Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2025, waarin het beroep van opposant tegen een besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Veenendaal werd gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding van € 678,51 werd toegekend.
Opposant betwistte de hoogte van de proceskostenvergoeding en stelde dat de toegepaste wegingsfactor van 0,25 onjuist was, pleitend voor een wegingsfactor van 1 op grond van recente arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De rechtbank beoordeelt in dit verzet uitsluitend of de eerdere uitspraak zonder zitting kon worden gedaan, niet de inhoudelijke juistheid van het beroep.
De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om af te wijken van de uitgangspunten voor WOZ-zaken zoals neergelegd in haar eerdere wegingsfactoruitspraak en bevestigt dat de proceskostenvergoeding correct is vastgesteld volgens het forfaitaire systeem en relevante jurisprudentie.
Daarom wordt het verzet ongegrond verklaard en blijft de uitspraak van 20 februari 2025 ongewijzigd in stand.