ECLI:NL:RBMNE:2025:7077
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot duidelijkheid over termijn van afwikkeling faillissement
In deze zaak heeft de rechter-commissaris P.J. Neijt op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van de heer [verzoeker] met betrekking tot de afwikkeling van zijn faillissement. De heer [verzoeker] had op 7 november 2025 een verzoek ingediend op grond van artikel 69 van de Faillissementswet (Fw), waarin hij om duidelijkheid vroeg over de termijn van afwikkeling van zijn faillissement. De curator had op 1 december 2025 gereageerd op dit verzoek en aangegeven dat er nog een achterstand van € 2.300,- in aflossingen aan de boedel moest worden ingelopen, en dat er een onderzoek door de Belastingdienst liep naar de administratie van de heer [verzoeker] in verband met een vordering op [bedrijf].
De rechter-commissaris heeft in zijn beslissing uiteengezet dat volgens artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) elke procedure binnen een redelijke termijn moet worden behandeld. In het kader van een faillissementsprocedure moet de rechter-commissaris toezien op een spoedige afwikkeling. De heer [verzoeker] is inmiddels 25 maanden in faillissement, terwijl er bij een persoonlijk faillissement gestreefd wordt naar een afwikkeling binnen 18 maanden. De rechter-commissaris heeft echter vastgesteld dat er omstandigheden zijn die de duur van het faillissement rechtvaardigen, zoals de omvangrijke schuldenlast van ongeveer € 1,8 miljoen en de achterstand in afdracht van inkomsten aan de boedel.
De rechter-commissaris concludeert dat de redelijke termijn voor de behandeling van het faillissement van de heer [verzoeker] op dit moment niet is overschreden en wijst het verzoek af. De heer [verzoeker] heeft de mogelijkheid om binnen vijf dagen na de uitspraak, uitsluitend via een advocaat, hoger beroep aan te tekenen bij de rechtbank. Een kopie van de beslissing is naar de curator gestuurd.