Art. 6:20 lid 3 AwbArt. 6:20 lid 4 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 lid 1 AwbArt. 6:12 lid 2 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij niet tijdig beslissen kinderopvangtoeslag
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag van 24 juni 2021. Verweerder heeft op 17 februari 2025 alsnog een besluit genomen en daarbij de maximale dwangsom van €1.442 toegekend. Hierdoor ontbreekt procesbelang voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het inhoudelijke besluit van 17 februari 2025. Volgens artikel 6:20 lid 3 AwbPro richt het beroep tegen het niet tijdig beslissen zich ook van rechtswege tegen het inhoudelijke besluit. De rechtbank verwijst het beroep daarom op grond van artikel 6:20 lid 4 AwbPro door naar verweerder om als bezwaar te behandelen.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, maar oordeelt dat het beroep terecht is ingesteld omdat de beslissing op bezwaar pas na indiening van het beroep is verzonden. Daarom wordt het betaalde griffierecht vergoed en wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en doorverwezen naar de bezwaarprocedure.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1797
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E. Tahitu),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 24 juni 2021 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Op 13 maart 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. [1] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
2. Verweerder heeft op 17 februari 2025 alsnog een besluit genomen op het verzoek om integrale herbeoordeling van eiseres. Dat betekent dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een beroep dat is gericht tegen het niet-tijdig beslissen. Er is immers beslist. Verweerder heeft aan haar de maximale dwangsom van € 1.442,- toegekend. Eiseres kan met deze procedure dus niets meer bereiken dan dat.
3. Eiseres heeft op 11 juni 2025 toegelicht dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 17 februari 2025. Een beroep tegen het niet-tijdig beslissen richt zich van rechtswege ook tegen het inhoudelijke besluit dat vervolgens is genomen. Dat volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om dit beroep van rechtswege niet zelf te behandelen maar, met gebruikmaking van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, door te verwijzen naar verweerder om te behandelen als bezwaar.
4. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep is echter terecht ingesteld, omdat de beslissing op bezwaar pas is verzonden na indiening van dit beroep. De rechtbank ziet daarom aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht wordt vergoed en dat eiseres in aanmerking komt voor vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
De griffier is buiten staat te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Voetnoten
1.Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.