ECLI:NL:RBMNE:2025:7100

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/8234
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening omgevingsvergunning voor dakopbouw en de toepassing van lex specialis boven lex generalis

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 22 december 2025 uitspraak gedaan over de verlening van een omgevingsvergunning voor een dakopbouw door vergunninghouders. De vergunninghouders, die een derde bouwlaag van hun woning aan het [adres 1] willen uitbreiden, hebben op 22 mei 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht heeft deze vergunning op 15 juli 2024 verleend. Eiser, eigenaar van het aangrenzende perceel aan het [adres 2], heeft bezwaar gemaakt tegen deze vergunning, wat leidde tot een besluit op bezwaar op 19 november 2024 waarin de vergunning in stand werd gelaten. Eiser heeft hierop beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak op 8 september 2025 behandeld. Eiser betoogde dat de vergunning niet verleend had mogen worden, omdat de bouwhoogte van de woning met de dakopbouw zou overschrijden wat volgens het bestemmingsplan is toegestaan. De rechtbank oordeelde echter dat de specifieke bouwaanduiding-6, die een dakopbouw van 3 meter toestaat, voorrang heeft boven de algemene maximale bouwhoogte van 6 meter. De rechtbank concludeerde dat de overschrijding van 9 centimeter, die voortvloeit uit de aansluiting van de dakopbouw op de bestaande derde bouwlaag, binnen de toegestane afwijking valt en geen afbreuk doet aan de ruimtelijke belangen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep van eiser ongegrond en bleef de omgevingsvergunning in stand.

De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen aanleiding was voor een proceskostenvergoeding aan eiser. De uitspraak is openbaar uitgesproken en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8234
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 op het beroep in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Hillenaar).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [persoon 1] en[persoon 2] , vergunninghouders

(gemachtigde: mr. R. Oosterbroek)

Inleiding

1. Vergunninghouders willen de derde bouwlaag van hun woning aan het [adres 1] uitbreiden door op de plek waar nu het dakterras ligt een dakopbouw te realiseren. Hiervoor hebben zij op 22 mei 2024 bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit en voor een technische bouwactiviteit. Met het besluit van 15 juli 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de bouwactiviteit (technisch) en de bouwactiviteit (omgevingsplan).
2. Eiser is eigenaar van het aangrenzende perceel aan het [adres 2] , en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Hij heeft daarom bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 19 november 2024 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning, onder een aanvullende motivering, in stand gelaten.
3. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld en heeft de beroepsgronden aangevuld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghouders hebben ook schriftelijk gereageerd. De zaak is op 8 september 2025 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het college is op de zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghouders zijn ook verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

Het bestreden besluit
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan gekregen dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van vergunninghouders geldt het ‘Omgevingsplan gemeente Utrecht’. Dit omgevingsplan heeft een tijdelijk deel: de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en de omgevingsplanregels van rechtswege (de bruidsschat). [1]
5. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een ‘omgevingsplanactiviteit; te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow, is een omgevingsplanactiviteit een:
activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om die zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om die zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
6. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat als de situatie onder b zich voordoet (de activiteit is zonder omgevingsvergunning verboden en in strijd met het omgevingsplan), de activiteit wordt vergund als die in overeenstemming is met de voorwaarden uit het omgevingsplan voor het verlenen van de benodigde omgevingsvergunning. We spreken dan van een ‘binnenplanse omgevingsplanactiviteit’.
7. In deze zaak is sprake van zo’n binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Op het perceel van vergunninghouders was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Parkwijk, Langerak’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Utrecht. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het perceel de enkelbestemming Wonen-2 en de specifieke bouwaanduiding-6. Het perceel heeft ook een bouwvlak waarbinnen een maximum bouwhoogte van 6 meter geldt. Vanwege de specifieke bouwaanduiding-6 mag er op het perceel, onder voorwaarden, een extra bouwlaag in de vorm van een dakopbouw worden gebouwd. Een van die voorwaarden is dat de hoogte van de dakopbouw op zichzelf maximaal 3 meter mag zijn. [2]
8. De woning van vergunninghouders bestaat uit drie bouwlagen en is 8,54 meter hoog. De hoogte van de derde bouwlaag is op zichzelf 3,09 meter. Vergunninghouders willen deze bouwlaag verbreden met de dakopbouw, maar als zij de dakopbouw netjes willen laten aansluiten op de bestaande bouw zal ook die een hoogte van 3,09 meter krijgen. Dit is 9 centimeter meer dan toegestaan. De activiteit is op dit punt dus in strijd met artikel 19.2.1., onder o van de planregels bij het bestemmingsplan.
9. Het bestemmingsplan biedt echter de mogelijkheid om een afwijkende bouwhoogte te vergunnen tot niet meer dan 10% van de maximale bouwhoogte. Bij een hoogte van 3 meter, is dat dus tot 30 centimeter méér. Deze afwijking mag dan alleen geen afbreuk doen aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. [3]
10. Het college heeft deze afwijkingsmogelijkheid gebruikt. Hierbij heeft het college zich mede gebaseerd op het positieve advies van de afdeling Stedenbouw, die het vanuit stedenbouwkundig oogpunt juist gewenst acht om de dakopbouw qua hoogte aan te laten sluiten op de bestaande derde bouwlaag. De beperkte afwijking met 9 centimeter doet volgens de afdeling Stedenbouw verder geen afbreuk aan de omgeving.
Het beroep
11. Eiser heeft alleen gronden aangevoerd die zien op de bouwactiviteit (omgevingsplan). Hij voert aan dat het college de aanvraag had moeten weigeren, omdat niet wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte van 6 meter. De woning wijkt hier met zijn 8,54 meter hoog, al vanaf en het verder vergroten van een bestaande afwijking is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. Voor zover de afwijkingsmogelijkheid van 10% hier al geldt, wordt volgens eiser dus afgeweken met 2.54 meter in plaats van slechts 9 centimeter. Dit is meer dan 10% zodat de gevraagde vergunning ook om die reden had moeten worden geweigerd.
Beoordeling van het beroep
12. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op grond van het bestemmingsplan geldt inderdaad een maximale bouwhoogte van 6 meter. Speciale regels gaan echter vóór algemene regels. De specifieke bouwaanduiding-6 (de speciale regel) maakt het mogelijk om, daarbovenop, een dakopbouw van 3 meter hoog te realiseren. Dat betekent dus ook dat de woning niet ‘al te hoog is’. De bestaande derde bouwlaag
isnu juist die extra toegestane bouwlaag in de vorm van een dakopbouw. En die bouwlaag willen vergunninghouders uitbreiden.
13. Omdat de derde bouwlaag 3,09 meter hoog is en het de bedoeling is om daarop aan te sluiten, wordt dus ook de uitbreiding 9 centimeter hoger dan de maximaal toegestane 3 meter. Deze overschrijding behelst niet meer dan 10% en mag dus worden vergund, mits dat geen afbreuk doet aan de in het bestemmingsplan opgesomde (ruimtelijke) belangen. Eiser heeft in dat kader gewezen op het zonlicht en het uitzicht vanaf zijn dakterras. De rechtbank kan het college er echter in volgen dat hij daar, nu het slechts om 9 centimeter gaat, geen doorslaggevende betekenis aan heeft toegekend.
14. Gelet op het voorgaande heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning op goede gronden en met een juiste toepassing van de planregels, verleend. De beroepsgronden van eiser slagen niet. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.
15. Voor een proceskostenvergoeding waaronder de door eiser geclaimde reiskosten, bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan diegene de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 22.1 en 22.2 van de Ow.
2.Artikel 19.2.1, aanhef en onder o, van de planregels bij het bestemmingsplan.
3.Artikel 28, aanhef en onder a, van de planregels bij het bestemmingsplan.