Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de verzetdagvaarding van 30 juli 2025
- de brief van 10 november 2025 met 3 producties van [opposante]
- de brief van 10 november 2025 met een aanvullende productie van [geopposeerde]
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 20 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond van de zaak
4.De beoordeling
€ 2.509,72 bruto aan ORT. [opposante] heeft niet betwist dat [geopposeerde] onregelmatige diensten heeft gewerkt. [geopposeerde] heeft met productie 22 voldoende onderbouwd wanneer zij in 2019 en in 2020 onregelmatige diensten heeft gewerkt en welke vergoedingen daarvoor gelden. De kantonrechter ziet geen aanleiding productie 22 buiten beschouwing te laten zoals [opposante] heeft verzocht. In de dagvaarding onder punt 31 heeft [geopposeerde] gesteld dat productie 22 de berekening is van de ORT over de gewerkte uren. Uit deze productie blijkt per werkdag voor welke gewerkte uren een ORT geldt en dat dit leidt tot een totaal aan ORT voor 2019 van
135,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
5.De beslissing
- € 2.509,72 bruto voor onregelmatigheidstoeslag
- € 258,48 bruto voor eenmalige uitkering
- € 1.261,37 bruto voor eindejaarsuitkering
- € 816,08 bruto voor vakantiegeld
- € 1.436,00 bruto voor salaris over december 2020,
24 december 2025.