Adecco Personeelsdiensten B.V. stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, maar betaalde het griffierecht niet binnen de gestelde termijn. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en Adecco diende hiertegen verzet in. De rechtbank beoordeelde of het eerdere oordeel dat geen zitting nodig was, terecht was en of het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar was.
Adecco voerde aan dat zij door een administratieve vergissing de nota over het griffierecht niet had betaald en dat zij geen herinnering had ontvangen, in tegenstelling tot een andere zaak bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig betalen van het griffierecht niet aan Adecco kon worden toegerekend, maar dat deze vergissing geen verschoonbare omstandigheid vormde. Ook het ontbreken van een herinnering was niet relevant omdat de griffierechtnota aangetekend was verzonden en de zaak versneld werd behandeld.
De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond was en dat de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep terecht was. De uitspraak van 31 oktober 2024 bleef daarmee in stand en er was geen mogelijkheid tot hoger beroep.