Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiser sub 1]
2.
[eiseres sub 2]
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 25
- de akte overlegging producties van [eiser sub 1] met producties 1 tot en met 11
- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser sub 1]
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.De kern van de zaak
3.11. Door het ontbreken van een bouwaansluiting gaven de buren van [eiser sub 1] aanvankelijk toestemming voor het gebruik van hun stroom en water. Toen [gedaagde] begin juli 2025 de cementdekvloer wilde leggen, waarvoor de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen essentieel is, moest zij echter onverrichterzake naar huis omdat de buren geen toestemming meer gaven voor het gebruik van hun stroom en water. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser sub 1] een beroep gedaan op een Whatsappbericht van de buren waaruit blijkt dat die ergens medio augustus 2025 aan [eiser sub 1] hebben laten weten dat zij weer bereid waren om [gedaagde] van stroom en water te voorzien. Duidelijk is toen ook geworden dat [eiser sub 1] dat bericht niet aan [gedaagde] heeft doorgestuurd. [gedaagde] was hiervan dan ook niet op de hoogte. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gaat het dan te ver om [gedaagde] vervolgens op 16 oktober 2025, als het werk dan al een paar maanden stil ligt, opnieuw een termijn te stellen en een oplevering te verlangen op 1 februari 2026 zonder daarbij kenbaar te maken dat de voor de werkzaamheden noodzakelijke stroom en water weer beschikbaar worden gesteld.
1 februari 2026.
€ 100.000,- bij niet tijdig voortzetten respectievelijk afronden van de bouwwerkzaamheden. Om executieproblemen te voorkomen wordt de dwangsom – anders dan gevorderd, maar wel in overeenstemming met het karakter van de vorderingen – alleen verbonden aan het niet tijdig (uiterlijk op 1 mei 2026) afronden van de werkzaamheden die genoemd staan in productie 24 van [gedaagde] . [gedaagde] heeft een beroep gedaan op matiging van de dwangsom. Daartegen heeft [eiser sub 1] geen verweer gevoerd. De voorzieningenrechter oordeelt dat een dwangsom van € 1.000,- per dag een voldoende prikkel moet zijn voor [gedaagde] om gevolg te geven aan de veroordeling; een hoger bedrag acht zij disproportioneel. Het maximum van de gevorderde dwangsom wordt gesteld op € 75.000,-.
- kosten van de dagvaarding € 148,04
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.764,04
4.De beslissing
18 december 2025.