ECLI:NL:RBMNE:2025:7085

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
24/7962
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve berekening huurtoeslag 2023 en de rol van zorgbehoevende kinderen in het toetsingsinkomen

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 26 november 2025, wordt de definitieve berekening van de huurtoeslag voor het jaar 2023 behandeld. De zaak betreft eiser, die twee zorgbehoevende volwassen kinderen thuis heeft wonen. Dienst Toeslagen heeft de huurtoeslag vastgesteld op € 0,- omdat het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiser, zijn vrouw en hun kinderen te hoog is. De rechtbank oordeelt dat het inkomen van de zorgbehoevende kinderen terecht is meegenomen in de berekening van het toetsingsinkomen, waardoor eiser niet in aanmerking komt voor huurtoeslag. Echter, de rechtbank oordeelt ook dat eiser de al ontvangen huurtoeslag van € 5.024,- niet hoeft terug te betalen. Dit besluit is gebaseerd op de overweging dat de terugvordering niet evenredig is, gezien de omstandigheden van eiser en de rol van Dienst Toeslagen in de totstandkoming van de situatie. De rechtbank vernietigt het besluit van Dienst Toeslagen voor zover het de terugvordering betreft en matigt deze tot nihil. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7962

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Kartal),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigden] )

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de huurtoeslag voor het jaar 2023 en in het bijzonder over de vraag of de twee thuiswonende zorgbehoevende volwassen kinderen van eiser bij de berekening van de huurtoeslag buiten beschouwing moeten worden gelaten. Dienst Toeslagen heeft de huurtoeslag op € 0,- vastgesteld, omdat het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiser, zijn vrouw en zijn twee thuiswonende kinderen te hoog is. Het inkomen van thuiswonende zorgbehoevende personen telt alleen niet mee voor het gezamenlijke toetsingsinkomen als dit inkomen van alle bewoners bij elkaar onder de inkomensgrens in artikel 2a van het Besluit op de huurtoeslag blijft. Dit is niet het geval. Omdat eiser wel al € 5.024,- (incl. rente) aan huurtoeslag heeft ontvangen, moet hij dat terugbetalen.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat Dienst Toeslagen de inkomens van de twee zorgbehoevende thuiswonende kinderen van eiser heeft mogen betrekken bij de vaststelling van het gezamenlijke toetsingsinkomen. Op grond daarvan is het gezamenlijke toetsingsinkomen te hoog om in 2023 voor huurtoeslag in aanmerking te komen. De rechtbank vindt echter wel dat eiser de al ontvangen huurtoeslag niet hoeft terug te betalen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Inleiding

1. Eiser heeft twee zorgbehoevende volwassen kinderen die bij hem en zijn vrouw thuis wonen. Sinds (in ieder geval) 2018 wordt door Dienst Toeslagen rekening met hen gehouden in de zin dat de Wajong-uitkeringen van de kinderen buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de huurtoeslag. De grondslag hiervoor is artikel 2a van het Besluit op de huurtoeslag (het Besluit).
1.1.
Dienst Toeslagen heeft op 28 december 2022 aan eiser een voorschot op de huurtoeslag voor 2023 verleend, waarbij de Wajong-uitkering van zijn dochter buiten beschouwing is gelaten. Eiser heeft Dienst Toeslagen vervolgens verzocht om ook de Wajong-uitkering van zijn zoon buiten beschouwing te laten. Dit heeft Dienst Toeslagen gedaan en dat heeft geleid tot het besluit van 23 augustus 2023 waarbij het voorschot op de huurtoeslag naar boven is bijgesteld. In november 2023 is Dienst Toeslagen gebleken dat eiser voor (in ieder geval) 2023 niet aan de voorwaarden van artikel 2a van het Besluit voldoet. Dienst Toeslagen heeft vervolgens op 30 augustus 2024 de huurtoeslag voor 2023 definitief berekend. Daarbij heeft Dienst Toeslagen de Wajong-uitkeringen van beide kinderen alsnog meegenomen, met het gevolg dat het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiser, zijn vrouw en thuiswonende kinderen, te hoog is om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. De huurtoeslag is daarom op nihil vastgesteld en er is bepaald dat eiser € 5.024,- moet terugbetalen.
1.2.
Eiser is het hiermee oneens. Het bezwaar van eiser is door Dienst Toeslagen ongegrond verklaard bij besluit van 29 oktober 2024 (het bestreden besluit). Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De zitting bij de rechtbank vond plaats op 8 juli 2025. Hierbij waren namens eiser aanwezig: eiser, zijn vrouw, zijn twee thuiswonende kinderen, zijn gemachtigde en [A] , namens Stichting Oranje Horizon. Als tolk was T. Koc aanwezig. Namens Dienst Toeslagen waren zijn gemachtigden op de zitting.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropend en vragen aan Dienst Toeslagen gesteld over de totstandkoming van de inkomensgrens in artikel 2a van het Besluit. Dienst Toeslagen heeft die vragen beantwoord en eiser heeft hierop gereageerd. Aangezien partijen hebben afgezien van een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek vervolgens opnieuw gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Definitieve berekening huurtoeslag 2023
Toepassing uitzondering in artikel 2a van het Besluit
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op huurtoeslag over het jaar 2023. Hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 2a van het Besluit, want twee van zijn thuiswonende (volwassen) kinderen hebben een verzorgingsbehoefte. Daarom moeten deze kinderen bij de berekening van de huurtoeslag buiten beschouwing worden gelaten. Er is volgens eiser bovendien sprake van een zeer uitzonderlijke situatie. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij volledig is afgekeurd en daarom een uitkering ontvangt. Hij heeft twee kinderen die ernstig meervoudig (zowel geestelijk als lichamelijk) gehandicapt zijn. Zij wonen niet in een zorginstelling, maar thuis in een daarop aangepast huis en worden door hem en zijn vrouw verzorgd. Volgens eiser is deze situatie bijzonder, omdat hij niet één zorgbehoevend persoon thuis heeft wonen, maar twee. Eiser vindt daarom dat Dienst Toeslagen de Wajong-uitkering van in ieder geval één van zijn kinderen buiten beschouwing moet laten. Het Besluit laat hiervoor ook ruimte. Dat in het Besluit in enkelvoud wordt gesproken over ‘een partner of medebewoner’ laat namelijk zien dat de toets per persoon moet plaatsvinden. Dat betekent dat telkens per zorgbehoevende persoon naar het inkomen moet worden gekeken en alleen dat inkomen moet worden meegeteld bij het bepalen van het gezamenlijke toetsingsinkomen. Bovendien is deze uitleg in lijn met de voormalige Huursubsidiewet en rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] .
3. De rechtbank stelt voorop dat het recht op en de hoogte van de huurtoeslag onder meer afhankelijk is van de draagkracht van de huurder, diens partner en de medebewoners. [2] Voor de draagkracht wordt – kort gezegd – gekeken naar het gezamenlijke toetsingsinkomen van de bewoners. Dit wordt aan de hand van het inkomensgegeven van de Inspecteur vastgesteld. [3] Er wordt geen huurtoeslag toegekend als het gezamenlijke toetsingsinkomen hoger is dan € 34.575 in 2023. [4]
3.1.
Het definitief vastgestelde gezamenlijke toetsingsinkomen van eiser, zijn vrouw en hun twee thuiswonende kinderen bedraagt in 2023 € 60.754:
- eiser € 22.782
- toeslagpartner € 0
- dochter € 18.986
-
zoon € 18.986
totaal € 60.754
3.2.
Uitgaande van dat toetsingsinkomen komt eiser niet voor huurtoeslag in aanmerking. Dit staat ook niet ter discussie. De vraag die voorligt is of een uitzondering moet worden gemaakt voor de thuiswonende kinderen van eiser in de zin dat hun inkomen (lees: de Wajong-uitkeringen) in de berekening van de draagkracht niet wordt meegenomen.
3.3.
In artikel 2a, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat onder meer een medebewoner bij die berekening buiten beschouwing wordt gelaten als sprake is van een verzorgingsbehoefte bij die medebewoner. Dit geldt volgens het tweede lid uitsluitend als:
a. de verzorgingsbehoefte blijkt uit een indicatiebesluit van het CIZ, genoemd in artikel 7.1.1 van de Wet langdurige zorg;
b. het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over het berekeningsjaar van de in het eerste lid bedoelde buiten beschouwing te laten persoon, niet meer bedraagt dan € 4.778
[2023];en
c. het gezamenlijke toetsingsinkomen van de huurder, diens partner en de medebewoners, met inbegrip van de in het eerste lid bedoelde buiten beschouwing te laten persoon, niet meer bedraagt dan € 52.425
[2023].
3.4.
In dit geval wordt niet aan deze voorwaarden voldaan. Bij de kinderen is weliswaar sprake van een verzorgingsbehoefte die blijkt uit de indicatiebesluiten van het CIZ, maar dit alleen is niet voldoende. Ook aan de voorwaarden onder b. en c. moet zijn voldaan en vaststaat dat aan de voorwaarde onder c. niet wordt voldaan. Het gezamenlijke toetsingsinkomen is immers € 60.754 en komt daarmee boven de in sub c. genoemde grens van € 52.425 uit. Het is niet zo dat voor de in sub c. genoemde grens alleen het inkomen van
maximaaléén medebewoner met een verzorgingsbehoefte moet worden meegeteld. In sub c. staat dat het gaat om ‘het gezamenlijke toetsingsinkomen van de huurder, dienst partner en de medebewoner
s’. Het gaat dus om alle bewoners samen op dat adres. Dat er in sub c. ook staat ‘met inbegrip van de in het eerste lid bedoelde buiten beschouwing te laten persoon’ in plaats van ‘personen’, maakt dat niet anders. Er staat duidelijk dat het gaat om álle personen op het adres. Uit de door eiser aangehaalde Huursubsidiewet of rechtspraak blijkt evenmin dat de uitleg van eiser moet worden gevolgd. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte voor een dusdanige uitleg van sub c. dat alleen het inkomen van één van de verzorgingsbehoevende kinderen van eiser meetelt.
4. De rechtbank stelt verder vast dat artikel 2a van het Besluit zelf geen ruimte biedt om rekening te houden met de omstandigheden van het concrete geval. Gelet op wat eiser aanvoert in zijn beroep, bestaat er voor de rechtbank wel aanleiding om te toetsen of toepassing van artikel 2a, tweede lid, onder c, van het Besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat houdt concreet in dat de rechtbank beoordeelt hoe de nadelige gevolgen van toepassing van de inkomensgrens zich verhouden tot het doel daarvan en of de toepassing tot onevenredige gevolgen leidt en daarom niet moet worden toegepast.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het doel van artikel 2a van het Besluit is om te bevorderen dat gehandicapten/zorgbehoevenden zo lang mogelijk zelfstandig (thuis) kunnen blijven wonen waardoor opname in een verpleeginstelling kan worden voorkomen. De inkomensgrens in sub c. is gesteld, omdat de uitzondering is bedoeld voor bijzonder harde situaties. [5] Alleen als het gezamenlijke toetsingsinkomen onder de inkomensgrens blijft, wordt een uitzondering gemaakt.
4.2.
Het gevolg van toepassing van de inkomensgrens voor eiser is dat het gezamenlijke toetsingsinkomen van het gezin te hoog is om voor de uitzondering van artikel 2a van het Besluit in aanmerking te komen. Dat betekent concreet dat eiser geen huurtoeslag krijgt. Het gevolg daarvan is dat eiser de huur zonder toeslag moet betalen. Op de zitting heeft eiser verteld dat zijn huur hoog is omdat hij in een voor de zorg aangepast huis woont. Als hij geen toeslag krijgt, dan heeft dat gevolgen van de financiële situatie van het gezin. Hij kan dan minder geld uitgeven aan de zorg van de kinderen, naast het persoonsgebonden budget dat zijn kinderen ontvangen.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat zij begrip heeft voor de situatie van eiser. Eiser heeft twee ernstig meervoudige gehandicapte kinderen die blijvend zorgafhankelijk zijn. Het is bewonderenswaardig dat eiser en zijn vrouw nog steeds de zorg voor hen op zich nemen en het mogelijk maken dat zij thuis wonen. Ook heeft de begeleider van het gezin op de zitting duidelijk uitgelegd wat de impact hiervan is op het gezin. Die is groot. Dat ziet de rechtbank.
4.4.
De rechtbank vindt echter niet dat de inkomensgrens buiten toepassing moet worden gelaten omdat de toepassing van die grens onevenredig uitpakt. In dat verband vindt de rechtbank relevant dat de regelgever een financiële grens heeft willen stellen, omdat de uitzondering is bedoeld voor bijzonder harde situaties. Met bijzonder harde situaties bedoelt de regelgever dus situaties waarin iemand niet alleen een zorgbehoevend persoon in huis heeft, maar ook financieel (erg) beperkt is. Hoewel de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen hoe de inkomensgrens tot stand is gekomen, ziet de rechtbank wel dat de grens beduidend hoger ligt dan het ‘reguliere’ norminkomen van de Wet op de huurtoeslag. [6] Er is dus in ieder geval tot op zekere hoogte rekening mee gehouden dat het inkomen van een zorgbehoevend persoon, zoals een Wajong-uitkering, bovenop het inkomen komt. De omstandigheid dat het hier om twee zorgbehoevende personen en dus twee Wajong-uitkeringen gaat, maakt de toepassing van de inkomensgrens niet onevenredig. De Wajong-uitkeringen zijn gelden die kunnen worden aangewend voor het betalen van de vaste lasten. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser de uitkeringen ook gebruikt om extra verzorging voor de kinderen te kopen, maakt dit de toepassing niet onevenredig. De kinderen ontvangen ook een persoonsgebonden budget en dat is bedoeld om zorg in te kopen. Dat eiser een hogere huur betaalt om te kunnen wonen in een voor de zorg aangepast huis is tot slot een gevolg om rekening mee te houden. De uitzondering in het Besluit is immers juist in het rekening geroepen om het mogelijk te maken dat zorgbehoevende personen thuis blijven wonen. De rechtbank vindt echter niet dat hierdoor een dusdanig nadelig gevolg van toepassing van de inkomensgrens is ontstaan, dat die inkomensgrens niet of slechts gedeeltelijk moet worden toegepast. Eiser heeft niet concreet gemaakt waarom het gezamenlijke inkomen van het gezin onvoldoende is om die huur te voldoen.
4.5.
Dat betekent dat Dienst Toeslagen de inkomensgrens heeft mogen toepassen in dit geval. Het gezamenlijke toetsingsinkomen is te hoog om een uitzondering te maken als bedoeld in artikel 2a van het Besluit. Dat betekent dat eiser in beginsel geen aanspraak maakt op huurtoeslag voor het jaar 2023.
Vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert in dit verband verder aan dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat het inkomen van beide kinderen buiten beschouwing zou worden gelaten in 2023. Dit is in eerdere jaren namelijk wel gebeurd.
6. Dit beroep slaagt niet. Eiser heeft weliswaar vanaf (in ieder geval) 2018 van de uitzondering in artikel 2a van het Besluit gebruik mogen maken, maar dat betekent niet dat hij er daarom op heeft mogen vertrouwen dat ook voor 2023 een uitzondering zou worden gemaakt. Als er een verzoek hiertoe wordt gedaan, beoordeelt Dienst Toeslagen voor dat berekeningsjaar opnieuw of er een uitzondering moet worden gemaakt. Een eerdere aanspraak geeft dus niet automatisch aanspraak voor een volgend jaar. Bovendien is eiser er ook telkens in brieven op gewezen dat er een uitzondering wordt gemaakt zolang het gezamenlijke toetsingsinkomen onder de inkomensgrens blijft. Als dat inkomen boven de grens komt te liggen, dan gaat de uitzondering niet meer op. Dit laat zien dat er geen toezegging is gedaan dat ook 2023 de uitzondering uit artikel 2a van het Besluit zou worden toegepast. Eiser mocht er dus ook niet op vertrouwen dat hij in 2023 van de uitzondering gebruik mocht maken.
Tussenconclusie
7. Dienst Toeslagen heeft terecht de uitzondering van artikel 2a van het Besluit niet toegepast. Er is geen reden om dit artikel (specifiek de inkomensgrens) buiten toepassing te laten in verband met strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Dienst Toeslagen heeft daarom terecht de huurtoeslag voor 2023 op nihil vastgesteld.
Terugvordering van de ontvangen toeslag
8. Eiser vindt dat hij de toeslag niet hoeft terug te betalen. Hij zit in een zeer moeilijke situatie en komt door de terugbetaling in financiële problemen. Dienst Toeslagen had bovendien al eerder kunnen en moeten weten dat het gezamenlijke toetsingsinkomen boven de inkomensgrens zou uitkomen. Door het voorschot toe te kennen en op te hogen, is nu de situatie ontstaan dat eiser een hoog bedrag moet betalen.
9. De rechtbank geeft eiser op dit punt gelijk. Hoewel iemand in beginsel de volledige toeslag moet terugbetalen als hij die ten onrechte heeft gekregen, moet Dienst Toeslagen wel ook altijd de betrokken belangen wegen en bezien of de terugvordering evenredig is. [7] Volgens het beleid van Dienst Toeslagen [8] is daarbij onder meer relevant wat de oorzaak is van de terugvordering, de rol van de belanghebbende en Dienst Toeslagen (bij het ontstaan van de terugvordering), inclusief (systeem)fouten – en de voorzienbaarheid.
9.1.
In dit geval heeft Dienst Toeslagen op 28 december 2022 een voorschot voor de huurtoeslag berekend van € 1.609, waarbij de dochter van eiser is uitgezonderd op grond van artikel 2a van het Besluit. Vervolgens heeft eiser op 15 mei 2023 Dienst Toeslagen verzocht om ook zijn zoon uit te zonderen op grond van artikel 2a van het Besluit. Dit verzoek heeft Dienst Toeslagen toegewezen en het voorschot is op 23 augustus 2023 bijgesteld naar € 4.992. Het was echter niet juist dat de kinderen werden uitgezonderd en dat er een voorschot werd verleend en opgehoogd halverwege het jaar. Die fout werd bij Dienst Toeslagen weliswaar pas in november 2023 bekend, maar dat had de dienst eerder kunnen en moeten weten. Dienst Toeslagen heeft namelijk gezegd dat er een berekeningsfout is gemaakt in 2022 die ertoe heeft geleid dat er in 2023 een voorschot is uitgekeerd en opgehoogd, terwijl daarop voor 2023 – en in enkele eerdere jaren – geen recht bleek te zijn. De rechtbank weet dat het toeslagsysteem zo werkt dat pas bij de definitieve berekening daadwerkelijk een aanspraak op huurtoeslag ontstaat, maar dat maakt de terugvordering in deze specifieke situatie nog niet evenredig. De terugvordering is veroorzaakt door een fout bij Dienst Toeslagen en dat hoefde eiser niet te voorzien. Zijn kinderen werden immers al meerdere jaren uitgezonderd en bovendien is het voorschot in de zomer van 2023 nog opgehoogd na aanleiding van zijn verzoek om ook zijn zoon uit te zonderen.
9.2.
Dit alles maakt dat Dienst Toeslagen in dit specifieke geval toepassing had moeten geven aan artikel 26, tweede lid, van de Awir en de terugvordering had moeten matigen naar nihil. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. Dienst Toeslagen mocht de huurtoeslag voor 2023 op nihil vaststellen. Eiser hoeft echter de al ontvangen huurtoeslag voor dit jaar niet terug te betalen, omdat de terugvordering had moeten worden gematigd naar nihil. Om die reden is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 29 oktober 2024, voor zover daarbij de terugvordering niet is gematigd tot nihil. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de terugvordering te matigen tot nihil en het besluit van 30 augustus 2024 in zoverre te herroepen. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.267,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en een reactie heeft gegeven op de antwoorden van Dienst Toeslagen op de nadere vragen van de rechtbank. In de bezwaarfase zijn geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 oktober 2024, voor zover daarbij de terugvordering niet is gematigd tot nihil;
- herroept het besluit van 30 augustus 2024, voor zover daarin is bepaald dat het uitbetaalde voorschot huurtoeslag 2023 wordt teruggevorderd;
- bepaalt dat de terugvordering van het voorschot huurtoeslag 2023 wordt gematigd tot nihil;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 29 oktober 2024;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 2.267,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser noemt onder meer de uitspraak van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:27.
2.Artikel 7 van de Wet op de huurtoeslag.
3.Artikelen 7 en 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
4.Artikel 14, eerste lid, onder b, van de Wet op de huurtoeslag.
5.Volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit,
6.In artikel 14 van de Wet op de huurtoeslag.
7.Artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
8.Verzamelbesluit Toeslagen.