Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:7113

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/7326-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:38 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:41 lid 6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet betalen griffierecht ongegrond verklaard

Opposante heeft beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting afgedaan omdat er geen twijfel bestond over de uitkomst.

In het verzet betoogt opposante dat een onjuiste woonplaatsvermelding in de eerdere uitspraak de geldigheid aantast en verzoekt om heroverweging van de niet-ontvankelijkverklaring en inhoudelijke behandeling van de zaak. De rechtbank beoordeelt in dit stadium alleen of het zonder zitting afdoen terecht was, niet de inhoud van het beroep.

De rechtbank stelt vast dat opposante geen verschoonbare omstandigheden heeft aangevoerd voor het niet betalen van het griffierecht, ondanks herhaalde aanmaningen. Daarom blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand en wordt het verzet ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdig betalen van griffierecht wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7326-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 op het verzet van

[oppossante] , te [plaats] , opposante.

Procesverloop

Opposante heeft op 10 november 2024, ontvangen door de rechtbank op 13 november 2024 beroep ingesteld, tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2024. In deze beslissing op bezwaar is het bezwaarschrift van opposante ongegrond verklaard.
In de uitspraak van 18 juli 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 juli 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het griffierecht niet (tijdig) heeft betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2025 niet juist was.
3. In verzet heeft opposante aangevoerd dat in de aanhef van de uitspraak een onjuiste woonplaats staat vermeld. Volgens opposante verstoort deze foutieve vermelding de correcte duiding van de procespartij, hetgeen de geldigheid van de uitspraak aantast. Vervolgens heeft opposante verzocht om de niet-ontvankelijkverklaring te heroverwegen. Daarnaast heeft opposante verzocht om te erkennen dat ondergetekende geen partij is bij een bestuurscontract of bij een fictieve inschrijving. Tot slot heeft opposante gevraagd om de zaak alsnog inhoudelijk te behandelen, dan wel expliciet te motiveren waarom het verdrag in dit geval geen werking zou hebben.
4. In artikel 8:41 van Pro de Awb staat dat iemand die beroep instelt tijdig griffierecht moet betalen. Op 12 maart 2025 heeft de rechtbank opnieuw een aangetekende nota verzonden naar opposante, waarin staat dat opposante het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Deze nota is retour gekomen. Vervolgens heeft de rechtbank deze brief, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38 van Pro de Awb, aan opposante per gewone post toegezonden. In deze brief van 10 april 2025 is aangegeven dat de eerdergenoemde termijn in de brief van 12 maart 2025 eindigt, twee weken na de datum van verzending van deze brief. Opposante had het griffierecht dus uiterlijk op 24 april 2025 moeten betalen. Dat betekent dat het hele bedrag dus binnen die termijn moet zijn betaald. Opposante heeft bij brief van 26 april 2025 gereageerd op de brief van 10 april 2025 en heeft aangegeven dat ze geen griffiekosten verschuldigd is om haar recht te verkrijgen. Het niet tijdig betalen van het griffierecht kan ertoe leiden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht niet aan opposante kan worden verweten. [1]
5. Er zijn door opposante in verzet geen omstandigheden aangevoerd die het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar maakt. De verstuurde nota is duidelijk: de nota moet tijdig betaald worden, anders loopt opposante het risico dat het beroepschrift niet ontvankelijk wordt verklaard. De rechtbank heeft de zaak daarom vereenvoudigd af mogen doen en heeft mogen oordelen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2025 in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Voetnoten

1.Art. 8:41, lid 6 van de Awb