In deze civiele procedure vordert eiseres sub 1 de terugbetaling van een geldlening van in totaal €50.000,00 die aan gedaagde is verstrekt. Gedaagde heeft geen verweer gevoerd, waardoor de rechtbank uitgaat van de juistheid van de vordering. De rechtbank stelt vast dat de resterende hoofdsom €49.122,41 bedraagt na aftrek van reeds gedane aflossingen.
Eiseres sub 1 vordert daarnaast contractuele rente van €24.176,16, welke onbetwist is gebleven, en wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De rechtbank wijst de wettelijke rente over de hoofdsom af omdat een hogere contractuele rente is overeengekomen. De wettelijke rente over de contractuele rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding wegens het ontbreken van een ingebrekestelling.
Verder worden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot het wettelijke maximum van €1.266,22, met wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De proceskosten van €4.507,78 worden eveneens aan gedaagde opgelegd. De vorderingen van eiseres sub 2 worden afgewezen omdat zij geen contractspartij is. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.