Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een verzetprocedure van een opposante tegen een eerdere uitspraak van 31 januari 2025. In die uitspraak werd het bezwaar van de opposante tegen de WOZ-waarde van haar woning ongegrond verklaard. De opposante had beroep ingesteld tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, dat op 22 februari 2024 was genomen. Tijdens de procedure deed de verweerder een compromisvoorstel over de WOZ-waarde, waarop de opposante instemde en haar beroep introk, maar wel een vergoeding voor proceskosten vroeg. De rechtbank kende in de eerdere uitspraak een bedrag van € 226,75 aan proceskosten toe, maar de opposante ging in verzet omdat zij vond dat de rechtbank ten onrechte geen proceskosten voor de bezwaarfase had toegekend en een wegingsfactor van 0,25 had toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de eerdere uitspraak ten onrechte geen beslissing over de proceskosten in de bezwaarfase had genomen, aangezien er geen nieuwe beslissing op het bezwaar was genomen. Het verzet werd gegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dat er in redelijkheid geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van de zaak en dat de wegingsfactor van 0,25 voor de proceskostenvergoeding correct was, gezien de gestandaardiseerde werkwijze van de gemachtigde. Uiteindelijk werd de proceskostenvergoeding vastgesteld op een totaalbedrag van € 777,00, dat de verweerder aan de opposante moest betalen.