ECLI:NL:RBMNE:2025:7174

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/16/586658 / JE RK 25-8, C/16/603664 / JE RK 25-1830
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en wijziging van de zorgregeling voor een minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 16 december 2025 een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2020, en de wijziging van de zorgregeling. De moeder van de minderjarige heeft het ouderlijk gezag en heeft eerder verzocht om een deskundige te benoemen voor contra-expertise, omdat zij van mening is dat de GI onvoldoende regie heeft gevoerd en dat er geen duidelijk plan is voor terugplaatsing. De rechtbank heeft in eerdere beschikkingen reeds beslissingen genomen over de uithuisplaatsing en omgangsregeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minderjarige sinds zijn geboorte meerdere keren uit huis is geplaatst en dat de moeder geen verweer heeft gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, maar wel om een deskundige heeft gevraagd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het in het belang van de minderjarige is om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 13 februari 2026 en dat de omgang met de moeder in beginsel één keer in de twee weken zal plaatsvinden, onder regie van de GI. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder voor het benoemen van een deskundige afgewezen, omdat het belang van de minderjarige zich verzet tegen verdere vertraging in de procedure. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht, locatie Utrecht
Zaaknummers:
C/16/586658 / JE RK 25-8 (verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing)
C/16/603664 / JE RK 25-1830 (omgang)
Beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Utrecht,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
met als belanghebbenden:
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.H.M. Helleman,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.E. van der Pols
en in de zaak van:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.H.M. Helleman,
tegen:
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Utrecht,
hierna te noemen de GI,
met als belanghebbenden:
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.E. van der Pols.
De rechtbank merkt in beide zaken als informant aan:
[informante],
namens Levvel.

1.Het verloop van de procedures

Zaaknummer C/16/586658 / JE RK 25-8 (verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing)
1.1.
De rechtbank heeft in deze zaak eerdere beschikkingen gewezen op 5 februari 2025, 8 augustus 2025, 7 oktober 2025 en 23 oktober 2025. De rechtbank verwijst voor het procesverloop tot aan 23 oktober 2025 naar die beschikkingen. De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • een bericht van de moeder van 30 oktober 2025;
  • een bericht van de moeder van 25 november 2025;
  • een verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 2 december 2025;
  • een bericht met bijlagen van de GI van 4 december 2025;
  • een bericht met bijlage van de moeder van 9 december 2025.
De rechtbank heeft verder, zoals gemeld in rechtsoverweging 3.7. van de beschikking van
7 oktober 2025, bij het Openbaar Ministerie (OM) gevraagd om politiemutaties die hebben geleid tot de Veilig Thuis-melding van 16 juni 2025. De rechtbank heeft partijen, via een bericht aan de GI, dat gedeeld is met de andere partijen, geïnformeerd over het feit dat het OM niet in het bezit is van de politiemutaties die gemeld worden in de Veilig Thuis-melding van 16 juni 2025. De rechtbank heeft daarom de GI gevraagd om deze gegevens bij de politie op te vragen met een beroep op 4.2. van het Besluit politiegegevens in samenhang gelezen met de Wet politiegegevens, dan wel deze gegevens op een andere manier op te vragen en in de procedure te brengen. De GI heeft die stukken niet ingediend.
Zaaknummer C/16/603664 / JE RK 25-1830 (omgangsregeling)
1.2.
De kinderrechter heeft in deze zaak de volgende stukken ontvangen:
  • een verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 2 december 2025;
  • een bericht met bijlage van de moeder van 9 december 2025.
1.3.
De verzoeken zijn besproken op de zitting van 10 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de pleegouders met hun advocaat;
  • [A] en [B] , vertegenwoordigers van de GI;
  • [C] , vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • [informante] , een vertegenwoordiger van Levvel.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige] , de zoon van de moeder, niet om zijn mening gevraagd. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.
1.5.
De rechtbank heeft, zoals afgesproken op de zitting, partijen op 16 december 2025 per e-mail de beslissing (in de vorm van het dictum) gestuurd. Deze beschikking is een schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2.Waar de procedure over gaat

De feiten
2.1.
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Op 7 mei 2021 is [minderjarige] (voorlopig) onder toezicht gesteld van de GI, waarna ook een ondertoezichtstelling is verleend. Deze maatregel is voor het laatst verlengd bij beschikking van 5 februari 2025 tot 13 februari 2026.
2.3.
Op 7 mei 2021 heeft de kinderrechter ook een spoedmachtiging voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. Na drie weken werd [minderjarige] weer thuis geplaatst. Van 5 juli tot 8 oktober 2021 was [minderjarige] opnieuw met een machtiging uithuisgeplaatst, waarna hij met de moeder in het moeder-kindhuis [naam] werd ondergebracht. Op 18 februari 2022 werd wederom een machtiging uithuisplaatsing verleend, die na een week werd beëindigd.
Op 9 juni 2023 verleende de kinderrechter opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing. [minderjarige] is toen bij de pleegouders ondergebracht.
2.4.
De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, de laatste keer tot
17 december 2025, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.5.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 juli 2024 bepaald dat de omgang tussen [minderjarige] en de moeder met ingang van het eerstvolgende omgangsmoment na de datum van de beschikking zal worden uitgebreid naar 1,5 uur per twee weken, waarbij de regie over (wijziging van) de duur, frequentie, aanwezigheid van de pleegvader en locatie van de omgang bij de GI ligt.
2.6.
Bij brief van 11 juli 2025 heeft de GI de moeder bericht dat de GI een perspectiefbesluit heeft genomen.
2.6
Bij brief van 6 oktober 2026 heeft de GI de moeder en de rechtbank onder meer geïnformeerd dat de GI geen aanleiding ziet het eerder genomen perspectiefbesluit te herzien.
De verzoeken
2.7.
De rechtbank moet nog beslissen op het resterende deel van het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen tot
13 februari 2026, met uitvoerbaarheid bij voorraad. De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing met die termijn. Wel vraagt zij de rechtbank een deskundige te benoemen op grond van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) omdat zij vindt dat (opnieuw) onderzocht moet worden of [minderjarige] (op termijn) weer bij haar kan komen wonen.
2.8.
De rechtbank moet ook een beslissing nemen over de volgende primaire verzoeken van de moeder:
- het vastleggen van een geleidelijke opbouwregeling waarbij de minderjarige:
  • vanaf 1 januari 2026 vier omgangen om de week op vrijdag, uitgebreid naar 2 uur;
  • vanaf 1 maart 2026 om de week een woensdagmiddag vanaf ophalen op school tot ophalen door pleegvaders bij verzoekster. Eerst om 15:00 uur en dit per keer met een half uur uit te breiden tot 17:30 uur;
  • vanaf 1 mei 2026 om de week een zaterdag van 10:00 uur tot 17:30 uur;
  • de GI te veroordelen tot medewerking aan de nieuwe omgangsregeling;
  • de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.De beoordeling

De conclusie
3.1.
De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengen tot 13 februari 2026. Verder zal de rechtbank de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juli 2024 wijzigen, in die zin dat [minderjarige] in beginsel één keer in de twee weken omgang heeft met de moeder en dat die omgang onder regie van de GI, op advies van MTP, kan worden uitgebreid. De rechtbank verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad. De rechtbank zal geen deskundige benoemen. Hierna legt de rechtbank de beslissing uit.
De machtiging tot uithuisplaatsing en benoeming van een deskundige
3.2.
De rechtbank moet nog een beslissing nemen op het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot het einde van de huidige ondertoezichtstelling, dus tot 13 februari 2026. De GI is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is om verder op te groeien bij de pleegouders en heeft daarom op 11 juli 2025 besloten dat er niet meer wordt gewerkt naar thuisplaatsing.
3.3.
De moeder begrijpt dat [minderjarige] nu niet thuis kan wonen en heeft daarom geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI tot verlenging van de uithuisplaatsing als zodanig.
De moeder is het daarentegen niet eens met de conclusie van de GI dat er niet meer wordt gewerkt aan thuisplaatsing van [minderjarige] en verzoekt daarom ook tot een contra-expertise. De moeder heeft daar verschillende redenen voor gegeven. De moeder stelt onder meer dat er nooit een duidelijk plan is geweest vanuit de GI voor terugplaatsing bij de moeder en dat de GI onvoldoende regie daarop heeft gevoerd. De moeder diende zich aan teveel regels te houden tijdens de omgang die voor de moeder onvoldoende begrijpelijk waren. De moeder heeft verder naar voren gebracht dat het perspectiefbesluit is genomen op basis van een onderzoeksverslag van Levvel, terwijl deze informatie verouderd is. Volgens de moeder is van de gestelde problematiek geen sprake meer. De moeder stelt verder dat de informatie niet objectief tot stand is gekomen. De moeder heeft verder naar voren gebracht dat het onderzoek is gedaan in een periode van verdriet en stress omdat de moeder en [D] in die periode hun zoontje [E] zijn verloren. De bevindingen zijn volgens haar daarom niet representatief. Ook de heroverweging van 6 oktober 2025 is gebaseerd op verouderde informatie en is onvoldoende gemotiveerd. Verder stelt de moeder dat zij geen eerlijke kans heeft gehad. Alles wat zij heeft gedaan sinds februari 2025 is ongezien en gehoord gebleven. Zij heeft nauwelijks omgangsmomenten gehad tijdens het eerste half jaar van 2025 en er is geen contact opgenomen met haar vaste begeleiders en haar GGZ-behandelaar voor het verkrijgen van informatie over haar ontwikkeling en ook daarvoor niet bij het bepalen van het perspectief. Verder verloopt de omgang tussen de moeder en [minderjarige] in de ogen van de moeder goed en is het niet aan de moeder te wijten dat de omgang niet verder is uitgebreid. De moeder concludeert dat het passend is dat er een nieuw onderzoek wordt gedaan door een deskundige, die wordt benoemd door de rechtbank. Deze deskundige kan dan antwoord geven op verschillende vragen, waartoe de moeder een aantal voorstellen heeft gedaan.
3.4.
De rechtbank kan op grond van artikel 810a Rv een deskundige benoemen. Dit wetsartikel zegt dat de rechter op verzoek van een ouder een deskundige benoemt, zolang dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
3.5.
Aan de beoordeling van dit verzoek gaat de vraag vooraf of de GI tot de conclusie kon komen dat er niet meer onderzocht zal worden of en hoe terugplaatsing van [minderjarige] bij moeder mogelijk zal zijn.
3.6.
De rechtbank kan daar mee instemmen omdat er voldoende informatie beschikbaar is voor de beoordeling van wat nu voor [minderjarige] nodig is en [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid, ondanks dat er erkend fouten zijn gemaakt door de GI. De rechtbank dient te beslissen op basis van de omstandigheden van het moment van de beslissing en met het oog op de toekomst. Uit de voorhanden zijnde informatie komt immers naar voren dat er een patroon is dat [minderjarige] al vier keer uit huis is geplaatst en dat het de moeder niet lukt om de adviezen op te volgen, op haar eigen gedrag te reflecteren en zich kwetsbaar op te stellen. De rechtbank verwijst hiervoor naar het eerste evaluatie adviesverslag terug naar huis onderzoek van Levvel van december 2024. Zolang de moeder zichzelf niet kwetsbaar en begeleidbaar opstelt kan [minderjarige] niet thuis wonen. Het is de moeder in ieder geval niet gelukt om tijdig mee te werken aan de handelingsgerichte diagnostiek van zowel [minderjarige] als haarzelf, de aangeboden GGZ-diagnostiek en de overige hulpverlening, volgens Levvel. Naar het oordeel van de rechtbank komt dit beeld overeen met het beeld dat volgt uit het verslag van GGZ Centraal-verslag van 13 mei 2025. Het was heel dapper van de moeder dat zij dit verslag heeft overgelegd in deze procedure; het geeft namelijk inzicht in hoe de moeder reageert. De moeder kan zich op dit moment niet kwetsbaar en begeleidbaar opstellen door haar onmacht.
3.7.
GGZ signaleert dat de moeder gemakkelijk boosheid en miskenning ervaart en de neiging heeft klachten te externaliseren. Verdriet, angst, somberheid en andere vormen van kwetsbaarheid zijn volledig weggemaakt, aldus de psychiater. De intelligentie is bij IQ-onderzoek op een laag/beneden gemiddeld niveau vastgesteld. Er is sprake van ziektebesef, waarbij de moeder beperkt inzicht toont in de samenhang tussen haar expressieve, temperamentvolle en soms bozige uitlatingen enerzijds en de soms afwerende houding ten opzichte van anderen anderzijds.
3.8.
De rechtbank ziet dat de moeder zich op dit moment redelijk goed staande lijkt te houden in de maatschappij, met een vaste relatie en een baan waar zij plezier aan beleeft. Het blijft de vraag of moeder daadwerkelijk geen middelen meer gebruikt gelet op de meldingen van de politie bij Veilig Thuis waar de rechtbank meer informatie over heeft opgevraagd. Ondanks de positieve ontwikkelingen in het leven van de moeder kan het toch zijn dat haar eigen verleden nog doorwerkt in haar reacties en haar onmacht veroorzaakt om zich kwetsbaar en begeleidbaar op te stellen. Haar eigen moeder was verslaafd aan middelen en kon niet voor de moeder en haar oudere zusje zorgen. De moeder is zelf als driejarige uithuisgeplaatst en opgegroeid in een pleeggezin en vanaf haar vroege tienerjaren, op verschillende plaatsen binnen de jeugdhulpverlening. De moeder zegt zelf dat zij geen last heeft van de dingen die zij heeft meegemaakt, maar uit de stukken in het dossier en het beeld van de moeder op zitting, valt op dat de moeder dingen steeds negatief duidt terwijl daar niet altijd aanleiding toe is. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het omgangsverslag van
14 november 2025 dat de moeder het gevoel heeft dat de acties van een van de pleegvaders haar op de proef stellen en dat zij twijfelt of zijn gedragingen daadwerkelijk onbewust plaatsvinden, terwijl daar een heel duidelijke verklaring voor is gegeven.
3.9.
De rechtbank denkt dat de moeder zonder behandeling en verwerking van haar eigen verleden niet in staat zal zijn een waardevolle betekenisvolle rol in het leven van [minderjarige] te kunnen spelen. Alleen door middel van behandeling en verwerking kan zij de intergenerationele problematiek, die de moeder zelf ook zo graag wil doorbreken, stoppen. Alsmaar in verzet gaan, hoe begrijpelijk ook vanuit het perspectief van de moeder, zal niet leiden tot toenadering. De moeder zal aan zichzelf de toestemming moeten geven om niet via procedures te blijven vechten om [minderjarige] terug te krijgen. Daar is [minderjarige] uiteindelijk niet mee geholpen. Door haar eigen verleden proberen te verwerken, vecht de moeder namelijk ook voor [minderjarige] , alleen dan in positieve zin. De rechtbank heeft de hoop dat als het de moeder zou lukken om dat aan te gaan, er ruimte ontstaat voor een betere samenwerking met de pleegvaders wat uiteindelijk zal leiden tot betere uitkomsten voor [minderjarige] .
3.10.
De rechtbank zal vervolgens beoordelen of voldaan is aan de in 3.4. genoemde vereisten of benoeming van een deskundige mede tot beslissing van de zaak kan leiden. Hoewel de belanghebbenden in deze zaak geen verweer hebben gevoerd tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, en de rechtbank de gevraagde verlenging zou kunnen toewijzen zonder benoeming van een deskundige, vindt de rechtbank toch dat aan het eerste vereiste is voldaan. De verwachting is namelijk dat de GI op korte termijn om een verdere verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal verzoeken. Een deskundige-onderzoek zou in díe zaak dus mede tot een beslissing kunnen leiden.
3.11.
Dan het laatste vereiste: het belang van [minderjarige] moet zich niet tegen benoeming van een deskundige verzetten. De rechtbank komt tot de conclusie dat aan dit vereiste niet is voldaan. [minderjarige] heeft veel wisselingen in zijn woonplek meegemaakt waardoor hij de eerste jaren van zijn leven veel onzekerheid en instabiliteit heeft meegemaakt. [minderjarige] heeft daarom, nog meer dan andere kinderen, behoefte aan duidelijkheid waar hij verder mag opgroeien. [minderjarige] verblijft inmiddels de helft van zijn leven bij de pleegouders. [minderjarige] vraagt geregeld aan de pleegouders bevestiging over zijn woonsituatie en heeft vragen over de onderlinge verhoudingen. De pleegouders kunnen daar steeds geen duidelijk antwoord op geven omdat de rechtszaken over de plek waar [minderjarige] in de toekomst zal wonen, nog lopen. Dat moet ingewikkeld zijn voor [minderjarige] . Het kan ook de reden zijn dat [minderjarige] rondom de omgang met de moeder, ernstige gedragsproblemen laat zien. Niet omdat hij het contact met de moeder op zichzelf niet fijn zou vinden, maar omdat hij niet begrijpt wat dit betekent voor de plek waar hij woont. Het is voor een gezonde ontwikkeling nodig dat [minderjarige] duidelijkheid heeft. Hij heeft dat namelijk nu nodig om zich op school en sociaal te kunnen ontwikkelen. Dat [minderjarige] duidelijkheid nodig heeft, is tijdens de zitting ook benoemd door de Raad. Het benoemen van een deskundige die opnieuw een onderzoek moet uitvoeren, zal weer tijd in beslag nemen en zorgen voor een langere periode van onduidelijkheid en onrust. De rechtbank is van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is om nog langer te wachten met het geven van duidelijkheid aan hem over waar hij blijft wonen, dit zou schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling. Dit betekent dat het belang van [minderjarige] zich verzet tegen het benoemen van een deskundige. Dat betekent dat de rechtbank geen reden ziet om het onderzoek naar waar [minderjarige] blijft wonen, opnieuw te laten uitvoeren.
3.12.
De rechtbank heeft overwogen om desondanks toch een deskundige te benoemen omdat dat bij de moeder misschien tot acceptatie zou leiden en dus rust zou creëren. Dat zou dan uiteindelijk weer in het belang zijn van [minderjarige] . De rechtbank heeft uiteindelijk geconcludeerd dat het belang van [minderjarige] om nu duidelijkheid te hebben, zwaarder weegt. Bovendien bestaat er een kans dat de moeder zich niet zou kunnen neerleggen bij een onderzoek met een mogelijk, voor haar, negatieve uitkomst. Dat zou betekenen dat de moeder niet uit de ‘vecht’-stand komt wat vervolgens het belang van [minderjarige] weer zou schaden.
De omgang
3.13.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 juli 2024 een zorgregeling vastgesteld. De moeder heeft de rechtbank gevraagd die regeling te wijzigen op grond van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Aangezien de eerdere regeling op verzoek van de GI is vastgesteld, is de grondslag voor het verzoek van de moeder artikel 1:265g lid 2 BW, niet 1:377e BW. De rechtbank zal de grondslag dus aanpassen en het verzoek van de moeder aan dat artikel toetsen.
3.14.
Ten eerste moet er sprake zijn van gewijzigde omstandigheden. De moeder stelt dat die er zijn. Volgens de moeder is zij stabieler, verloopt de omgang goed en heeft [minderjarige] behoefte aan meer contact met de moeder. De rechtbank komt ook tot de conclusie dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Zij vindt daarvoor een aanknopingspunt in het feit dat MTP is gestart en dat vanuit dat traject wordt geprobeerd om tot uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige] te komen. MTP is een therapeutisch pleegzorgprogramma voor jonge kinderen en hun pleegouders en ouders. Vanuit een multidisciplinair team wordt een jaar (zo nodig langer) intensieve ondersteuning geboden, gericht op het verminderen van de aanwezige problemen/klachten en het stimuleren en verstevigen van de ontwikkeling van het kind en zijn/haar opvoedomgeving en relaties. MTP is specifiek voor kinderen die in hun eerste levensjaar uit huis zijn geplaatst en nu in een pleeggezin wonen. Het doel is om met alle partijen om het kind heen tot een zo goed mogelijke samenwerking te komen.
3.15.
Aangezien er sprake is van een wijziging van omstandigheden, kan de rechtbank beoordelen welke zorgregeling het meest in het belang is van [minderjarige] . De rechtbank kijkt daarbij naar het belang van [minderjarige] . De rechtbank heeft van de moeder begrepen dat [minderjarige] plezier beleeft aan het contact met de moeder. Uit het verslag van 14 november 2025 maakt de rechtbank ook op dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] plezierig is verlopen. De moeder heeft ook vertrouwen in de samenwerking met MTP. De rechtbank vindt het daarom niet passend om nu een concrete regeling vast te leggen, dat is juist iets dat met MTP bekeken moet worden. Hoe snel het contact uitgebreid kan worden is ook afhankelijk van andere factoren. Zo moet de draagkracht van [minderjarige] dat toelaten. Op dit moment zit [minderjarige] volgens de pleegvaders rondom de omgang nog in de knoop met zichzelf en laat hij daarom ingewikkeld gedrag zien. Zo heeft [minderjarige] de pleegvaders gekrabd en gebeten. Hoe de pleegvaders, de school en de BSO om moeten gaan met dit gedrag, wordt in overleg met MTP besproken. De pleegvaders krijgen ook tips om [minderjarige] goed voor te bereiden op omgang. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat MTP het tempo van [minderjarige] volgt, waarbij zij ook oog hebben voor de belangen van de moeder. Zo wordt de aanwezigheid van de pleegvaders bij de omgang nu afgebouwd. De rechtbank vindt dat er in beginsel één keer in de twee weken contact moet zijn tussen de moeder en [minderjarige] . De regie voor de uitbreiding van het contact legt de rechtbank bij de GI, die het advies van MTP zal volgen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.16.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Hierna volgt de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin tot
13 februari 2026;
4.2.
wijzigt de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juli 2024, in die zin dat [minderjarige] in beginsel één keer in de twee weken omgang heeft met de moeder en dat die omgang onder regie van de GI, op advies van MTP, kan worden uitgebreid. De GI heeft verder de regie over de aanwezigheid van de pleegvader(s) en de locatie van de omgang;
4.3.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het verzoek van de moeder voor het benoemen van een deskundige (contra-expertise) af.
Deze beslissing is gegeven op 16 december 2025 door mr. E.A.A. van Kalveen (voorzitter), mr. V.M.M. van Amstel en mr. L.A. Banga, allen kinderrechters, in aanwezigheid van mr. L.N. van Oostveen als griffier, en op schrift gesteld op 8 januari 2026. De beschikking is ondertekend door mr. L.A. Banga.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.