ECLI:NL:RBMNE:2025:7125

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/2629-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond verklaard tegen uitspraak over proceskostenvergoeding bij WOZ-waarde

Opposante had beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder waarin het bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar woning ongegrond werd verklaard. Tijdens de procedure deed verweerder een compromisvoorstel dat door opposante werd aanvaard, waarna het beroep werd ingetrokken en proceskostenvergoeding werd gevraagd.

De rechtbank had eerder een proceskostenvergoeding van €226,75 toegekend, maar opposante ging hiertegen in verzet omdat zij meende dat onterecht een wegingsfactor van 0,25 was toegepast en dat proceskosten voor de bezwaarfase niet waren toegekend.

De rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is omdat er geen beslissing was genomen over de proceskosten in de bezwaarfase. De rechtbank handhaaft de wegingsfactor 0,25 voor de beroepsfase, maar volgt het compromisvoorstel voor de bezwaarfase met een hogere vergoeding. Uiteindelijk wordt een totale proceskostenvergoeding van €777 toegekend zonder zitting, waarbij de rechtbank de eerdere uitgangspunten bevestigt en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden meeneemt in haar overwegingen.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €777 aan proceskosten aan opposante.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2629-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 op het verzet van

[oppossante] , te [plaats] , opposante,

(gemachtigde: B.A.M. Slockers),
tegen de uitspraak van deze rechtbank van 31 januari 2025,
en op het verzoek om proceskosten in de zaak tussen

[oppossante] , te [plaats] , opposante,

(gemachtigde: B.A.M. Slockers),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht,verweerder.

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 februari 2024. In dat besluit is het bezwaar van opposante tegen de WOZ-waarde van zijn woning ongegrond verklaard.
Tijdens het beroep heeft verweerder een ‘compromis-voorstel’ gedaan voer de WOZ-waarde van de woning van opposante. Opposante heeft met dat voorstel ingestemd, het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
In de uitspraak van 31 januari 2025 heeft de rechtbank een bedrag van € 226,75 aan proceskosten toegewezen. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 31 januari 2025 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank in de uitspraak van
31 januari 2025 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was.
3. Opposante vindt dat de rechtbank bij het bepalen van de proceskosten ten onrechte wegingsfactor 0,25 heeft toegepast. Daarnaast wijst zij er op dat de rechtbank ten onrechte geen proceskosten heeft toegekend voor de bezwaarfase.
4. De rechtbank is van oordeel dat de rechtbank in de uitspraak van 31 januari 2025 ten onrechte niet heeft besloten over de proceskosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt. Uit de stukken blijkt niet dat de proceskosten in de bezwaarfase al zijn vergoed. Er is formeel ook geen nieuwe beslissing op het bezwaar genomen, zodat opposante belang heeft bij een beslissing over de proceskosten in bezwaar. Het verzet is daarom gegrond.
5. De rechtbank is van oordeel dat er verder in redelijkheid geen twijfel mogelijk is over de uitkomst in deze zaak en zal daarom zonder zitting het verzoek beoordelen.
6. Net als in de uitspraak van 31 januari 2025, hanteert de rechtbank voor de bepaling van de hoogte van de proceskostenvergoeding wegingsfactor 0,25. Daartoe overweegt zij als volgt.
7. Opposante verzoekt de rechtbank om de wegingsfactor 1 te hanteren. Daarbij wijst opposante op het arrest van 26 november 2024 [1] , waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat er sprake is van een zaak van gemiddeld gewicht met wegingsfactor 1. Ook wijst opposante erop dat de uitspraak van 4 september 2023 [2] , waar de rechtbank naar heeft verwezen, is vernietigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met het arrest van 1 oktober 2024. [3]
8. In de uitspraak van 4 september 2023 [4] heeft de rechtbank uitgangspunten opgesteld over de wegingsfactor. Bij zaken over de WOZ-waarde waarin de gemachtigde gebruik maakt van een gestandaardiseerde werkwijze gebruikt de rechtbank wegingsfactor 0,25. De rechtbank sluit hier bij aan. De rechtbank heeft kennisgenomen van het arrest van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2024 [5] , maar ziet daarin geen aanleiding om deze uitgangspunten te verlaten. Met dat arrest is de uitspraak van deze rechtbank waarin die uitgangspunten zijn geformuleerd weliswaar vernietigd, maar dat is gebeurd op andere gronden dan op grond van een inhoudelijke toetsing van de lijn van de rechtbank. In dat arrest, net als in het arrest van 26 november 2024 [6] , is enkel voor die specifieke zaak door het gerechtshof beoordeeld dat een andere wegingsfactor aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het gebruik van de wegingsfactor 0,25 in dit geval niet klopt, omdat uit het bezwaarschrift blijkt dat de gemachtigde een gestandaardiseerde werkwijze heeft toegepast.
9. Hier komt bij dat opposante in reactie op het voorstel van verweerder ook akkoord is gegaan met de daarin geformuleerde proceskostenvergoeding. In dat voorstel is voor de beroepsfase een wegingsfactor van 0,25 voorgesteld en voor de bezwaarfase wegingsfactor 0,5. Dit voorstal zal de rechtbank volgen.
10. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de volgende proceskostenvergoeding.
Beroepsfase: 1 punt (beroepschrift) van € 907X0,25= € 226,75
Bezwaarfase 2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) van € 647X0,25= € 323,50
Verzet procedure: 0,5 punt (verzetschrift) van €907X0,5= € 226,75
Totaal: € 777,00.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 777,00 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan opposante.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
De griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

verzet