ECLI:NL:RBMNE:2025:7073

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
11890507 \ UC EXPL 25-7419
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:224 lid 2 BWArt. 7:259 lid 2 BWArt. 7:260 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering op terugbetaling borg en specificatie servicekosten na beëindiging huurovereenkomst

De huurder had een kamer gehuurd en was vanaf 1 januari 2021 hoofdhuurder van een woning met meerdere kamerhuurders. De huurder zegde de huur op per 1 maart 2025 en leverde de sleutels in op 13 maart 2025. De verhuurder hield een deel van de borg in voor huur tot en met 13 maart, sleutelkosten en een defecte deur.

De kantonrechter oordeelt dat de huur eindigde per 1 maart 2025 en dat de huurder geen vergoeding verschuldigd is voor de periode tot en met 13 maart, omdat de verhuurder hiermee had ingestemd door geen bezwaar te maken. Kosten voor sleutels en defecte deur mogen niet op de borg worden ingehouden omdat hierover geen afspraken of bewijs zijn.

Verder is de verhuurder verplicht een gespecificeerde en onderbouwde afrekening van de servicekosten over de periode 1 januari 2023 tot 28 februari 2025 te overleggen. De huurder kan alleen servicekosten terugvorderen over deze periode omdat de verjaringstermijn voor eerdere jaren is verstreken.

De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing nadat de afrekening is verstrekt. De verhuurder wordt veroordeeld om uiterlijk 4 februari 2026 de afrekening te overleggen, waarna de huurder kan reageren.

Uitkomst: Verhuurder moet gespecificeerde servicekostenafrekening overleggen en resterende borg aan huurder betalen, beslissing over borg aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11890507 \ UC EXPL 25-7419
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.J. de Hamer,
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 1 tot en met 4
- de mondelinge conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte vermeerdering van eis met producties 5 tot en met 7
- de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar deze zaak over gaat

2.1.
Tot 1 januari 2021 huurde [eiser] een kamer in de woning van [gedaagde] aan de [adres] in [plaats] en waren er nog vier andere kamerhuurders. Vanaf 1 januari 2021 woonde [eiser] met drie anderen in de woning en werd een van de kamers gemeenschappelijk gebruikt als tv-kamer. [eiser] is met ingang van 1 januari 2021 de hoofdhuurder. In de toen gesloten huurovereenkomst is een huur afgesproken van € 1.750,00 inclusief € 250,00 servicekosten, per maand en een borg van € 1.750,00.
2.2.
Eind 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd om een afrekening van de servicekosten. [gedaagde] heeft geen afrekening gemaakt.
2.3.
[eiser] heeft de huur opgezegd tegen 1 maart 2025 en op 13 maart 2025 de sleutels bij [gedaagde] ingeleverd. [gedaagde] heeft daarna € 832,20 van de borg aan [eiser] betaald. Nadat [eiser] [gedaagde] had gesommeerd om de resterende € 926,80 te betalen heeft [gedaagde] laten weten dat hij op de borg heeft ingehouden:
€ 775,80 huur t/m 13 maart
€ 51,00 2 sleutels
€ 100,00 defecte deur.
2.4.
[eiser] vordert betaling van € 926,80, een specificatie van de servicekosten en terugbetaling van teveel betaalde servicekosten
2.5.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

De borg
3.1.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de resterende borg aan [eiser] moet betalen en legt dat hierna uit.
3.2.
[eiser] heeft op 15 januari 2025 de huur opgezegd en aan [gedaagde] gevraagd of hij al wist wat hij met het huis wilde. [gedaagde] heeft daarop laten weten dat hij het huis wilde verkopen. Op 29 januari 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd of het goed was als iedereen 1 maart het huis uit is en het contact dan eindigt en het huis op 9 maart helemaal leeg wordt gehaald. Daar heeft [gedaagde] op gereageerd met: Prima ik hoor wel wanneer het allemaal geregeld is en dan spreken we af. De kantonrechter is het eens met [eiser] dat hij dit zo heeft mogen begrijpen dat [gedaagde] ermee heeft ingestemd dat de huur eindigt per 1 maart 2025 en dat het niet uitmaakte dat het huis wat later werd leeggehaald omdat er toch geen nieuwe huurders in kwamen. Als [gedaagde] een vergoeding had gewild voor de periode tussen het einde van de huur en het inleveren van de sleutel, had hij dat onder deze omstandigheden vooraf duidelijk moeten maken. [eiser] is daarom geen huur of vergoeding verschuldigd van 1 tot en met 13 maart 2025.
3.3.
De kosten voor de sleutels en de defecte deur mogen niet op de borg worden ingehouden, alleen al omdat er niet is vastgelegd hoeveel sleutels er zijn verstrekt en wat de toestand van de woning was bij aanvang huur [1] . Daarnaast heeft [gedaagde] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij kosten heeft gemaakt.
3.4.
De beslissing over de borg wordt nog niet onder de beslissing vermeld, maar aangehouden tot dat ook over de servicekosten een eindbeslissing kan worden gegeven.
De servicekosten
3.5.
In de huurovereenkomst is niet bepaald welke zaken en diensten de verhuurder levert. Ondank dat dat niet schriftelijk is vastgelegd zijn partijen zijn het er over eens dat is afgesproken dat [gedaagde] onder meer zorg draagt voor internet, gemeentelijke belastingen, onderhoud van de cv-ketel en brandblussers en dat hij de kosten daarvoor als servicekosten in rekening mag brengen.
3.6.
De verhuurder is verplicht telkens binnen 6 maanden na het ende van het kalenderjaar een afrekening van de servicekosten op te stellen [2] . De huurder kan telkens tot 24 maanden na verloop van die 6 maanden een vordering instellen om teveel betaalde servicekosten terug te krijgen [3] . [eiser] heeft op 11 augustus 2025 de dagvaarding laten betekenen aan [gedaagde] . Op die datum was het recht om de servicekosten over 2021 en 2022 terug te vorderen al vervallen, waardoor [eiser] alleen teveel betaalde servicekosten terug kan vragen vanaf 1 januari 2023. [eiser] heeft daarom geen belang meer bij een afrekening van de servicekosten over de jaren 2021 en 2022.
3.7.
[gedaagde] zal worden veroordeeld om een gespecificeerde en met stukken onderbouwde afrekening servicekosten over te leggen over de periode 1 januari 2023 tot en met 28 februari 2025. Hij moet dat uiterlijk 4 februari 2026 doen. [eiser] mag daar nog bij akte op reageren. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan die veroordeling een dwangsom te verbinden. Als [gedaagde] geen specificatie overlegt heeft dat immers tot gevolg dat hij de betaalde voorschotten over die periode (in totaal € 6.500,00) aan [eiser] zal moeten terugbetalen. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit voldoende prikkel is.
3.8.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om een volledige en gespecificeerde afrekening van de servicekosten over de periode 1 januari 2023 tot en met 28 februari 2025 over te leggen,
4.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 4 februari 2026 voor het nemen van een akte aan de zijde van [gedaagde] ,
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025

Voetnoten

1.Artikel 7:224 lid 2 BW Pro
2.Artikel 7:259 lid 2 BW Pro
3.Artikel 7:260 lid 2 BW Pro en Hof Leeuwarden 15 februari 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7495