ECLI:NL:RBMNE:2025:7124

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/2490-V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak over wegingsfactor proceskosten WOZ-waarde ongegrond verklaard

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank over de wegingsfactor die is toegepast bij de proceskostenvergoeding in een zaak over de WOZ-waarde van zijn woning.

Opposant was het niet eens met de gehanteerde wegingsfactor 0,25 en verzocht om toepassing van wegingsfactor 1, verwijzend naar recente arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraak van 13 maart 2025 de wegingsfactor 0,25 toegepast omdat de gemachtigde een gestandaardiseerde werkwijze gebruikte en het om een woning ging.

De rechtbank heeft het verzet beoordeeld en geoordeeld dat er geen aanleiding is om af te wijken van de gehanteerde wegingsfactor. De eerdere motivering is deugdelijk en de verwijzingen naar andere arresten betreffen specifieke gevallen die niet tot een algemene wijziging van de lijn leiden.

Daarom verklaart de rechtbank het verzet ongegrond en blijft de uitspraak van 13 maart 2025 ongewijzigd van kracht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak over de wegingsfactor proceskosten in de WOZ-zaak is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2490-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant,

(gemachtigde: B.A.M. Slockers).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van het de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht van 22 februari 2024. In dat besluit is het bezwaar van opposant tegen de WOZ-waarde van zijn woning ongegrond verklaard.
In de uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 20 februari 2025 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank in de uitspraak van
13 maart 2025 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 13 maart 2025 niet juist was.
3. Opposant vindt dat de rechtbank ten onrechte bij de proceskostenvergoeding voor het bezwaarschrift de wegingsfactor 0,25 heeft gehanteerd. Opposant verzoekt de rechtbank om de wegingsfactor 1 te hanteren. Daarbij wijst opposant op het arrest van 26 november 2024 [1] , waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat er sprake is van een zaak van gemiddeld gewicht met wegingsfactor 1. Ook wijst opposant erop dat de uitspraak van 4 september 2023 [2] , waar de rechtbank naar heeft verwezen, is vernietigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met het arrest van 1 oktober 2024. [3]
4. De rechtbank in de uitspraak van 13 maart 2025 overwogen dat de rechtbank al eerder (namelijk in de uitspraak van 4 september 2023 [4] , onder rechtsoverweging 18 en 19) uitgangspunten heeft opgesteld over de wegingsfactor bij proceskosten. Bij zaken over de WOZ-waarde waarin de gemachtigde gebruik maakt van een gestandaardiseerde werkwijze gebruikt de rechtbank wegingsfactor 0,25. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 13 maart 2025 bij dat uitgangspunt aangesloten. Zoals ook in de uitspraak van 13 maart 2025 staat, heeft de rechtbank kennisgenomen van het arrest van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2024 [5] , maar daarin geen aanleiding gezien om deze uitgangspunten te verlaten. Met dat arrest is de uitspraak van deze rechtbank waarin die uitgangspunten zijn geformuleerd weliswaar vernietigd, maar dat is gebeurd op andere gronden dan op grond van een inhoudelijke toetsing van de lijn van de rechtbank. In dat arrest, net als in het arrest van 26 november 2024 [6] , is enkel voor die specifieke zaak door het gerechtshof beoordeeld dat een andere wegingsfactor aan de orde is. De rechtbank heeft in de uitspraak van 13 maart 2024 in het geval van opposant een wegingsfactor van 0,25 toegepast, omdat het gaat om een woning en de gemachtigde een gestandaardiseerde werkwijze heeft toegepast.
5. De rechtbank ziet in het verzetschrift geen aanleiding om te oordelen dat het gebruik van de wegingsfactor 0,25 in de uitspraak van 13 maart 2025 niet klopt. De rechtbank heeft in de uitspraak van 13 maart 2023 deugdelijk gemotiveerd hoe het tot die wegingsfactor is gekomen en waarom nog steeds wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de (inmiddels vernietigde) uitspraak van 4 september 2023. De omstandigheid dat het gerechtshof in een andere zaak een wegingsfactor 1 toepast, geeft ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor 0,25.
6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 13 maart 2025 in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
De griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.