ECLI:NL:RBMNE:2025:7068

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
C/16/600682/KG ZA 25-51
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot afgifte van een legaat in kort geding met betrekking tot erfgenamen en executeur

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 5 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding over de afgifte van een legaat. Eiser, die recht heeft op een perceel weiland met schuur gelegateerd door de overleden erflater, vorderde onvoorwaardelijke afgifte van het legaat. De executeur, die ook erfgenaam is, betwistte de afgifte onder de voorwaarden die in een conceptakte waren opgenomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen aannemelijke afspraken waren gemaakt die de afgifte van het legaat onder voorwaarden rechtvaardigden. De voorzieningenrechter wees de vordering van eiser tot afgifte van het legaat zonder voorwaarden toe, en bepaalde dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van de executeur in de notariële akte. Daarnaast werd de vordering van eiser tot betaling van huuropbrengsten afgewezen, omdat hij geen spoedeisend belang had aangetoond. De proceskosten werden toegewezen aan eiser, met uitzondering van de kosten van de erfgenamen, waarvoor eiser niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/600682 / KG ZA 25-511
Vonnis in kort geding van 5 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna: [eiser] ,
advocaat: mr. J.K.S. Verhoek,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

zowel in privé als in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van de heer [erflater] (hierna: erflater),
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna: de executeur,
advocaat: mr. K.G.J. Boddaert,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
niet verschenen,
3.
[gedaagde sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
verschenen in persoon,
4.
[gedaagde sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
verschenen in persoon,
5.
[gedaagde sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
verschenen in persoon,
6.
[gedaagde sub 6],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
verschenen in persoon,
7.
[gedaagde sub 7],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
niet verschenen,
hierna samen te noemen: gedaagden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 33;
- de conclusie van antwoord met voorwaardelijke eis in reconventie van de executeur met producties 1 t/m 19;
- de akte wijziging eis van [eiser] .
1.2.
Op 21 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [eiser] en de executeur mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen beantwoord van de voorzieningenrechter. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Daarna is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
Erflater is overleden op [overlijdensdatum] 2023. Hij heeft voor het laatst een testament gemaakt op 23 januari 2023. Hierin heeft hij gedaagden tot zijn erfgenamen benoemd. Verder heeft erflater een perceel weiland met schuur dat is gelegen achter zijn woning aan de [adres] in [plaats] gelegateerd aan [eiser] (hierna: het legaat). Daarbij is bepaald dat het legaat vrij van inbreng is en dat het zes maanden na het overlijden van erflater kan worden opgeëist. Daarnaast is opgenomen dat de erfgenamen hoofdelijk verbonden zijn ten aanzien van het legaat. Aan de afgifte van het legaat zijn geen voorwaarden verbonden.
2.2.
Tijdens het leven van erflater heeft een uitmeting plaatsgevonden waarna het gelegateerde deel van het perceel een eigen kadastraal nummer heeft gekregen. Omdat dat perceel niet overeenkwam met de tekening waarnaar erflater in zijn testament had verwezen, heeft de (eerdere) executeur in overleg met de erfgenamen en [eiser] opdracht gegeven om een nieuwe uitmeting te doen. Daarbij hebben partijen vastgesteld dat het perceel met het kadastrale nummer [nummer] het perceel is dat aan [eiser] is gelegateerd. [eiser] had in zijn vordering aanvankelijk het oude kadastrale nummer vermeld. In zijn akte eiswijziging heeft hij dit hersteld.
2.3.
Tijdens de voorbereidingen voor de afgifte van het legaat aan [eiser] is de executeur volgens haar tegen een probleem aangelopen. Dit heeft te maken met het feit dat het perceel aan de [adres] in [plaats] een agrarische bestemming heeft. Dit perceel met woning behoort tot de nalatenschap van erflater, maar zoals vermeld is het achterliggende weiland met schuur (inmiddels dus een afzonderlijk perceel) gelegateerd aan [eiser] . De woning is een bedrijfswoning en mag alleen worden bewoond door de agrariër van het achter de woning gelegen bedrijf. Het is na afgifte van het legaat aan [eiser] voor de bewoner van de woning niet meer mogelijk om een agrarisch bedrijf uit te oefenen omdat het perceel daarvoor te klein is; voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf moet de bewoner kunnen beschikken over het gelegateerde perceel. Hierdoor is de woning moeilijk te verkopen. Om dit probleem op te lossen moet de bestemming van het perceel worden gewijzigd naar een woonbestemming. Om deze wijziging zo snel mogelijk te laten plaatsvinden, is volgens de executeur de medewerking van [eiser] vereist. Daarom zijn de executeur en [eiser] met elkaar in gesprek gegaan.
2.4.
Het geschil gaat in de kern om de vraag of deze gesprekken tot overeenstemming hebben geleid, die inhoudt dat het legaat aan [eiser] onder voorwaarden wordt afgegeven. Deze voorwaarden zijn vermeld in een conceptakte afgifte legaat van 11 maart 2025. Volgens [eiser] is dit niet het geval. Hij vordert daarom dat de voorzieningenrechter de executeur veroordeelt tot afgifte van het legaat zonder voorwaarden. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter hieraan dwangmiddelen verbindt.
2.5.
De executeur ziet dit anders. Volgens haar hebben partijen wel degelijk afgesproken dat het legaat zal worden afgegeven onder de voorwaarden die in de genoemde conceptakte zijn vastgelegd. Zij vordert daarom in voorwaardelijke reconventie (namelijk in het geval dat de voorzieningenrechter oordeelt dat het legaat aan [eiser] moet worden afgegeven) dat [eiser] wordt veroordeeld om mee te werken aan de afgifte van het legaat onder deze voorwaarden. Ook zij vordert dat hieraan dwangmiddelen worden verbonden.
2.6.
[eiser] meent daarnaast dat hij recht heeft op de verhuuropbrengsten van een (zoals hij het noemt) chalet dat zich op het gelegateerde deel van het perceel bevindt. Hij vordert daarom ook betaling van een bedrag van € 22.130,75, vermeerderd met wettelijke rente. De executeur voert hiertegen verweer. Tot slot hebben partijen over en weer om een proceskostenveroordeling gevraagd.
2.7.
De voorzieningenrechter zal de executeur veroordelen tot afgifte van het legaat aan [eiser] zónder voorwaarden en daarbij bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van de executeur in de daarvoor benodigde notariële akte. Verder zal de voorzieningenrechter de vordering van [eiser] tot betaling van € 22.130,75 afwijzen, omdat het spoedeisende belang daarbij ontbreekt. Tot slot zal de voorzieningenrechter beslissen dat [eiser] de proceskosten van de erfgenamen moet betalen, omdat hij niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen voor zover deze tegen hen zijn gericht. De executeur zal worden veroordeeld tot betaling van de proces- en beslagkosten van [eiser] . Hierna wordt uitgelegd waarom de voorzieningenrechter deze beslissingen neemt.

3.De beoordeling

In conventie en reconventie
3.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze samen worden behandeld.
Ontvankelijkheid [eiser]
3.2.
[eiser] heeft in deze procedure zowel de executeur als de erfgenamen van de nalatenschap van erflater gedagvaard. [eiser] heeft ter zitting uitgelegd waarom hij dat heeft gedaan. Hij erkent dat de executeur belast is het met het beheer van de nalatenschap en de voldoening van de schulden, maar meent desalniettemin dat de erfgenamen ook in deze procedure moeten worden betrokken. Als de executele eindigt, moeten zij het legaat namelijk aan hem afgeven en de door hem ingestelde geldvordering aan hem voldoen.
3.3.
De executeur heeft echter terecht opgemerkt dat de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt (artikel 4:145 lid 2 BW). Deze vertegenwoordigingsbevoegd is privatief. Dit betekent dat de executeur met uitsluiting van de erfgenamen bevoegd is om in deze procedure op te treden. Doordat de erfgenamen worden vertegenwoordigd door de executeur zijn zij (materieel) partij in deze procedure. De erfgenamen zijn daarom ook gebonden aan de uitkomst daarvan. Het is dus niet nodig om hen in de procedure te betrekken. De voorzieningenrechter zal [eiser] gezien het voorgaande niet-ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen voor zover deze zijn ingesteld tegen de erfgenamen. Dat geldt dus ook voor de vordering tegen de executeur, voor zover deze tegen haar in haar hoedanigheid van erfgename is gericht.
Afgifte van het legaat
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij deze vordering
3.4.
De voorzieningenrechter moet eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot afgifte van het legaat. Hiervan is sprake als van [eiser] niet kan worden gevraagd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
3.5.
[eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat hij het aan hem gelegateerde perceel op 18 juli 2025 heeft verkocht aan een derde. Volgens [eiser] moet hij het perceel op basis van de koopovereenkomst op 1 december 2025 leveren. Hij stelt dat gebruik is gemaakt van een standaard NVM-contract waarin niets is afgesproken voor de situatie die zich nu voordoet, namelijk dat het legaat nog niet aan hem is afgegeven. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een mailwisseling met de koper van het perceel overgelegd. Op 14 november 2025 heeft [eiser] de koper per mail laten weten dat het perceel op de afgesproken datum hoogstwaarschijnlijk niet kan worden geleverd. De koper reageert diezelfde dag nog met het volgende bericht:
“Ik heb rekening gehouden met de overdracht op 1 december as. Ik ga ervan uit dat je bewust bent van de inhoud van de afspraken uit koopovereenkomst en dat je deze afspraken zult nakomen. Ik wil graag zsm de beschikking over het verkochte want ook ik ben verplichtingen aangegaan die ik dien na te komen.
De koopsom en de kosten koper staan gereed om de levering bij de notaris te kunnen laten plaatsvinden.”
Volgens [eiser] blijkt hieruit niet alleen het bestaan van de overeenkomst, maar ook het spoedeisend belang bij zijn vordering. Maar ook als het bestaan van de koopovereenkomst niet komt vast te staan, heeft [eiser] volgens hem zonder meer recht op snelle afgifte van het legaat. Dit legaat is immers al twee jaar opeisbaar.
3.6.
De executeur betwist het bestaan van de koopovereenkomst. Zij wijst erop dat [eiser] de koopovereenkomst pas na twee maanden ter sprake bracht. Dit was in een mail van 22 september 2025, waarin de advocaat van [eiser] het volgende schrijft:
“Voorts heeft mijn cliënt besloten om het perceel te verkopen aan iemand uit de buurt. Mijn cliënt [eiser] wil het perceel uiterlijk 1 december 2025 leveren. Ook om die reden heeft mijn cliënt een extra spoedeisend belang voor afgifte legaat.”
Als [eiser] daadwerkelijk een koopovereenkomst had gesloten, dan zou de advocaat van [eiser] dat wel eerder hebben gemeld en zou hij bovendien niet hebben geschreven dat [eiser] ‘heeft besloten’ om te verkopen en dat hij ‘wil leveren’, maar dat hij heeft verkocht en moet leveren. Omdat zij vanwege het voorgaande betwijfelde dat de koopovereenkomst bestond, heeft zij [eiser] gevraagd om een kopie van de overeenkomst aan haar te verstrekken. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Aan de mailwisseling met de vermeende koper kan volgens de executeur geen gewicht worden toegekend. De executeur kan zich namelijk moeilijk voorstellen dat [eiser] een koper pas zo laat over de situatie informeert. De mails lijken volgens haar meer op een opzetje ter onderbouwing van het spoedeisende belang, dan dat zij een serieuze aanwijzing vormen voor het bestaan van de koopovereenkomst.
3.7.
Hoewel de koopovereenkomst niet in het geding is gebracht, gaat de voorzieningenrechter er gelet op de mail van 14 november 2025 van uit dat de koopovereenkomst is gesloten en dat [eiser] het perceel op 1 december jl. had moeten leveren. In de mail staat immers dat de afzender verwacht dat [eiser] hun afspraken zal nakomen en dat hij rekening heeft gehouden met een overdracht op die datum. Omdat het mailadres van de afzender is vermeld, had de executeur hem kunnen aanschrijven en kunnen bevragen over de in de mail genoemde koopovereenkomst. Hiermee had zij haar stelling dat de inhoud van de mail niet klopt, kunnen onderbouwen. Dat heeft zij kennelijk nagelaten, zodat de voorzieningenrechter aan deze blote stelling voorbij gaat. Dat [eiser] de executeur pas twee maanden nadat hij de koopovereenkomst had gesloten over het bestaan ervan informeerde, is onvoldoende om aan dit bestaan te twijfelen. Het voorgaande betekent dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot afgifte van het legaat. Maar ook als [eiser] niet verplicht zou zijn geweest om het perceel op 1 december jl. te leveren, zou dit spoedeisende belang bestaan. Hierna zal namelijk worden overwogen dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] en de executeur afspraken hebben gemaakt die aan onvoorwaardelijke afgifte van het legaat in de weg staan. Van [eiser] hoeft daarom niet te worden verwacht dat hij een bodemprocedure over de afgifte van het legaat afwacht.
Artikel 4:120 BW staat aan afgifte van het legaat niet in de weg
3.8.
De executeur heeft aangevoerd dat het legaat nog niet kan worden afgegeven en in dat verband een beroep gedaan op artikel 4:120 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat schulden uit een legaat slechts ten laste van de nalatenschap worden voldaan als alle andere schulden hieruit ten volle kunnen worden voldaan. De executeur wijst erop dat de erfbelasting is betaald, maar dat de kans groot is dat er nog een naheffing volgt. In de ingediende aangifte is namelijk uitgegaan van de WOZ-waarde van het onroerend goed, maar de belastingdienst is daar vooralsnog niet mee akkoord gegaan. Uit een bericht van de belastingdienst blijkt dat er mogelijk een naheffing van € 150.779,- zal komen en dat is een schuld van de nalatenschap die nog, naast de boedelkosten vanwege juridisch en fiscaal advies, moet worden voldaan. Deze schuld kan niet worden betaald uit de beschikbare liquide middelen van € 25.000,-. Volgens de executeur is er geen ander beschikbaar actief, omdat de woning niet of in elk geval zeer moeilijk verkoopbaar is. Het is volgens haar daarom nog niet duidelijk of het legaat wel kan worden afgegeven.
3.9.
De voorzieningenrechter is het met [eiser] eens dat het niet gaat om de vraag of de liquide middelen van de nalatenschap toereikend zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen, maar om de vraag of de nalatenschap (in het algemeen) daarvoor toereikend is. De executeur heeft niet voor niets tot taak de goederen van de nalatenschap te gelde te maken, voor zover dit nodig is om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Partijen zijn het niet eens over de waarde die aan de woning kan worden toegekend, maar deze zal na afgifte van het legaat ten minste € 215.000,- bedragen. Dit is in ieder geval het bedrag dat wordt genoemd in een taxatierapport dat de executeur in het geding heeft gebracht (waarbij de taxateur is uitgegaan van een waardedaling door de afgifte van het legaat van € 372.000,-). Wat de precieze hoogte van de naheffing zal zijn (volgens [eiser] zal deze € 60.879,- bedragen) kan gezien het voorgaande in het midden blijven. Ook in het geval er een naheffing van € 150.779,- zal volgen, is er immers ruim voldoende actief om deze schuld te voldoen. Dat er sprake zal zijn van dusdanig hoge boedelkosten dat het legaat toch niet kan worden afgegeven, heeft de executeur onvoldoende concreet gemaakt. Zij heeft slechts gesteld dat er ook nog boedelkosten vanwege juridisch en fiscaal advies moeten worden voldaan, maar niet om welk bedrag het gaat. Het is ook niet zo dat de eventuele belastingschuld eerst moet worden betaald voordat het legaat kan worden afgegeven, voor zover de executeur dat ook heeft betoogd. Zoals vermeld, hoeft alleen te worden vastgesteld dat deze schuld uit de nalatenschap kan worden voldaan. Het bepaalde in artikel 4:120 BW staat gezien het voorgaande niet aan afgifte van het legaat in de weg.
Oordeel dat overeenstemming is bereikt is niet aannemelijk
3.10.
Beoordeeld moet worden of het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat partijen over de afgifte van het legaat afspraken hebben gemaakt, zoals verwoord in de conceptakte afgifte legaat van 11 maart 2025. Zoals vermeld, is dit volgens de executeur het geval en staat dit aan (onvoorwaardelijke) afgifte van het legaat in de weg. In de conceptakte staat het volgende:
“F. AANVULLENDE AFSPRAKEN
De legataris, erfgenamen en executeur wensen met betrekking tot onderhavige afgifte nog het navolgende vast te leggen:
Erfafscheiding
De legataris heeft inmiddels een erfafscheiding gerealiseerd op het gelegateerde. De legataris neemt de verplichting op zich om de erfafscheiding naar eigen inzicht te onderhouden en in stand te houden, hij draagt dan ook volledig de kosten die hiermee gemoeid zijn. Indien de buren schade aanrichten aan het hek, dienen zij de kosten voor reparatie te vergoeden. De eigenaren van de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij mogen aan hun kant van de erfafscheiding géén planten, bomen of struiken planten die schadelijk kunnen zijn voor de dieren, die op het gelegateerde worden gehouden. Bij iedere vorm van vervreemding door de legataris of rechtsopvolger van het gelegateerde of bij iedere vorm van vervreemding van de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij door de erfgenamen of hun rechtsopvolgers dient onderhavige afspraak middels een kettingbeding te worden opgenomen.
Leidingen
Op het gelegateerde bevindt zich een chalet met gebruiksfunctie schaftkeet- en verblijfplaats, deze roerende zaak behoort na bovenstaande afgifte toe aan de legataris. De chalet heeft geen eigen aansluiting op het riool en geen eigen aansluiting voor gas, water en elektra. Deze voorzieningen werden afgetapt van de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij. Op heden is de schaftkeet- en verblijfplaats verhuurd. De erfgenamen, executeur en de legataris zijn overeengekomen, dat zolang de huidige huurster (aan partijen genoegzaam bekend) in de chalet met gebruiksfunctie schaftkeet- en verblijfplaats verblijft, het huidige gebruik van de leidingen zal worden gecontinueerd
voor een maximale periode van zes maanden gerekend vanaf heden. Hierna is geheel aan de legataris hoe hij de betreffende voorzieningen zal gaan regelen. Het door huurster verbruikte gas, water en elektra zal in onderling overleg tussen erfgenamen en de legataris worden verrekend.
G. VERKLARING LEGATARIS EN EXECUTEUR MET KWALITATIEVE WERKING
De legataris, dan wel diens rechtsopvolger, verklaart dat hij te allen tijde medewerking zal verlenen aan de procedure die nodig is om ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij (kadastraal nummer [nummer] en [nummer] ) een reguliere woonfunctie te verkrijgen, dit houdt onder andere in dat:
- legataris op/in zijn gronden/opstallen uitsluitend functies zal uitoefenen die zich feitelijk, in planologisch opzicht en vanuit het wettelijk kader gezien verenigen met de bedoelde reguliere woonfunctie;
- legataris geen bezwaar zal maken tegen, beroep zal instellen tegen, dan wel andere rechtsmiddelen zal inzetten tegen de procedure om de bedoelde reguliere woonfunctie te verkrijgen.
De executeur
verklaartmede namens de erfgenamen dat zij (de executeur en de erfgenamen) zich ten behoeve van de afspraken die zijn gemaakt met legataris, in zetten (in samenhang met de procedure die nodig is) om ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij (kadastraal nummer [nummer] en [nummer] ) een reguliere woonfunctie te verkrijgen, ter plaatse van de gronden van de legataris planologische toestemming te krijgen voor de door hem gewenste functies, voor zover deze functies zich feitelijk, in planologisch opzicht en vanuit het wettelijk kader gezien verenigen met de gewenste reguliere woonfunctie ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij (kadastraal nummer [nummer] en [nummer] ). Bovenstaande verklaring wensen partijen als een kettingbeding op te leggen, zodat de afspraken ook bindend zijn voor eventuele rechtsopvolgers. Bij iedere vorm van vervreemding door de legataris van het gelegateerde dienen onderhavige verklaringen middels een kettingbeding te worden opgenomen totdat de bestemming de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij (kadastraal nummer [nummer] ) is veranderd in een woonfunctie.
EED
Voormelde verklaringen hebben de executeur en de legataris, volgens in handen van mij, notaris, beëdigd, zeggende “Dat verklaar ik”.”
Om te kunnen vaststellen of deze conceptakte de afspraken van partijen bevat, is van belang wat partijen precies met elkaar hebben besproken. Hiervoor zijn de volgende omstandigheden relevant.
3.11.
Op 9 januari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] , twee van de erfgenamen, de executeur en planoloog [A] (hierna: [A] ). Tijdens dit gesprek is gesproken over het probleem dat het perceel met woning zonder agrarische grond (dus na afgifte van het legaat) minder waard is dan mét en over eventuele oplossingen. Ook is afgesproken dat [eiser] aan de planoloog zou laten weten wat zijn wensen waren ten aanzien van het gebruik van het aan hem gelegateerde perceel, zodat de planoloog daar in zijn advies rekening mee kon houden.
3.12.
Op 13 januari 2025 heeft [eiser] de planoloog laten weten dat hij van plan was om een deel van de loods te gebruiken voor opslag van spullen, materiaal en machines. In het andere deel van de loods wilde hij graag paardenboxen plaatsen.
3.13.
Naar aanleiding hiervan heeft [A] een advies opgesteld, dat de executeur op 25 januari 2025 met [eiser] heeft gedeeld. Zij schrijft hierover het volgende:
“Fijn dat je meewerkt bij het vinden van een oplossing om de bestemming van het kavel te kunnen wijzigen om zowel het woonhuis bewoonbaar/verkoopbaar te maken als jouw legaat te kunnen afgeven.
Meneer [A] heeft jouw plannen voor de loods meegenomen in zijn analyse wat er mogelijk is (zie bijlage mail).
De erven hebben de optie om direct het traject van ‘bestemmingswijziging’ bij de gemeente Stichtse Vecht in te gaan. Het nadeel voor de erven is de lange looptijd van +/- 1 jaar. Jouw inbreng en/of toestemming is hiervoor niet nodig. Daarnaast is het nadelig voor jou dat het legaat pas na dit traject kan worden afgegeven. Dit lijkt voor zowel de erven als jou niet een gewenste optie.
De andere snellere optie is om het traject 'principe akkoord bestemmingsverandering’ in te gaan. Voor dit traject staat +/- 8 weken. Jouw plannen met de loods en jouw toestemming voor de afgesproken bestemmingswijziging zullen we bij deze optie vooraf moeten vastleggen. Die zekerheid is nodig voor de erven en ook voor de toekomstige eigenaar van het woonhuis. Anders heeft deze snellere optie voor ons geen zin.
Als we voor deze tweede optie gaan zullen wij jouw akkoord vooraf moeten vastleggen in de akte 'afgifte legaat’. Dan hebben erven deze gewenste zekerheid en het legaat kan direct na teken van de akte worden afgegeven. Dit zou dan wel zijn in de vorm van aanvullende voorwaarden met akkoord van beide partijen (zie voorbeeld tekst mail mr. Van vliet [lees: [A] , voorzieningenrechter]).
(…)
Laat me weten hoe jij hier over denkt dan kunnen we verder stappen gaan ondernemen.
Groet, [gedaagde sub 1] ”
3.14.
Op 4 februari 2025 sturen de executeur en [eiser] elkaar via WhatsApp de volgende berichten:
“Executeur: goedemiddag [eiser] , heb jij al antwoord op de door jou gestelde vragen gehad van meneer [A] ?
[eiser] : Gisteren gekregen het is mij nu duidelijk. Jullie kunnen er nu verder mee.”
3.15.
Op 6 februari 2025 vraagt de executeur aan [eiser] wat hij hier precies mee bedoelt:
“Je stuurde mij een WhatsApp bericht waarin je zegt: ‘jullie kunnen er nu verder mee’. In mijn mail dd. 25-01-2025 (onderstaand) liet ik je weten dat er twee opties voor jou zijn. Bedoel je met jouw app tekst dat je meewerkt aan de tweede optie?
(…)
Als jij instemt met deze optie 2 dan geef ik mr. Van vliet [lees: [A] , voorzieningenrechter] definitief opdracht om de aanvullende voorwaarden tekst zo op te stellen dat deze door de notaris overgenomen kan worden in de akte levering legaat. Natuurlijk na eerst goedkeuring van jou en erven. De oude aanvullende voorwaarden in de akte levering legaat komen dan te vervallen.
3.16.
Op 8 februari 2025 reageert [eiser] met het volgende mailbericht:
“Als het aan mij ligt doen we optie 2. De bestemmingswijziging bedrijf zal ook in de akte vernoemd moeten worden.”
3.17.
Op 22 februari 2025 stuurt de executeur een mail aan [eiser] waarin zij (nogmaals) uiteenzet wat het geconstateerde probleem is, wat hierover is besproken en welke afspraken volgens haar zijn gemaakt. Verder schrijft zij dat zij de wens van [eiser] om de bestemmingswijziging bedrijf in de akte op te nemen aan de planoloog heeft voorgelegd, maar dat hem dat niet verstandig lijkt en dat hij een ander voorstel heeft gedaan. Verder laat de executeur het volgende weten:
“Wij erven willen als er gekozen voor optie 2, afgifte legaat vóór bestemmingswisselingsprocedure, de zekerheid in bouwen dat de afspraak die wij nu maken in de akte ook blijft gelden gedurende het proces van bestemmingswisseling bij de Gemeente bij eventuele verkoop. Als wij die zekerheid niet kunnen krijgen dan zullen wij voor optie 1 moeten gaan. Dit heb ik ook voorgelegd aan mr. Van vliet [lees: [A] , voorzieningenrechter].”
3.18.
[A] komt naar aanleiding van de opmerking van [eiser] en de executeur tot het volgende tekstvoorstel, waarna de executeur aan [eiser] vraagt of hij zich hierin kan vinden:
“Legataris, dan wel diens rechtsopvolger, zal te allen tijde medewerking verlenen aan de procedure die nodig is om ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij/kadastraal nummer [nummer] een reguliere woonfunctie te verkrijgen, dit houdt onder andere in dat:
 legataris op/in zijn gronden/opstallen uitsluitend functies zal uitoefenen die zich feitelijk, in planologisch opzicht en vanuit het wettelijk kader gezien verenigen met de bedoelde reguliere woonfunctie
 legataris geen bezwaar zal maken tegen, beroep zal instellen tegen, dan wel andere rechtsmiddelen zal inzetten tegen de procedure om de bedoelde reguliere woonfunctie te verkrijgen
Als onderdeel van dit afsprakenkader zetten erven, dan wel diens rechtsopvolgers, zich in om, in samenhang met de procedure die nodig is om ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij/kadastraal nummer [nummer] een reguliere woonfunctie te verkrijgen, ter plaatse van de gronden van legataris planologische toestemming te krijgen voor de door hem gewenste functies, voor zover deze functies zich feitelijk, in planologisch opzicht en vanuit het wettelijk kader gezien verenigen met de gewenste reguliere woonfunctie ter plaatse van de voormalig bedrijfswoning/de woonboerderij/kadastraal nummer [nummer] .”
3.19.
Op 25 februari 2025 reageert [eiser] met het volgende bericht:
“Ik kan mij hier wel in vinden.”
3.20.
Diezelfde avond antwoordt de executeur:
“Dank [eiser] ,
De door ons beide goedgekeurde tekst ga ik doorsturen naar notaris [B] zodat zij de laatste versie van de akte ‘afgifte legaat’ kan aanpassen.
Voordat er een afspraak wordt gemaakt om de aangepaste akte te ondertekenen zal zij ons beide deze in concept toesturen”
3.21.
Daarna heeft de executeur de notaris in een mail dat de tekst die [A] heeft opgesteld door alle partijen akkoord is bevonden en dat zij de aangepaste conceptakte graag tegemoet zien. [eiser] heeft van deze mail een cc ontvangen. Naar aanleiding van dit bericht heeft de notaris de conceptakte afgifte legaat zoals hiervoor weergegeven in 3.10 opgesteld.
3.22.
[eiser] heeft vervolgens advies ingewonnen en de conceptakte voorgelegd aan een makelaar, de heer [C] . Hij heeft de conceptakte beoordeeld en op 12 maart 2025 een aangepast tekstvoorstel verstuurd dat luidt als volgt:
“De legataris, dan wel diens rechtsopvolger, verklaart dat hij geen bezwaar zal maken tegen, beroep zal instellen tegen, dan wel andere rechtsmiddelen zal inzetten tegen de procedure om op het plangebied zijnde ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij (kadastraal nummer [nummer] en [nummer] ) een reguliere woonfunctie te verkrijgen. Het plangebied betreft niet het perceel van legataris (kadastraal nummer [nummer] ).
De legataris verklaart op/in zijn gronden/opstallen; bedrijfsmatig gezien geen landbouwhuisdieren te gaan houden die een reguliere woonfunctie in de weg staan/belemmeren.
De executeur verklaart mede namens de erfgenamen dat zij (de executeur en de erfgenamen) zich ten behoeve van de afspraken die zijn gemaakt met legataris, in zetten, geen bezwaar zal maken tegen, beroep zal instellen tegen, dan wel andere rechtsmiddelen zal inzetten ter plaatse van de gronden van de legataris om planologische toestemming te krijgen voor de door hem gewenste functies, voor zover deze functies niet een reguliere woonfunctie in de weg staan/belemmeren.
Bovenstaande verklaring wensen partijen als een kettingbeding op te leggen, zodat de afspraken ook bindend zijn voor eventuele rechtsopvolgers.
Bij iedere vorm van vervreemding door de legataris van het gelegateerde dienen onderhavige verklaringen middels een kettingbeding te worden opgenomen totdat de bestemming de voormalige bedrijfswoning/de woonboerderij (kadastraal nummer [nummer] ) is veranderd in een woonfunctie en de legataris planologische toestemming heeft verkregen voor de door hem gewenste functies op het perceel met kadastraal nummer [nummer] .”
3.23.
De executeur heeft dit tekstvoorstel van de hand gewezen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiser] en de executeur verklaard dat er op 15 april 2025 nog een bespreking tussen hen heeft plaatsgevonden, waarbij ook de makelaar [C] , [A] , de vader van [eiser] en een van de andere erfgenamen aanwezig waren. Dit heeft niet tot een oplossing geleid. Op 25 april 2025 heeft de advocaat van [eiser] de executeur gesommeerd om het legaat zonder voorwaarden af te geven.
3.24.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat partijen een afspraak hebben gemaakt die vervolgens is verwoord in de conceptakte van 11 maart 2025. Volgens [eiser] bevatte de conceptakte niet alleen passages over de erfafscheiding en de leidingen waarmee hij het niet eens was, maar werd hierin ook melding gemaakt van een kettingbeding. Dit kwam in het tekstvoorstel dat aan de notaris was gestuurd (en waarover [eiser] had gezegd: “ik kan mij hier wel in vinden”) niet voor en hierover was volgens hem ook niet gesproken. De executeur heeft dit niet weersproken. Voor de erfgenamen is in de conceptakte bovendien geen kettingbeding opgenomen: zij hoeven er niet voor te zorgen dat de toekomstige kopers van hun perceel verplicht zijn om mee te werken aan een bestemmingswijziging van het gelegateerde perceel. Namens [eiser] is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de makelaar de bedoeling had om dit laatste in zijn gewijzigde tekstvoorstel recht te zetten. Vastgesteld kan worden dat hierover vervolgens geen overeenstemming is bereikt, ook niet tijdens de bespreking op 15 april 2025. Van belang is in dit verband dat niet is gebleken dat de executeur zich ook toen op het standpunt stelde dat er afspraken waren gemaakt en dat [eiser] zich hieraan moest houden. Dit had, indien dit ook toen al haar standpunt was, wel voor de hand gelegen.
Oordeel dat [eiser] verplicht is om door te onderhandelen is ook niet aannemelijk
3.25.
De executeur heeft tot slot aangevoerd dat een bodemrechter waarschijnlijk zal oordelen dat partijen al zo ver met elkaar in gesprek waren dat het afbreken van onderhandelingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Kennelijk meent zij dat dit kan betekenen dat [eiser] dan zal worden veroordeeld om de onderhandelingen voort te zetten (te hervatten). Dit zal worden doorkruist als het legaat ondertussen al aan [eiser] is afgegeven. De voorzieningenrechter kan uit de overgelegde stukken en verklaringen tijdens de mondelinge behandeling echter niet afleiden dat het [eiser] is geweest die met de “onderhandelingen” (voor zover daarvan sprake was) is gestopt. Het was de executeur die niet over het tekstvoorstel van zijn makelaar wilde praten, zo heeft zij zelf verklaard. Waarom het gesprek op 15 april 2025 niet tot een oplossing heeft geleid is niet duidelijk. Voor zover de executeur meent dat [eiser] de gesprekken vervolgens onterecht heeft beëindigd, heeft zij dit niet duidelijk genoeg gesteld, laat staan onderbouwd. Hier komt bij dat als al geoordeeld zou worden dat [eiser] de onderhandelingen heeft beëindigd én als dat onaanvaardbaar zou zijn geweest, dit alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden zou leiden tot een verplichting om de onderhandelingen voort te zetten. De voorzieningenrechter vindt het niet aannemelijk dat een bodemrechter tot dit oordeel zal komen.
Een belangenafweging staat evenmin aan afgifte in de weg
3.26.
Het voorgaande brengt mee dat voldoende aannemelijk is dat de vordering tot afgifte van het legaat in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Deze vordering zal in dit kort geding daarom worden toegewezen. Een belangenafweging kan niet tot een ander oordeel leiden. [eiser] wacht al meer dan twee jaar op afgifte van zijn legaat. Daarbij is van belang dat [eiser] , zo blijkt ook uit de in 3.13. weergegeven mail van 25 januari 2025 van de executeur, telkens is voorgehouden dat het legaat pas afgegeven kon worden als er afspraken waren gemaakt over de bestemmingswijziging van de percelen. Maar dat klopt niet. [eiser] had zes maanden na het overlijden van erflater recht op afgifte van zijn legaat. Hij was niet verplicht om te onderhandelen over de afgifte van het legaat met de executeur, laat staan om hierover afspraken te maken. Tijdens de mondelinge behandeling is de executeur gevraagd of dit wel aan is [eiser] is verteld. Daarop antwoordde de executeur dat [eiser] niet onder druk is gezet, meermaals in de gelegenheid is gesteld om advies in te winnen en dat een oplossing voor het probleem ook in zijn belang was. [eiser] wilde immers het gelegateerde perceel gaan gebruiken voor opslag van spullen en machines en dat is vanwege de huidige agrarische bestemming niet toegestaan. Het voorgaande betwijfelt de voorzieningenrechter ook niet, maar wel of [eiser] wist dat hij onverkort recht had op afgifte van het legaat. Dat lijkt gezien het antwoord van de executeur niet het geval te zijn. [eiser] heeft daarover ter zitting bovendien zelf verklaard dat hij pas wist dat hij zonder meer om afgifte van het legaat kon vragen toen makelaar [C] hem daarop wees. Eerder was dat hem dus kennelijk niet duidelijk. De voorzieningenrechter heeft gezien de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling de indruk gekregen dat het legaat als drukmiddel is gebruikt om tot overeenstemming te komen en dat is niet zoals het hoort.
3.27.
De executeur heeft hiertegenover gesteld dat de erfgenamen een probleem hebben als het legaat zonder de genoemde voorwaarden wordt afgegeven. Het perceel met woning is dan volgens haar niet, of in elk geval, moeilijk te verkopen. De executeur wijst in dat verband op het eerder genoemde taxatierapport (zie 3.9.), waaruit blijkt dat de waarde van het perceel met woning met 63% daalt als de agrarische bestemming niet wordt gewijzigd. Daargelaten of deze berekening klopt ( [eiser] heeft dit zoals eerder vermeld betwist) kan er ook nog over een bestemmingswijziging worden gesproken ná afgifte van het legaat. Dit geldt des te meer nu [eiser] tijdens de zitting heeft verklaard dat de koper hetzelfde gebruik van het perceel voor ogen heeft als hij had: de koper wil daar machines en spullen gaan opslaan. Dit gebruik is niet mogelijk binnen de huidige agrarische bestemming. De koper heeft dus evenveel belang bij een bestemmingswijziging als [eiser] had. De executeur kan de gesprekken hierover met de koper daarom onder nagenoeg dezelfde omstandigheden voortzetten. Een oplossing voor het geconstateerde probleem laat dus misschien wat langer op zich wachten, maar kan nog steeds worden bereikt.
Conclusie
3.28.
Zoals vermeld, zal de vordering tot afgifte van het legaat worden toegewezen.
Daarbij zal worden bepaald dat als de executeur niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoet, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring van de executeur in de notariële akte die strekt tot afgifte van het legaat aan [eiser] . Anders dan [eiser] heeft gevorderd vervangt dit vonnis dus niet de notariële akte zelf. Omdat op deze wijze afgifte van het legaat zal kunnen worden bewerkstelligd, zal de vordering om aan de veroordeling tot afgifte een dwangsom te verbinden worden afgewezen. Zoals eerder vermeld, heeft de executeur gevorderd dat als het legaat moet worden afgegeven, [eiser] moet worden veroordeeld om mee te werken aan afgifte onder de in de conceptakte genoemde voorwaarden. Het is duidelijk dat een toewijzing van de vordering van [eiser] , betekent dat deze vordering van de executeur moet worden afgewezen.
De vordering tot betaling van de huuropbrengsten
[eiser] heeft geen spoedeisend belang bij deze vordering
3.29.
[eiser] heeft ook gevorderd om de executeur te veroordelen om een bedrag van
€ 22.130,75 aan hem te voldoen. Het gaat om geld dat is verdiend met de verhuur van een (zoals hij het noemt) chalet dat op het gelegateerde perceel staat. Volgens hem komen deze huuropbrengsten hem toe, omdat ze moeten worden beschouwd als vruchten van het legaat. Hij heeft een spoedeisend belang bij deze vordering omdat hij aanzienlijke kosten heeft gemaakt en nog steeds maakt voor het gelegateerde perceel terwijl hij geen liquide middelen heeft. Zo heeft hij de erfbelasting betaald, heeft hij op eigen kosten een erfafscheiding geplaatst en draagt hij samen met zijn vader zorg voor het onderhoud van het perceel.
3.30.
Deze vordering zal worden afgewezen. De executeur heeft er terecht op gewezen dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat hij het gevorderde bedrag dringend nodig heeft voor het onderhoud van het perceel. Om welk onderhoud het gaat en waarom hij dit niet kan betalen, heeft hij namelijk niet duidelijk gemaakt.
De proceskosten
In conventie
3.31.
Omdat [eiser] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen voor zover deze zijn ingesteld tegen de erfgenamen, moet hij de proceskosten van de erfgenamen betalen. Alleen de erfgenamen die in de procedure zijn verschenen hebben proceskosten gemaakt. Het gaat om mevrouw [gedaagde sub 3] , mevrouw [gedaagde sub 4] , de heer [gedaagde sub 5] en de heer [gedaagde sub 6] . De executeur is ook erfgenaam, maar zij is anders dan de andere erfgenamen niet onterecht in deze procedure betrokken. De andere verschenen erfgenamen hebben ieder een nota ontvangen van € 343,50 voor griffierecht. De proceskosten aan de zijde van de erfgenamen worden begroot op:
- griffierecht
1.374,00
(4 x € 343,50)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.552,00
3.32.
[eiser] heeft ten laste van de erfgenamen conservatoir beslag laten leggen tot levering van het aan hem gelegateerde perceel. Hij heeft de bijbehorende beslagstukken in de procedure gebracht waaruit de beslagkosten volgen. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat hij een veroordeling van de executeur in de beslagkosten vordert. Deze vordering zal worden toegewezen. De beslagkosten worden begroot op:
- deurwaardersexploten
460,60
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
554,00 [1]
Totaal
1.345,60
In conventie en reconventie
3.33.
De executeur is in conventie en reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,55
- griffierecht
1.043,00
(€ 1.374,00 - € 331,00)
- salaris advocaat
1.660,50
( 1,5 x € 1.107,00)
- nakosten
278,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.127,05
3.34.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
4.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen voor zover deze zijn ingesteld tegen de erfgenamen,
4.2.
veroordeelt de executeur om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de gelegateerde onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Maarssen, sectie [letter] , nummer [nummer] te leveren aan [eiser] , zonder nadere voorwaarden zoals bij testament van erflater is bepaald,
4.3.
bepaalt dat indien de executeur hieraan niet voldoet, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring van de executeur in de notariële akte die strekt tot afgifte van de hiervoor vermelde gelegateerde onroerende zaak aan [eiser] ,
4.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.552,00 van de erfgenamen, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
veroordeelt de executeur in de beslagkosten van [eiser] , begroot op € 1.345,60,
in conventie en reconventie
4.6.
veroordeelt de executeur in de proceskosten van € 3.127,05 van [eiser] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de executeur niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
veroordeelt de executeur tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.8.
verklaart de beslissingen in 4.2 tot en met 4.7. uitvoerbaar bij voorraad,
4.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.

Voetnoten

1.Zie de Aanbeveling tarieven kort gedingen kantonzaken en handelszaken (die geldt per 1 februari 2024) op www.rechtspraak.nl.