Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
2.Waar gaat deze zaak over?
3.De beoordeling
(€ 406.812,00) op vermeld staat als “
administrative expensens”, terwijl daar een veel lager bedrag (€ 272.812,00) voor begroot was. Tijdens de zitting heeft [verweerster] toegelicht dat dit verklaard kan worden door de kosten voor het ontslag (waaronder de transitievergoeding) van [verzoeker] . Dat betekent dus ook dat zonder het ontslag van [verzoeker] er in elk geval tot augustus 2025 geen sprake was van een verlieslijdende situatie.
Op de komende aandeelhoudersvergadering zullen wij nadere uitleg geven over de motieven die hebben geleid tot het voornemen uw cliënt als statutair bestuurder te ontslaan. Waar het in grote lijnen op neerkomt is dat we hebben moeten constateren dat [verweerster] al drie jaar verlieslatend is. Dit is een tendens die uw client niet heeft kunnen keren. Wij willen nu, door verdere integratie van [verweerster] binnen het concern op basis van schaalvoordelen en een betere route-to-market, [verweerster] weer laten groeien en weer winstgevend maken. We hebben er geen vertrouwen in dat uw cliënt in staat is deze verdere integratie adequaat vorm te geven en leiding te geven aan [naam] , zodat die uiteindelijk weer winstgevend kan worden.”
[verweerster] zegt dat het ontslag niets te maken heeft met het functioneren van [verzoeker] , maar dat de reden van het ontslag zuiver bedrijfseconomisch is. [verzoeker] wijst erop dat de toelichting die op 11 maart 2025 is gegeven op de ontslagreden juist laat zien dat [verweerster] kennelijk niet tevreden was over het functioneren van [verzoeker] . In de toelichting op het ontslag wordt expliciet door de aandeelhouder gezegd dat [verzoeker]
niet in staat wordt geacht om de verdere integratie adequaat vorm te geven en leiding te geven aan [naam] .
Uit deze tegenstrijdigheid en het vooraf uitblijven van een deugdelijke toelichting of besluit blijkt dat er geen sprake was van een eerder goed doordacht reorganisatievoornemen, maar dat er een ontslaggrond moest worden gevonden om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen, omdat de aandeelhouder liever zag dat [naam] door iemand anders zou worden geleid. Dat er wel degelijk een doordacht voornemen bestond, had kunnen blijken uit notulen van de AvA of een reorganisatieplan. Maar juist deze stukken ontbreken. Het construeren van een bedrijfsorganisatorische reden achteraf, die bovendien niet met objectieve stukken wordt gedocumenteerd, is geen voldragen a-grond en deze handelswijze vindt de rechtbank ook ernstig verwijtbaar.
[naam]”, aangezien zijn taken niet zijn komen te vervallen. De werkzaamheden van [verzoeker] zijn herverdeeld onder diverse werknemers binnen het concern en de tijdelijke bestuurder. In het ontslagbesluit wordt expliciet aangegeven dat er een tijdelijke bestuurder is aangesteld met de vermelding dat deze tijdelijke aanstelling geldt totdat een permanente bestuurder is gevonden en aangesteld. Tijdens de zitting heeft [verweerster] daarover opgemerkt dat het juist is dat er nu een tijdelijke bestuurder is benoemd en dat het de bedoeling is dat op termijn door [verweerster] een bestuurder zonder bezoldiging wordt aangetrokken.
Ook de wijze waarop [verzoeker] van het een op andere moment buiten de organisatie is gezet en zelfs per direct op non-actief is gezet is onnodig diffamerend. Hier bestond geen enkele noodzaak voor, mede gelet op het feit dat zijn taken niet zijn komen te vervallen. Dat terwijl [verzoeker] bijna 30 jaar lang werkzaam was voor [verweerster] .
Voor het overige verwijst de rechtbank naar het hiervoor overwogene onder 3.9 tot en met 3.13, waaruit ook het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] blijkt.
Weliswaar zou [verzoeker] als [verweerster] de herplaatsingsmogelijkheden had onderzocht, mogelijk wel een nieuwe rol binnen de organisatie zijn gaan bekleden, maar dat zegt nog niet dat dit een garantie zou zijn dat [verzoeker] dit tot zijn pensioenleeftijd zou hebben kunnen doen, mede gelet op de hiervoor al besproken positie van de statutair bestuurder. Of de arbeidsovereenkomst dan nog lang had voortgeduurd is te onzeker, mede gelet op de vraag hoe de verstandhouding tussen [verzoeker] en de aandeelhouder zich verder zou hebben ontwikkeld.
€ 15.000,00, omdat niet de verwachting is dat [verzoeker] in het geheel niet meer aan het werk komt. Daarbij komt dat [verweerster] erop heeft gewezen dat [verzoeker] ook zijn pensioen vrijwillig kan blijven voortzetten bij PGB en tot slot weegt ook hier mee dat het inherent is aan de positie van statutair bestuurder dat het risico om plots met een ontslag te worden geconfronteerd groter is dan bij een reguliere werknemer. Dat maakt dat de rechtbank een totaalbedrag, naar boven afrondend, van € 222.000,00 bruto aan billijke vergoeding zal toewijzen.
€ 1.927,00 en bestaan uit € 642,00 aan griffierecht, € 1.107,00 aan salaris gemachtigde en
€ 178,00 aan nakosten. Als [verweerster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verweerster] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening