] pas worden gedaan nadat een eigen nutsvoorziening in de woning is gerealiseerd en die kan pas worden aangesloten als de cementdekvloer in de woning is gelegd. Het leggen van die dekvloer kan volgens [gedaagde] pas in de tweede of derde week van januari 2026 plaatsvinden omdat dan pas haar onderaannemer [onderneming] beschikbaar is. [gedaagde] wil de werkzaamheden afronden en laat weten daarvoor nog circa vier tot vijf maanden de tijd nodig te hebben.
Kernvraag
3.6.
De kernvraag die moet worden beantwoord is of voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiser sub 1] recht heeft op voltooiing van de werkzaamheden en oplevering van de woningen op uiterlijk 1 februari 2026.
De voorzieningenrechter gaat niet mee met een opleverdatum van 1 februari 2026
3.7.
Vast staat dat in de aannemingsovereenkomst geen datum voor oplevering is bepaald. De voorzieningenrechter volgt [eiser sub 1] niet in zijn stelling dat [gedaagde] heeft toegezegd dat het werk uiterlijk op 1 april 2025 zou worden afgerond. [gedaagde] betwist dit en dit kan ook niet uit de overgelegde correspondentie tussen partijen worden afgeleid. Die toezegging volgt in ieder geval niet uit de enkele mededeling in een e-mail van [eiser sub 1] aan [gedaagde] van 28 januari 2025, inhoudende dat hij niet de indruk krijgt “dat de door jou nieuwe gegarandeerde opleveringstermijn van 1 april 2025 gehaald zou worden”. Wanneer die toezegging zou zijn gedaan, heeft [eiser sub 1] niet duidelijk gemaakt. Die mededeling volgt bovendien op een tekst waarin [eiser sub 1] meldt dat de woningen al “niet conform de aangegeven termijn van tien maanden (zijn) opgeleverd”. Daarmee lijkt [eiser sub 1] te suggereren dat de eerste termijn die [gedaagde] heeft genoemd al een harde oplevertermijn was. Maar daar is de voorzieningenrechter het niet mee eens. [gedaagde] heeft voor het sluiten van de aannemingsovereenkomst een termijn genoemd, bij e-mail van 10 mei 2023. Daarin staat dat de productie van de woningen een termijn van vijf (werkbare) maanden in beslag neemt en dat, ná de montage, beide woningen in ongeveer vijf maanden worden afgebouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangegeven dat de montage zelf enkele weken duurt. Met de in mei 2023 genoemde termijn heeft [gedaagde] , naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, slechts een indicatieve termijn voor oplevering gegeven van ongeveer een jaar. Dat deed [gedaagde] opnieuw bij e-mail van 4 december 2023, toen zij aan [eiser sub 1] schreef dat de oplevering “naar verwachting voor de bouwvak” (van 2024) kon plaatsvinden, maar daarbij uitdrukkelijk meldde dat dit haar “voorlopige planning” was, omdat weersomstandigheden uitloop konden meebrengen en dat was volgens haar vooraf moeilijk in te schatten. Het komt de voorzieningenrechter niet waarschijnlijk voor dat [gedaagde] ergens in 2024 of begin 2025 wel een harde opleverdatum van 1 april 2025 heeft gegeven. Dat geldt temeer omdat partijen eind juli 2024, ten tijde van de bouwvak, werden geconfronteerd met een bouwstop die pas eind december 2024 is opgeheven. Daarnaast speelde dat [gedaagde] begin 2025 haar werkzaamheden enige tijd heeft opgeschort vanwege openstaande facturen. [gedaagde] heeft op 7 februari 2025 aan [eiser sub 1] laten weten de betalingen te hebben ontvangen en het werk weer opnieuw in te zullen plannen. Ook deze omstandigheden leiden ertoe dat de voorzieningenrechter niet meegaat met het standpunt van [eiser sub 1] dat als opleverdatum 1 april 2025 gold.
3.8.
De vraag is vervolgens of gelet op het sturen van de ingebrekestellingen 1 februari 2026 als redelijke termijn moet worden aangemerkt voor nakoming. Gelet op het verloop van de bouwwerkzaamheden en rekening houdende met omstandigheden die niet voor rekening van [gedaagde] komen, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [eiser sub 1] niet van [gedaagde] kan verlangen dat zij uiterlijk op 1 februari 2026 oplevert. Dat [eiser sub 1] ingebrekestellingen heeft gestuurd maakt dit niet anders. Dit wordt hierna uitgelegd.
3.9.
Ten eerste speelt een rol dat, nadat de bouwwerkzaamheden omstreeks december 2023 zijn aangevangen, op 31 juli 2024 een bouwstop werd opgelegd die pas eind december 2024 werd opgeheven. [gedaagde] kon niet direct in januari 2025 de werkzaamheden hervatten omdat zij geen onderaannemers kon regelen voor de uitvoering van het werk. Dit blijkt uit de brief van 29 januari 2025 van [gedaagde] aan [eiser sub 1] . De voorzieningenrechter is het met [eiser sub 1] eens dat de beschikbaarheid van personeel onder het ondernemingsrisico van [gedaagde] valt. Alleen in dit geval was lange tijd onduidelijk wanneer de bouwstop zou eindigen en kon [gedaagde] niet anticiperen op het tijdig inschakelen van personeel. Dat er dus ook na de bouwstop enige vertraging is ontstaan, is niet aan [gedaagde] te wijten. Verder staat vast dat eind januari 2025 de montage nog niet was afgerond en het werk zeker tot 7 februari 2025 stil heeft gelegen omdat [gedaagde] haar werkzaamheden had opgeschort vanwege openstaande facturen. Het valt in dit kort geding niet vast te stellen of die opschorting al dan niet terecht was. Gelet op de in mei 2023 door [gedaagde] genoemde indicatieve termijn, die uitging van vijf werkbare maanden na de montage om de woningen af te bouwen, kon in redelijkheid niet van [gedaagde] worden verlangd dat zij 15 augustus 2025 haar werkzaamheden zou hebben afgerond, zoals op 10 juni 2025 in de ingebrekestelling is vermeld. Dat geldt temeer omdat [gedaagde] begin juli 2025 haar werkzaamheden opnieuw heeft moeten staken omdat de voor het werk noodzakelijke nutsvoorzieningen niet meer beschikbaar werden gesteld door [eiser sub 1] .
3.10.
Wat de nutsvoorzieningen betreft, geldt het volgende. Uit de aannemingsovereenkomst in combinatie met de algemene voorwaarden blijkt dat [eiser sub 1] verantwoordelijk is voor het beschikbaar stellen van nutsvoorzieningen aan [gedaagde] . [eiser sub 1] heeft daarvoor een bouwaansluiting aangevraagd, maar die is nooit gerealiseerd. De aanvraag ligt al enige tijd stil. In dit kort geding, waarin geen plaats is voor nadere bewijslevering, kan niet worden vastgesteld wat daarvan de reden is. Daarover geven partijen ieder een andere lezing. Het enkele feit dat [gedaagde] [eiser sub 1] heeft geholpen bij het aanvragen van die bouwaansluiting is echter onvoldoende om vast te stellen dat het niet realiseren daarvan komt door een fout of nalatigheid van [gedaagde] . Een bouwaansluiting nu nog realiseren is niet reëel, omdat dit achttien maanden zal duren.
3.11. Door het ontbreken van een bouwaansluiting gaven de buren van [eiser sub 1] aanvankelijk toestemming voor het gebruik van hun stroom en water. Toen [gedaagde] begin juli 2025 de cementdekvloer wilde leggen, waarvoor de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen essentieel is, moest zij echter onverrichterzake naar huis omdat de buren geen toestemming meer gaven voor het gebruik van hun stroom en water. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser sub 1] een beroep gedaan op een Whatsappbericht van de buren waaruit blijkt dat die ergens medio augustus 2025 aan [eiser sub 1] hebben laten weten dat zij weer bereid waren om [gedaagde] van stroom en water te voorzien. Duidelijk is toen ook geworden dat [eiser sub 1] dat bericht niet aan [gedaagde] heeft doorgestuurd. [gedaagde] was hiervan dan ook niet op de hoogte. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gaat het dan te ver om [gedaagde] vervolgens op 16 oktober 2025, als het werk dan al een paar maanden stil ligt, opnieuw een termijn te stellen en een oplevering te verlangen op 1 februari 2026 zonder daarbij kenbaar te maken dat de voor de werkzaamheden noodzakelijke stroom en water weer beschikbaar worden gesteld.
[gedaagde] moet uiterlijk 1 mei 2026 opleveren
3.12.
Op grond van de tussen partijen geldende algemene voorwaarden wordt de bouwtijd gecorrigeerd voor onwerkbare dagen en andere vertragingen die buiten de invloedssfeer van de aannemer komen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vallen de bouwstop en het gebrek aan nutsvoorzieningen daar onder. Gelet op de daardoor opgelopen vertraging is onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiser sub 1] recht heeft op oplevering of voltooiing van de werkzaamheden op uiterlijk
1 februari 2026.
3.13.
Dat neemt niet weg dat [eiser sub 1] er wel recht op heeft dat [gedaagde] alle werkzaamheden die zij op grond van de aannemingsovereenkomst nog moet verrichten, met de meeste voortvarendheid hervat en afrondt. Partijen zijn het erover eens dat dit de werkzaamheden zijn die vermeld zijn in productie 24 van [gedaagde] . [gedaagde] voert aan dat zij nog vier tot vijf maanden nodig heeft om dat werk gereed te maken en op te leveren. Daarbij wijst [gedaagde] erop dat zij pas in de tweede of derde week van januari 2026 de cementdekvloer kan leggen, waarna een eigen water- en stroomvoorziening in de woning kan worden aangelegd die zij nodig heeft voor de rest van haar werkzaamheden. Uit het overzicht van productie 24 leidt de voorzieningenrechter af dat [gedaagde] na het leggen van de cementdekvloer nog 80 werkbare dagen nodig heeft voor het binnenwerk. Op de mondelinge behandeling is echter duidelijk geworden dat een deel van het binnenwerk ook kan worden gedaan met behulp van stroom uit het door [gedaagde] geleverde aggregaat. Dat betekent dat [gedaagde] al met de binnenwerkzaamheden kan beginnen voordat de cementdekvloer is gelegd.
3.14.
Met inachtneming van het voorgaande, zal [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter per 1 mei 2026 in staat moeten zijn om al het werk genoemd in productie 24 te hebben afgerond en de woningen op te leveren. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] daar dan ook toe veroordelen. Daarbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat zolang er nog geen eigen nutsvoorzieningen in de woning zijn aangelegd, [eiser sub 1] zorg draagt voor de beschikbaarheid van water en stroom in die gevallen dat het aggregaat daarvoor niet geschikt is. De voorzieningenrechter gaat er bij de datum van 1 mei 2026 ook vanuit dat [eiser sub 1] de nog verschuldigde termijnen op tijd voldoet. De voorzieningenrechter drukt partijen, en in het bijzonder [gedaagde] , op het hart gedurende deze periode duidelijk en voortvarend te communiceren over vragen en kwesties die rijzen.
Een dwangsom wordt opgelegd
3.15.
[gedaagde] heeft sinds juli 2025 geen werkzaamheden verricht, naar zeggen van [gedaagde] , vanwege het niet aanwezig zijn van nutsvoorzieningen. Dat is maar ten dele waar. [gedaagde] had in deze periode wel ander werk kunnen verrichten waarvoor het hiervoor genoemde aggregaat voldoende was. [gedaagde] deed echter niets omdat zij zich bedreigd voelde door [eiser sub 1] . Het is niet vast te stellen of de woorden die door [eiser sub 1] zijn gebruikt, het helemaal niet op het werk verschijnen door [gedaagde] en daarmee de langdurige vertraging vanaf juli 2025 rechtvaardigen. De huidige situatie rechtvaardigt wel dat [eiser sub 1] recht heeft op de meeste voortvarendheid bij het afbouwen en opleveren van de woningen. De voorzieningenrechter zal een dwangsom opleggen die daarvoor een voldoende prikkel biedt.
3.16.
[eiser sub 1] vordert een dwangsom van € 50.000,- ineens en € 5.000,- per dag, en
€ 100.000,- bij niet tijdig voortzetten respectievelijk afronden van de bouwwerkzaamheden. Om executieproblemen te voorkomen wordt de dwangsom – anders dan gevorderd, maar wel in overeenstemming met het karakter van de vorderingen – alleen verbonden aan het niet tijdig (uiterlijk op 1 mei 2026) afronden van de werkzaamheden die genoemd staan in productie 24 van [gedaagde] . [gedaagde] heeft een beroep gedaan op matiging van de dwangsom. Daartegen heeft [eiser sub 1] geen verweer gevoerd. De voorzieningenrechter oordeelt dat een dwangsom van € 1.000,- per dag een voldoende prikkel moet zijn voor [gedaagde] om gevolg te geven aan de veroordeling; een hoger bedrag acht zij disproportioneel. Het maximum van de gevorderde dwangsom wordt gesteld op € 75.000,-.
Proceskosten
3.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 148,04
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.764,04

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de werkzaamheden als genoemd in productie 24 van [gedaagde] (aangehecht aan dit vonnis) te hervatten en al deze werkzaamheden afgerond te hebben uiterlijk 1 mei 2026,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom aan [eiser sub 1] van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat zij de in 4.1. genoemde werkzaamheden na 1 mei 2026 niet heeft afgerond, tot een maximum van € 75.000,- is bereikt,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.764,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op
18 december 2025.