ECLI:NL:RBMNE:2025:7067

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
C/16/601108 / KG ZA 25-525
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis in kort geding over voorschot op verdeling nalatenschap

In deze zaak, die zich afspeelt in het erfrecht, hebben de eisers, [eiser sub 1] en [eiseres sub 2], een kort geding aangespannen tegen [gedaagde] over de uitbetaling van een voorschot op de verdeling van de nalatenschap van hun overleden moeder, mevrouw [erflaatster]. De erfgenamen zijn in geschil over de verdeling van de netto verkoopopbrengst van een woning die in juni 2025 is verkocht. De netto opbrengst van de woning, die in depot is gehouden bij de notaris, bedraagt € 721.939,66. De eisers hebben een aanslag erfbelasting ontvangen en verzoeken om een uitbetaling van € 99.654,00 uit het depot om deze belasting te kunnen voldoen. De gedaagde heeft echter aangegeven alleen mee te willen werken aan de uitbetaling als er overeenstemming is over de verdeling van de nalatenschap.

Tijdens de mondelinge behandeling op 13 november 2025 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er voldoende spoedeisend belang is bij de eisers, aangezien zij de erfbelasting voor 30 november 2025 moeten voldoen. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de eisers recht hebben op een deel van de verkoopopbrengst van de woning en dat dit bedrag het gevorderde voorschot overstijgt. Daarom heeft de voorzieningenrechter de gedaagde veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de uitbetaling van het gevorderde bedrag uit het depot aan de eisers.

Daarnaast heeft de gedaagde een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld, maar de voorzieningenrechter heeft ook deze vordering toegewezen, waardoor de eisers ook moeten meewerken aan de uitbetaling aan de gedaagde. De proceskosten zijn gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken op 27 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/601108 / KG ZA 25-525
Vonnis in kort geding van 27 november 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

wonende in [woonplaats] ,
hierna: [eiser sub 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
wonende in [woonplaats] ,
hierna: [eiseres sub 2] ,
eisers in conventie,
verweerders in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaat: mr. B.S. van der Klauw, werkzaam in Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] , gemeente Vijfheerenlanden,
hierna: [gedaagde] ,
gedaagde in conventie,
eiser in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaat: mr. I. Jonker, werkzaam in Hendrik-Ido-Ambacht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties 1 t/m 10.
1.2.
Op 13 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [gedaagde] heeft een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen die zijn voorgedragen door hun advocaten. Verder hebben zij vragen beantwoord van de voorzieningenrechter. Daarna is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2.De zaak in het kort

2.1.
Partijen zijn de erfgenamen van mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster), die op [overlijdensdatum] 2021 is overleden. Zij was de moeder van [gedaagde] en de oma van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn de kinderen van [A] , de andere zoon van erflaatster, die op [overlijdensdatum] 2024 is overleden. Tot de nalatenschap van erflaatster behoorde een woning, die is verkocht en geleverd aan een derde in juni 2025. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster, die bijna geheel uit de (netto verkoopopbrengst van de) woning bestaat. Daarom hebben zij afgesproken dat de netto verkoopopbrengst van de woning van € 721.939,66 in depot wordt gehouden bij de betrokken notaris. In de depotovereenkomst die partijen met de notaris hebben gesloten, is bepaald dat de notaris alleen tot uitbetaling mag overgaan als hij “van alle partijen schriftelijk een gelijkluidende opdracht hiertoe ontvangt, waarbij beide partijen verplicht zijn aan deze opdracht zo spoedig mogelijk hun medewerking te verlenen” of “na een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan dan wel uitvoerbaar bij voorraad is verklaard”.
2.2.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben in september 2025 allebei een aanslag erfbelasting opgelegd gekregen in de nalatenschap van hun vader. Zij hebben [gedaagde] gevraagd om mee te werken aan uitbetaling van een bedrag van € 99.654,00 uit het depot aan hen om daarmee de verschuldigde erfbelasting te kunnen betalen. [gedaagde] heeft gezegd dat hij daar alleen aan wil meewerken als partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de nalatenschap van erflaatster (de netto verkoopopbrengst van de woning) of als hij eenzelfde bedrag krijgt uitbetaald. Partijen hebben schikkingsonderhandelingen gevoerd, maar dat heeft niet geleid tot overeenstemming over de verdeling en evenmin over uitbetaling van bedragen uit het depot.
2.3.
De voorzieningenrechter zal beide partijen veroordelen om mee te werken aan uitkering van een bedrag van € 99.654,00 uit het depot aan de andere partij, zoals is gevorderd, en bepalen dat dit vonnis zo nodig in de plaatst treedt van de van [gedaagde] benodigde medewerking. De proceskosten zullen worden gecompenseerd. Hierna zal de voorzieningenrechter dit toelichten.

3.De beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
3.1.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen veroordeling van [gedaagde] om medewerking te verlenen aan uitbetaling aan hen van een voorschot op de verdeling van de nalatenschap van erflaatster van in totaal € 99.654,00 uit het bij de notaris aangehouden depot.
3.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het gestelde spoedeisende belang bij toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening voldoende aannemelijk. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben aangevoerd dat zij ieder een aanslag erfbelasting hebben ontvangen van
€ 49.827,00, die zij na verkregen uitstel vóór 30 november 2025 moeten voldoen. Daarna zijn zij 7,5% rente over dat bedrag verschuldigd en kan de belastingdienst invorderingsmaatregelen treffen. Zij hebben niet voldoende (spaar)geld en kunnen de verschuldigde erfbelasting alleen betalen met het bedrag dat zij uit de nalatenschap van erflaatster ontvangen. Dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] onvoldoende geld hebben om de erfbelasting te voldoen, heeft [gedaagde] niet weersproken. Wel heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij een geldlening kunnen aangaan en daarbij een recht van hypotheek kunnen geven. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben echter betwist dat dit laatste mogelijk is en bovendien hoeft dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van hen te worden verlangd. Zij hebben namelijk recht op een deel van de verkoopopbrengst van de woning en niet in geschil is (zie hierna in 3.3.) dat dit deel van de verkoopopbrengst het bedrag aan verschuldigde erfbelasting ruimschoots overstijgt. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben er gezien het voorgaande belang bij dat zij op korte termijn kunnen beschikken over een bedrag van
€ 99.654,00 uit het depot. Dat zij mogelijk langer uitstel van betaling van de belastingdienst kunnen krijgen, doet hier niet aan af.
3.3.
Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat (meer dan) voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure ten minste zal worden beslist dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ieder recht hebben op € 49.827,00 uit de nalatenschap van erflaatster, zodat op dat oordeel vooruit kan worden gelopen. Het onderliggende geschil van partijen gaat over de vraag of aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de helft toekomt van de opbrengst van de woning, zoals zij stellen, of de helft van de getaxeerde waarde van € 586.000,00, zoals [gedaagde] stelt. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben erop gewezen dat uit de berekening van [gedaagde] , die is gebaseerd op de genoemde taxatiewaarde, blijkt dat aan hen samen in ieder geval een bedrag van € 223.346,03 uit de nalatenschap toekomt. Dit heeft [gedaagde] niet betwist. Daarom kan worden aangenomen dat het erfdeel dat uiteindelijk aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zal toekomen (aanzienlijk) groter is dan het gevorderde voorschotbedrag. De redelijkheid en billijkheid die deelgenoten tegenover elkaar in acht moeten nemen, brengt mee dat [gedaagde] meteen had moeten meewerken aan uitbetaling van dit bedrag, zodat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hiermee de aanslag erfbelasting in de nalatenschap van hun vader hadden kunnen voldoen.
3.4.
De voorzieningenrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen zijn medewerking aan uitbetaling van € 49.827,00 uit het depot aan zowel [eiser sub 1] als [eiseres sub 2] alsnog te verlenen, op de wijze zoals door hen is gevorderd. Hoewel dat op grond van de depotovereenkomst (zie 2.1.) strikt genomen niet nodig is, zal de voorzieningenrechter bepalen dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [gedaagde] . Ook dat onderdeel van het gevorderde zal dus worden toegewezen.
3.5.
[gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen. Aan die voorwaarde is voldaan, zodat de voorzieningenrechter zijn vordering zal beoordelen. [gedaagde] vordert veroordeling van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om medewerking te verlenen aan uitbetaling van eenzelfde voorschotbedrag aan hem.
3.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het gestelde spoedeisende belang bij toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening ook aan de kant van [gedaagde] voldoende aannemelijk. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij [functie] is van (vintage) meubels en een eigen bedrijf heeft. De afgelopen jaren heeft hij de woning/garage van erflaatster als opslag- en werkruimte gebruikt. Als gevolg van de verkoop van de woning heeft hij geen plek meer om meubels te restaureren en op te slaan en klanten te ontvangen en daardoor bijna geen inkomsten. Hij heeft het bedrag dat hij uit de nalatenschap van erflaatster ontvangt nodig om zijn bedrijf te kunnen voortzetten. [gedaagde] heeft dit alles niet onderbouwd, maar [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben dit tijdens de mondelinge behandeling ook niet weersproken. Dat betekent dat de voorzieningenrechter ervan uit moet gaan dat [gedaagde] er eveneens belang bij heeft om te kunnen beschikken over een bedrag van € 99.654,00 uit het depot. Uit het feit dat [gedaagde] zijn vordering voorwaardelijk heeft ingesteld kan worden afgeleid dat hij het bedrag niet per direct nodig heeft. Dat maakt echter niet dat van hem kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
3.7.
Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat (meer dan) voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure ten minste zal worden beslist dat [gedaagde] recht heeft op
€ 99.654,00 uit de nalatenschap van erflaatster. Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft [gedaagde] namelijk recht op € 334.740,06 uit het depot, zodat zijn erfdeel naar verwachting groter zal zijn dan het gevorderde voorschotbedrag.
3.8.
De voorzieningenrechter zal [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] daarom veroordelen hun medewerking te verlenen aan uitbetaling van € 99.654,00 uit het depot aan [gedaagde] , op de wijze zoals door hem is gevorderd.
3.9.
Partijen hebben in conventie en in reconventie verzocht om de andere partij in de proceskosten te veroordelen vanwege onder meer gebrek aan medewerking en een onredelijke opstelling. Omdat partijen deels gelijk en deels ongelijk krijgen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen proceskosten moet dragen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de uitkering uit het depot dat wordt aangehouden bij notariskantoor [naam] in [plaats] van een bedrag van € 99.654,00, waarbij de helft (€ 49.827,00) wordt voldaan aan [eiser sub 1] op een door hem aan de notaris op te geven bankrekeningnummer en de andere helft
(€ 49.827,00) aan [eiseres sub 2] op een door haar aan de notaris op te geven bankrekeningnummer,
4.2.
bepaalt dat als [gedaagde] de veroordeling onder 4.1. niet nakomt, dit vonnis in de plaats treedt van de voor die uitkering uit het depot noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] ,
4.3.
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan de uitkering uit het depot dat wordt aangehouden bij notariskantoor [naam] in [plaats] van een bedrag van € 99.654,00 aan [gedaagde] ,
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.