ECLI:NL:RBMNE:2025:7125

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/2629-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak over WOZ-waarde en proceskostenvergoeding

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een verzetprocedure van een opposante tegen een eerdere uitspraak van 31 januari 2025. In die uitspraak werd het bezwaar van de opposante tegen de WOZ-waarde van haar woning ongegrond verklaard. De opposante had beroep ingesteld tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, dat op 22 februari 2024 was genomen. Tijdens de procedure deed de verweerder een compromisvoorstel over de WOZ-waarde, waarop de opposante instemde en haar beroep introk, maar wel een vergoeding voor proceskosten vroeg. De rechtbank kende in de eerdere uitspraak een bedrag van € 226,75 aan proceskosten toe, maar de opposante ging in verzet omdat zij vond dat de rechtbank ten onrechte geen proceskosten voor de bezwaarfase had toegekend en een wegingsfactor van 0,25 had toegepast.

De rechtbank oordeelde dat de eerdere uitspraak ten onrechte geen beslissing over de proceskosten in de bezwaarfase had genomen, aangezien er geen nieuwe beslissing op het bezwaar was genomen. Het verzet werd gegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dat er in redelijkheid geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van de zaak en dat de wegingsfactor van 0,25 voor de proceskostenvergoeding correct was, gezien de gestandaardiseerde werkwijze van de gemachtigde. Uiteindelijk werd de proceskostenvergoeding vastgesteld op een totaalbedrag van € 777,00, dat de verweerder aan de opposante moest betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2629-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 op het verzet van

[oppossante] , te [plaats] , opposante,

(gemachtigde: B.A.M. Slockers),
tegen de uitspraak van deze rechtbank van 31 januari 2025,
en op het verzoek om proceskosten in de zaak tussen

[oppossante] , te [plaats] , opposante,

(gemachtigde: B.A.M. Slockers),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht,verweerder.

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 februari 2024. In dat besluit is het bezwaar van opposante tegen de WOZ-waarde van zijn woning ongegrond verklaard.
Tijdens het beroep heeft verweerder een ‘compromis-voorstel’ gedaan voer de WOZ-waarde van de woning van opposante. Opposante heeft met dat voorstel ingestemd, het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
In de uitspraak van 31 januari 2025 heeft de rechtbank een bedrag van € 226,75 aan proceskosten toegewezen. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 31 januari 2025 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank in de uitspraak van
31 januari 2025 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was.
3. Opposante vindt dat de rechtbank bij het bepalen van de proceskosten ten onrechte wegingsfactor 0,25 heeft toegepast. Daarnaast wijst zij er op dat de rechtbank ten onrechte geen proceskosten heeft toegekend voor de bezwaarfase.
4. De rechtbank is van oordeel dat de rechtbank in de uitspraak van 31 januari 2025 ten onrechte niet heeft besloten over de proceskosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt. Uit de stukken blijkt niet dat de proceskosten in de bezwaarfase al zijn vergoed. Er is formeel ook geen nieuwe beslissing op het bezwaar genomen, zodat opposante belang heeft bij een beslissing over de proceskosten in bezwaar. Het verzet is daarom gegrond.
5. De rechtbank is van oordeel dat er verder in redelijkheid geen twijfel mogelijk is over de uitkomst in deze zaak en zal daarom zonder zitting het verzoek beoordelen.
6. Net als in de uitspraak van 31 januari 2025, hanteert de rechtbank voor de bepaling van de hoogte van de proceskostenvergoeding wegingsfactor 0,25. Daartoe overweegt zij als volgt.
7. Opposante verzoekt de rechtbank om de wegingsfactor 1 te hanteren. Daarbij wijst opposante op het arrest van 26 november 2024 [1] , waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat er sprake is van een zaak van gemiddeld gewicht met wegingsfactor 1. Ook wijst opposante erop dat de uitspraak van 4 september 2023 [2] , waar de rechtbank naar heeft verwezen, is vernietigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met het arrest van 1 oktober 2024. [3]
8. In de uitspraak van 4 september 2023 [4] heeft de rechtbank uitgangspunten opgesteld over de wegingsfactor. Bij zaken over de WOZ-waarde waarin de gemachtigde gebruik maakt van een gestandaardiseerde werkwijze gebruikt de rechtbank wegingsfactor 0,25. De rechtbank sluit hier bij aan. De rechtbank heeft kennisgenomen van het arrest van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2024 [5] , maar ziet daarin geen aanleiding om deze uitgangspunten te verlaten. Met dat arrest is de uitspraak van deze rechtbank waarin die uitgangspunten zijn geformuleerd weliswaar vernietigd, maar dat is gebeurd op andere gronden dan op grond van een inhoudelijke toetsing van de lijn van de rechtbank. In dat arrest, net als in het arrest van 26 november 2024 [6] , is enkel voor die specifieke zaak door het gerechtshof beoordeeld dat een andere wegingsfactor aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het gebruik van de wegingsfactor 0,25 in dit geval niet klopt, omdat uit het bezwaarschrift blijkt dat de gemachtigde een gestandaardiseerde werkwijze heeft toegepast.
9. Hier komt bij dat opposante in reactie op het voorstel van verweerder ook akkoord is gegaan met de daarin geformuleerde proceskostenvergoeding. In dat voorstel is voor de beroepsfase een wegingsfactor van 0,25 voorgesteld en voor de bezwaarfase wegingsfactor 0,5. Dit voorstal zal de rechtbank volgen.
10. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de volgende proceskostenvergoeding.
Beroepsfase: 1 punt (beroepschrift) van € 907X0,25= € 226,75
Bezwaarfase 2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) van € 647X0,25= € 323,50
Verzet procedure: 0,5 punt (verzetschrift) van €907X0,5= € 226,75
Totaal: € 777,00.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 777,00 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan opposante.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
De griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

verzet