ECLI:NL:RBMNE:2025:7075

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/16/599103 / HL ZA 25-231
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 lid 3 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling geldlening met contractuele rente en incassokosten toegewezen

In deze civiele procedure vordert eiseres sub 1 de terugbetaling van een geldlening van in totaal €50.000,00 die aan gedaagde is verstrekt. Gedaagde heeft geen verweer gevoerd, waardoor de rechtbank uitgaat van de juistheid van de vordering. De rechtbank stelt vast dat de resterende hoofdsom €49.122,41 bedraagt na aftrek van reeds gedane aflossingen.

Eiseres sub 1 vordert daarnaast contractuele rente van €24.176,16, welke onbetwist is gebleven, en wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De rechtbank wijst de wettelijke rente over de hoofdsom af omdat een hogere contractuele rente is overeengekomen. De wettelijke rente over de contractuele rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding wegens het ontbreken van een ingebrekestelling.

Verder worden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot het wettelijke maximum van €1.266,22, met wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De proceskosten van €4.507,78 worden eveneens aan gedaagde opgelegd. De vorderingen van eiseres sub 2 worden afgewezen omdat zij geen contractspartij is. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €49.122,41 met contractuele rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/599103 / HL ZA 25-231
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
2.
[eiseres sub 2],
te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna afzonderlijk te noemen [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] en samen [eiseres sub 1] c.s.,
advocaat: mr. S.K. Tuithof,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.S. Rozenbeek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 20 augustus 2025 met producties 1 tot en met 6.
1.2.
Tegen [gedaagde] is verstek verleend, omdat hij het griffierecht niet op tijd heeft betaald. Hij heeft het griffierecht daarna alsnog betaald, waardoor het verstek is gezuiverd. Vervolgens is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord te nemen op de rol van 19 november 2025. Dit heeft hij niet gedaan, waardoor het recht om deze proceshandeling te verrichten is vervallen. Daarop is bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen. Dit geldt als een vonnis op tegenspraak.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] heeft € 50.000,00 van [eiseres sub 1] geleend, maar niet volledig terugbetaald. In deze procedure vordert [eiseres sub 1] dat het bedrag alsnog wordt terugbetaald, te vermeerderen met rente en kosten. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank wijst de vorderingen grotendeels toe.

3.De beoordeling

[gedaagde] heeft € 50.000,00 van [eiseres sub 1] geleend
3.1.
[eiseres sub 1] c.s. stelt dat er tussen partijen meerdere geldleningsovereenkomsten zijn gesloten op grond waarvan er in totaal € 50.000,00 aan [gedaagde] is uitgeleend.
3.2.
Allereerst moet bepaald worden wie de contractspartijen bij deze geldleningsovereenkomsten zijn. De lener is [gedaagde] . [eiseres sub 1] c.s. vordert primair dat de geldlening aan [eiseres sub 1] (de B.V.) wordt terugbetaald. De rechtbank leidt hieruit af dat de stelling van [eiseres sub 1] c.s. is dat [eiseres sub 1] (de B.V.) de uitlener is en daarmee als contractspartij van [gedaagde] heeft te gelden (en niet [eiseres sub 2] ). Dit wordt ook wel bevestigd door het deel van de geldleningsovereenkomsten dat op schrift is gesteld, waarin [eiseres sub 1] steeds als contractspartij is opgenomen (productie 2). Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, gaat de rechtbank ervan uit dat [eiseres sub 1] en [gedaagde] de contractspartijen zijn bij de geldleningen van in totaal € 50.000,00.
3.3.
Het voorgaande betekent dat [eiseres sub 2] niet de contractspartij was bij de geldleningsovereenkomst, waardoor haar vorderingen worden afgewezen.
[gedaagde] moet het restant van de geldlening terugbetalen
3.4.
[eiseres sub 1] vordert een bedrag van € 50.222,41 aan hoofdsom. Dit bedrag is niet juist. [gedaagde] heeft € 50.000,00 geleend. Uit het overzicht in randnummer 14 van de dagvaarding volgt dat er in totaal € 877,59 is afgelost. Dit betekent dat er een hoofdsom van € 49.122,41 resteert. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij dit bedrag van de lening niet terug heeft betaald.
3.5.
[eiseres sub 1] stelt dat aanvankelijk is afgesproken dat [gedaagde] met ingang van maart 2015 € 250,00 per maand zou aflossen, per juni 2015 € 100,00 per week en vanaf januari 2016 minimaal € 5.000,00 per jaar. Hiermee is de volledige lening inmiddels opeisbaar, zo volgt ook uit het door [eiseres sub 1] overgelegde betalingsschema in productie 4. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Dit betekent dat de rechtbank de vordering tot terugbetaling van het restant van de lening van € 49.122,41 zal toewijzen.
[gedaagde] moet contractuele rente over de geldlening betalen
3.6.
[eiseres sub 1] vordert € 24.176,16 aan verschenen contractuele rente over de geldlening. [gedaagde] heeft dit bedrag niet betwist, zodat deze vordering wordt toegewezen.
3.7.
[eiseres sub 1] vordert ook de wettelijke rente over de geldlening. Deze vordering is niet toewijsbaar, omdat tussen partijen al een andere, hogere rente is overeengekomen en hiervoor is toegewezen (artikel 6:119 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)).
3.8.
[eiseres sub 1] vordert ook wettelijke rente over de verschenen contractuele rente. [gedaagde] is pas wettelijke rente over de verschenen contractuele rente verschuldigd vanaf het moment dat hij met de betaling daarvan in verzuim is geraakt. [eiseres sub 1] heeft niets gesteld over de uiterste dag van betaling van de verschuldigde contractuele rente, zodat de wettelijke rente pas verschuldigd zal zijn na een ingebrekestelling tot betaling van de contractuele rente. Zo’n ingebrekestelling zit niet in het dossier. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf de dagvaarding.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.9.
[eiseres sub 1] maakt aanspraak op de vergoeding van € 1.270,22 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat er een lagere hoofdsom wordt toegewezen, is het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, zijnde € 1.266,22.
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.11.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres sub 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.214,00
(1 punt × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.507,78
3.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beoordeling

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres sub 1] te betalen:
  • € 49.122,41 aan hoofdsom;
  • € 24.176,16 aan contractuele rente berekend tot en met 19 augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 20 augustus 2025 tot de voldoening;
  • € 1.266,22 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 20 augustus 2025 tot de voldoening;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.507,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
5274