ECLI:NL:RBMNE:2025:7179

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/16/602069
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen in echtscheidingsprocedure met zorgen over de veiligheid van kinderen

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 29 december 2025 een beschikking gegeven in een voorlopige voorziening in het kader van een echtscheidingsprocedure. De vrouw heeft verzocht om de kinderen aan haar toe te vertrouwen en om een zorgregeling vast te stellen, omdat zij zich zorgen maakt over de veiligheid van de kinderen bij de man. De man heeft de verzoeken van de vrouw betwist en verzocht om co-ouderschap. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2025 zijn beide partijen, hun advocaten en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig geweest. De rechtbank heeft de feiten vastgesteld op basis van de ingediende stukken en de verklaringen van de partijen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er zorgen zijn over de omgang van de man met de kinderen, maar dat er onvoldoende bewijs is om te concluderen dat de kinderen niet veilig zijn bij de man. De rechtbank heeft daarom besloten om de kinderen voorlopig aan de vrouw toe te vertrouwen, met een zorgregeling waarbij de man om het weekend en op maandag zorg voor de kinderen heeft. De rechtbank heeft ook bepaald dat de man kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw. De rechtbank heeft benadrukt dat de situatie onhoudbaar is en dat er gewerkt moet worden aan een co-ouderschap in de toekomst, waarbij de ouders onder begeleiding van een bemiddelaar moeten proberen tot een ouderschapsplan te komen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/602069 / FL RK 25-1122
Voorlopige voorzieningen
Beschikking van 29 december 2025
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. W.F. Wienen,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.H.M. Bressers.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw (met producties 1 tot en met 5), binnengekomen op 5 november 2025;
  • het F9-formulier met aanvullende producties 6 tot en met 11 van de vrouw, binnengekomen op 10 december 2025;
  • het verweerschrift van de man (met producties 1 tot en met 3) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 11 december 2025.
1.2.
De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 15 december 2025. Daarbij waren aanwezig: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat en een kantoorgenoot van die advocaat en P.R. Emanuels namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , de zoon van partijen, naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft op 10 december 2025 met de kinderrechter gesproken. Aan [minderjarige 2] heeft de rechtbank niet gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen die acht jaar of ouder zijn. Kinderen die jonger zijn, zoals [minderjarige 2] , vindt de rechtbank daarvoor nog te jong.

2.Waar deze procedure over gaat

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd.
2.2.
Partijen hebben samen twee kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .
2.3.
De vrouw heeft aangekondigd dat zij wil scheiden en daartoe op korte termijn een procedure zal beginnen. Partijen vragen de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Daarvoor is wel noodzakelijk dat die echtscheidingsprocedure binnen vier weken na de dag van deze beslissing wordt gestart. Als dat niet gebeurt, verliest deze beslissing waarin voorlopige voorzieningen worden bepaald, haar kracht.
2.4.
De vrouw verzoekt de rechtbank om:
  • de kinderen aan haar toe te vertrouwen;
  • te bepalen dat alleen de vrouw de gezamenlijke huurwoning aan de [adres] in [woonplaats] mag gebruiken, met bevel aan de man om die woning binnen 48 uur na afgifte van deze beschikking te verlaten;
  • een zorgregeling tussen de man en de kinderen te bepalen, die inhoudt dat de man op zaterdag van 12.00 tot 17.00 de zorg voor de kinderen heeft;
  • te beslissen dat de man kinderalimentatie moet betalen van € 209,- per kind per maand.
2.5.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw. Hij verzoekt de rechtbank om:
  • primairde kinderen aan hem toe te vertrouwen, of
    subsidiairom aan iedere ouder één kind toe te vertrouwen;
  • te bepalen dat er een co-ouderschap tussen partijen geldt, waarbij de kinderen de ene week (maandag tot en met zondag) bij de man verblijven, en de andere week bij de vrouw;
  • te betalen dat er wekelijks 1 of 2 vaste telefonische contactmomenten plaatsvinden met de ouder bij wie de kinderen op dat moment niet verblijven;
  • te bepalen dat de feestdagen en vakanties gelijk tussen partijen worden verdeeld;
  • te bepalen dat de vrouw vanaf de datum van deze beschikking kinderalimentatie moet betalen van € 44,- per kind per maand;
primairte bepalen dat alleen de man de gezamenlijke huurwoning aan de [adres] in [woonplaats] mag gebruiken, tot hij vervangende woonruimte heeft gevonden,
subsidiairte bepalen dat partijen gaan birdnesten, waarbij de kinderen in de woning verblijven en partijen afwisselend in de woning verblijven als zij de zorg voor de kinderen dragen.

3.De beoordeling

Samenvatting van de beslissingen
3.1.
De rechtbank zal de volgende voorlopige voorzieningen treffen:
- de kinderen worden toevertrouwd aan de vrouw;
- de vrouw mag (met uitsluiting van de man) de gezamenlijke huurwoning aan de [adres] in [woonplaats] gebruiken, behalve op de momenten waarop de man de zorg voor de kinderen heeft. Op die momenten mag de man (met uitsluiting van de vrouw) de gezamenlijke huurwoning gebruiken;
- de voorlopige zorgregeling zal inhouden dat de kinderen om het weekend, van vrijdag na school tot maandag naar school, met de man in de woning zijn. Daarnaast zijn zij elke week op maandag na school tot maandag 19.00 uur met de man in de woning, waarbij zij nog avondeten met de man;
- daarnaast zal er één of twee keer per week telefonisch contact tussen de man en de kinderen plaatsvinden, op woensdag (op een door partijen af te stemmen tijdstip), en, in de weekenden dat de kinderen bij de vrouw zijn, op zaterdag (op een door partijen af te stemmen tijdstip);
- de feestdagen en vakanties worden gelijk tussen partijen verdeeld, een en ander in onderling overleg;
- de man moet een kinderalimentatie van € 135,- per maand aan de vrouw betalen, vanaf de datum van deze beschikking.
De zorg voor en de toevertrouwing van de kinderen, het gebruik van de woning
3.2.
De rechtbank vertrouwt de kinderen toe aan de vrouw en bepaalt ook dat de vrouw (hoofdzakelijk) de woning mag gebruiken. Dat betekent dat de vrouw (het grootste deel van) de dagelijkse zorg over de kinderen krijgt en dat dat in de woning plaatsvindt. Daarnaast stelt de rechtbank een zorgregeling vast tussen man en de kinderen, die inhoudt dat de kinderen om het weekend van vrijdag na school tot maandag naar school bij de man zijn. Daarnaast zijn zij elke week op maandag, na school tot 19.00 uur bij de man; de man eet op die maandagen met hen. De feestdagen en vakanties worden gelijk tussen partijen verdeeld. Tijdens de momenten dat de man de zorg voor de kinderen heeft, mag hij de woning gebruiken. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissingen neemt.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat zij bij het nemen van beslissingen de wet moet toepassen. In de wet staat dat de rechtbank een ‘verdeling van de zorg- en opvoedtaken’ kan vaststellen als voorlopige voorziening (dus: tijdelijke oplossing) tijdens een echtscheidingsprocedure. [1] Daarbij moet de rechtbank kijken wat in het belang van het kind wenselijk is. [2] Dat betekent niet dat de belangen van kinderen altijd voorrang hebben op andere belangen, maar zij wegen wel zwaar mee. In de wet staat ook dat ‘gelijkwaardig ouderschap’ het uitgangspunt is, ook als ouders uit elkaar zijn. [3] ‘Gelijkwaardig’ wil niet zeggen dat de zorg altijd precies 50/50 verdeeld moet zijn, maar zo’n co-ouderschap is wel een manier om het gelijkwaardig ouderschap in te vullen.
3.4.
De wensen van de vrouw en de man over de zorg voor de kinderen liggen heel erg ver uit elkaar. De man heeft verteld dat hij graag een co-ouderschap wil: dat houdt in dat de zorg voor de kinderen 50/50 wordt verdeeld. De vrouw wil dat de man alleen op zaterdagmiddag van 12.00 tot 17.00 uur de zorg voor de kinderen heeft. Dat betekent dat ze niet bij hem slapen en zelfs niet met hem eten.
3.5.
De reden dat de wensen zo ver uit elkaar liggen, is dat de man het ouderschap gelijk wil verdelen, maar de vrouw zich heel veel zorgen maakt over de manier waarop de man de kinderen volgens haar behandelt. De rechtbank ziet zich geconfronteerd met een situatie waarbij het verhaal van de vrouw op diverse punten lijnrecht tegenover dat van de man staat. Daarbij geldt dat, omdat gelijkwaardig ouderschap het uitgangspunt is, het in eerste instantie aan de vrouw is om de zorgen te onderbouwen.
3.6.
De vrouw zegt dat de man de kinderen met regelmaat mishandelt. Hij slaat hen en schreeuwt tegen hen, aldus de vrouw. Daarom vindt zij het onveilig als de kinderen langer dan een vrije zaterdagmiddag bij de man zijn; juist op de momenten waarop er dingen moeten, zoals op tijd naar school, loopt de situatie volgens de vrouw uit de hand. De man zegt dat dit niet klopt. Hij heeft erkend dat hij de kinderen een keer heeft geslagen en de jongste een keer bij de arm heeft gepakt, maar mishandelt hen niet. Volgens de man doet de vrouw valse meldingen bij Veilig Thuis.
3.7.
Omdat partijen het over de feiten niet eens zijn, moet de rechtbank voor de vaststelling daarvan kijken naar de onderbouwing. Dat is bij dit soort situaties ‘achter de voordeur’ vaak ingewikkeld, en dat is in deze zaak niet anders. De rechtbank constateert dat er door partijen in totaal vijf stukken zijn overgelegd die niet door de man of de vrouw zelf zijn geschreven en waaruit de rechtbank een en ander kan opmaken: een overzicht van meldingen vanuit school [4] , een brief van GGZ Centraal over [minderjarige 2] [5] , een brief van GGZ Centraal over [minderjarige 1] , [6] een ongedateerd Whatsapp-bericht van de juf van [minderjarige 1] [7] en een overzicht van Veilig Thuis-meldingen. [8]
3.8.
Uit deze stukken komen zaken naar voren die de stellingen van de vrouw over mishandeling en onveiligheid ondersteunen:
  • de jongens hebben in januari 2025 op school verteld dat zij thuis zijn geslagen. Dat volgt uit het overzicht van meldingen van de school en de Veilig Thuis-melding die de school in augustus 2025 heeft gedaan. In de meldingen van de school staat overigens dat naast de man ook de vrouw heeft aangegeven [minderjarige 1] ongeveer twee keer geslagen te hebben;
  • [minderjarige 1] heeft af en toe geen eten mee naar school, vooral op maandagen, wanneer de man de zorg voor hem heeft. Dit heeft de school vermeld;
  • Er zijn momenten waarop er ‘een tik is gegeven’, meldt GGZ Centraal. Door welke ouder, is niet vermeld;
  • In de brief over [minderjarige 1] schrijft GGZ Centraal dat de man vanuit onmacht de kinderen soms fysiek aanpakt.
  • In een ongedateerd WhatsApp bericht schrijft ‘juf [A] ’, de leerkracht van [minderjarige 1] : “
3.9.
Daartegenover staat het volgende dat uit deze stukken naar voren komt:
  • GGZ Centraal noteert dat beide ouders goed aansluiten bij [minderjarige 2] . De vrouw ‘
  • In de brief over [minderjarige 1] staat dat hij rustig met de man speelt en er weinig modulatie in zijn stem te horen is. Met de vrouw is er ‘
  • De vrouw heeft in augustus 2025 gezien op een camera in de woning dat de man tegen de kinderen zei: ‘ophouden of je krijgt een tik’. Dat staat in de Veilig Thuis-meldingen. De politie heeft op het betreffende geluidsfragment echter ‘niks relevants gehoord’ en de kinderen oogden vrolijk en onbezorgd en hadden geen zichtbaar letsel;
  • In oktober 2025 is er opnieuw een melding waarbij de vrouw op camera heeft gezien dat een van de kinderen naar de man loopt, het beeld circa 5 seconden hapert en de man het kind op dat moment slaat. Ook toen was er geen bewijs of zichtbaar letsel. De kinderen waren vrolijk aan het spelen. Toen de politie met de man besprak dat hij even weg moest gaan om de situatie te de-escaleren, waren de kinderen verdrietig, vertelden zij. Zij wilden met hun vader spelen en verder bouwen aan een trein, en bij hem slapen.
3.10.
Dit alles afwegende concludeert de rechtbank dat er sprake lijkt te zijn van een zeer gespannen situatie. Dat komt onder andere doordat partijen uit elkaar zijn maar nog wel in hetzelfde huis wonen. De kinderen laten – mogelijk ook door de spanning vanwege de relatiebreuk – soms lastig gedrag zien. De ouders ervaren dan onmacht. Dit heeft er een aantal keer toe geleid dat zij, allebei, de kinderen hebben geslagen – mogelijk is dit bij de man vaker gebeurd dan bij de vrouw. Beide ouders hebben, ook op zitting, verteld dat zij daar spijt van hebben en vinden dat dit niet een goede aanpak is. Om die reden hebben de ouders ook hulp gezocht: Cumulus Home is inmiddels betrokken voor ouderschapsbemiddeling en gaat ook kindercoaching doen. Daarnaast is er bij de ouders sprake van veel wantrouwen. De vrouw is bang dat het bij de man niet veilig is voor hun kinderen, de man is bang dat de vrouw hem zijn positie als vader probeert af te nemen.
3.11.
De situatie zoals die nu is, is onhoudbaar – het is niet goed voor de kinderen als deze gespannen situatie nog lang voortduurt. Ook is de situatie ingewikkeld: partijen huren samen een huis en hebben allebei geen geschikte alternatieve woonruimte waar de kinderen ook voor langere tijd regelmatig kunnen slapen.
3.12.
In zo’n situatie kan ook de rechtbank geen ‘ideale oplossing’ aandragen. Op het grootste deel van de factoren die de situatie zo ingewikkeld maken, heeft de rechtbank immers geen invloed. Wat de rechtbank wel kan, is duidelijkheid geven en knopen doorhakken. Dat is dus wat de rechtbank zal doen.
3.13.
Samen in de woning blijven wonen, wat de man tijdens de zitting nog heeft gesuggereerd, vindt de rechtbank geen optie. Dat zou betekenen dat de situatie blijft zoals deze nu is, en dat is niet in het belang van de kinderen. Dat brengt mee dat het gebruik van de woning voorlopig aan één van de partijen zal toekomen. De rechtbank zal beslissen dat de vrouw voorlopig de woning mag gebruiken. De enige alternatieve slaapplek die de vrouw op dit moment naar eigen zeggen heeft, is bij haar moeder in een woning met één slaapkamer in [plaats] . De man heeft familie in [plaats] . Hij heeft weliswaar gezegd dat hij daar de kinderen niet goed kan ontvangen, maar niet dat hij daar zelf niet tijdelijk terecht kan. Ook heeft hij gezegd dat hij op termijn – zodra hij iets anders heeft gevonden – bereid is om de woning te verlaten.
3.14.
De kinderen blijven in de woning en omdat de vrouw de woning het grootste deel van de tijd gebruikt, zal de rechtbank de kinderen aan de vrouw toevertrouwen.
3.15.
Hoewel de vrouw het voorlopige gebruik van de woning krijgt en de kinderen voorlopig aan haar worden toevertrouwd, zal de rechtbank ook bepalen dat de man, op de momenten dat hij de zorg voor de kinderen heeft, de woning mag gebruiken met uitsluiting van de vrouw. De rechtbank vindt dat in het belang van de kinderen, zij moeten immers naar school en kunnen dan op hun vertrouwde plek blijven. Daarnaast lost dit ook het probleem dat de man heeft geschetst op: hij kan bij familie in [plaats] de kinderen niet goed ontvangen, en dat hoeft op deze manier ook niet.
3.16.
Dan de precieze invulling van de zorgregeling. De zorgregeling die de vrouw graag wil, vindt de rechtbank (veel) te beperkt. Deze regeling pas niet bij het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap. Het is voor de ontwikkeling van kinderen belangrijk dat zij een hechte band met beide ouders hebben, en daarvoor is het goed als er regelmatig en veelvuldig contact is. Dat vindt de rechtbank dus ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van belang. De man moet de kans krijgen om zijn vaderrol op een goede manier in te blijven vullen. Een vaderrol is niet alleen maar op een zaterdagmiddag leuke dingen doen, zoals de vrouw graag zou zien. Ook het klaarmaken voor school en het naar bed brengen van de kinderen hoort daarbij. De man heeft er recht op ook die momenten met zijn zoons mee te maken.
3.17.
De rechtbank heeft oog voor de zorgen van de vrouw, maar vindt, zoals hiervoor uitgebreid is beschreven, dat er onvoldoende is onderbouwd dat het bij de man niet veilig is voor de kinderen. Een volledig co-ouderschap vindt de rechtbank op dit moment echter niet passend. De rechtbank ziet het risico dat de vrouw, vanwege de zorgen die zij (terecht of onterecht) nu eenmaal heeft, daaraan niet goed uitvoering zal kunnen geven en de jongens geen emotionele toestemming zal geven voor het contact met de man. Om die reden vindt de rechtbank het beter om nu te starten met een voorlopige zorgregeling die iets beperkter is. De rechtbank benadrukt dat dit een momentopname is: de rechtbank vindt – op grond van de huidige stand van zaken - dat er namelijk wel naar een co-ouderschap toegewerkt moet worden en geeft partijen mee om dit met Cumulus Home te bespreken. De verdere invulling van de zorgregeling kunnen de ouders dan, als dat lukt, onder begeleiding van Cumulus Home in een ouderschapsplan vastleggen. Mocht dat uiteindelijk na serieuze pogingen niet lukken, dan kan de rechtbank daar in de bodemprocedure over beslissen.
3.18.
Omdat de man zijn zoons minder ziet, is het belangrijk dat hij tussendoor ook nog contact met hen kan hebben. Daarom zal de rechtbank bepalen dat er één of twee telefonisch contactmomenten plaats zullen vinden: een in de week dat de man de kinderen in het weekend ziet, twee in de week dat de kinderen in het weekend bij de vrouw zijn. De man en de vrouw moeten onderling afstemmen wanneer het belmoment uitkomt. Het zou mooi zijn als het lukt om (af en toe) te videobellen.
3.19.
Dit alles afwegende, zal de zorgregeling er voorlopig zo uitzien:
- om het weekend, van vrijdag na school tot maandag naar school, heeft de man in de woning de zorg voor de kinderen. De man haalt de kinderen op vrijdag uit school en brengt hen op maandagochtend;
- iedere maandag, na school, tot 19.00 uur, heeft de man in de woning de zorg voor de kinderen. Hij haalt hen op maandag uit school en eet voor 19.00 met hen;
- daarnaast zal er één of twee keer per week telefonisch contact tussen de man en de kinderen plaatsvinden, op woensdag (op een door partijen af te stemmen tijdstip), en, in de weekenden dat de kinderen bij de vrouw zijn, op zaterdag (op een door partijen af te stemmen tijdstip);
- de feestdagen en vakanties worden gelijk tussen partijen verdeeld, een en ander in onderling overleg.
3.20.
Tot slot en misschien ten overvloede: omdat uit de Veilig Thuis-meldingen blijkt dat er een camera in huis is, waarvan (in ieder geval) de vrouw beelden kan zien als zij zelf niet thuis is, wil de rechtbank partijen nog iets meegeven. Het is naar het oordeel van de rechtbank dringend aan te raden om deze camera uit te zetten, of op zo’n manier in te stellen dat de ouder die niet thuis is, niet op afstand mee kan kijken met de zorg en opvoeding door de andere ouder. Iedere ouder pakt situaties op zijn of haar eigen manier aan; daar is op zichzelf niks mis mee. Het is heel belangrijk voor de kinderen dat de ouders elkaar daarbij niet voortdurend in de gaten houden en de maat nemen. Natuurlijk gaat de veiligheid van de kinderen boven alles, maar dat wil niet zeggen dat de ouders dus met cameratoezicht voor die veiligheid moeten zorgen. Integendeel: dit zal voor de kinderen eerder een gevoel van onveiligheid met zich brengen. Het idee op afstand in de gaten te worden gehouden is over het algemeen immers niet prettig, en het gevoel dat dat blijkbaar nodig is met de ene of de andere ouder, zorgt niet voor vertrouwen. De rechtbank adviseert ouders dit, waar nodig, ook met Cumulus Home te bespreken.
De kinderalimentatie
3.21.
De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 135,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf vandaag. Dit betekent dat zij het verzoek van de man en een deel van het verzoek van de vrouw afwijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van de ouders, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De ingangsdatum
3.22.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden.
3.23.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van deze beschikking, omdat de situatie vanaf vandaag wijzigt doordat de rechtbank beslist dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
3.24.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. Partijen zijn het erover eens dat het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2025
€ 6.336,- per maand (inclusief € 113,- per maand aan kindgebonden budget) bedraagt. Dit hebben zij berekend op basis van het loon over 2024: voor de man € 50.866,- bruto en voor de vrouw € 38.303,- bruto.
3.25.
Vervolgens moet worden berekend welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van de kinderen is. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Partijen zijn het erover eens dat op basis van die tabellen de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2025 totaal € 1.454,- per maand bedraagt, dat is € 727,- per kind per maand bedraagt.
De draagkracht van de ouders
3.26.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien. [9]
3.27.
Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
3.28.
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
De draagkracht van de man
3.29.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 391,- per maand. [10] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.30.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van het bedrag zoals genoemd onder 3.22. van
€ 50.866,- bruto per jaar en de tarieven van 2025, omdat partijen het hierover eens zijn. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.265,- per maand.
3.31.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van (70% [3.265 – (0,3 x 3.265 + 1.310 + 416)]=) € 391,- per maand. Naast de forfaitaire lasten houdt de rechtbank rekening met een last van € 416,- per maand,- voor de aflossing op de studieschuld bij DUO. Deze last is aangetoond en is voor de man niet vermijdbaar en valt hem niet te verwijten.
De draagkracht van de vrouw
3.32.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 848,- per maand. [11] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.33.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van het bedrag zoals genoemd onder 3.22. van € 38.303,- bruto per jaar en de tarieven van 2025, omdat partijen het hierover eens zijn. Verder wordt bij de vrouw rekening gehouden met een kindgebonden budget van € 7.708,- per jaar en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat de kinderen door de beslissing in deze beschikking aan haar worden toevertrouwd. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.601,- per maand.
3.34.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van (70% [3.601 – (0,3 x 3.601 + 1.310)]=) € 848,- per maand.
De verdeling van de kosten
3.35.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.36.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hun gezamenlijke draagkracht is (391 + 848 =) € 1.239,- per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.454,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 215,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 391,- per maand moet bijdragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De zorgkorting
3.37.
De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor onder andere eten en drinken en energielasten: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank kan de bijdrage van de man verlagen met een percentage van de behoefte van de kinderen of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.
3.38.
Bij de hiervoor vastgestelde zorgregeling past een zorgkorting van 25% van de behoefte (€ 1.454,-), dus € 364,- per maand. Maar omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zou het niet eerlijk zijn als de man deze korting volledig mag toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor de kinderen maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. De rechtbank vindt het in zo’n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van (215 / 2 =) € 108,- per maand. Dit betekent dat de rechtbank slechts een zorgkorting van (364 -/- 108 =) € 256,- per maand in mindering brengt op de draagkracht van de man. Er blijft dan een bedrag over van (391 -/- 256 =) totaal € 135,- per maand, dat de man aan kinderalimentatie moet betalen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

voor de duur van de echtscheidingsprocedure
De rechtbank:
4.1.
vertrouwt de kinderen toe aan de vrouw;
4.2.
bepaalt dat de vrouw op de momenten dat zij de zorg voor de kinderen heeft volgens de onder 4.4. bepaalde zorgregeling is gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] in [woonplaats] , met bevel dat de man dan die woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden;
4.3.
bepaalt dat de man op de momenten dat hij de zorg voor de kinderen heeft volgens de onder 4.4. bepaalde zorgregeling is gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] in [woonplaats] ;
4.4.
stelt een zorgregeling vast tussen de man en de kinderen, die het volgende inhoudt:
- de kinderen zijn om het weekend, van vrijdag na school tot maandag naar school, met de man in de woning. Daarnaast zijn zij elke week op maandag na school tot maandag 19.00 uur met de man in de woning, waarbij zij nog (avond)eten met de man;
- daarnaast zal er één of twee keer per week telefonisch contact tussen de man en de kinderen plaatsvinden, op woensdag (op een door partijen af te stemmen tijdstip), en, in de weekenden dat de kinderen bij de vrouw zijn, op zaterdag (op een door partijen af te stemmen tijdstip);
- de feestdagen en vakanties worden gelijk tussen partijen verdeeld, een en ander in onderling overleg;
4.5.
beslist dat de man vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 135, - per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;
4.6.
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.
Bijlage 1: draagkracht van de man
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (602069)
Berekening
Kinderalimentatie
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
17-12-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
50.866
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
50.866
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
50.866
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
50.866
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
4.657
95
Inkomensheffing box 1
18.426
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
50.866
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
18.426
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
6.737
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
11.689
Inkomen na aftrek inkomensheffing
39.177
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.645
jaar
Arbeidskorting
5.092
jaar
120
Besteedbaar inkomen
39.177
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
39.177
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.265
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
3.265
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
980
134a
Extra lasten opnemen
416
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.706
136a
Draagkrachtruimte
559
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
391
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
391
Bijlage 2: draagkracht van de vrouw
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (602069)
Berekening
Kinderalimentatie
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
17-12-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
38.303
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
38.303
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
38.303
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
38.303
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.72
95
Inkomensheffing box 1
13.72
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
38.303
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
13.72
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
10.919
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
2.801
Inkomen na aftrek inkomensheffing
35.502
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.441
jaar
Arbeidskorting
5.492
jaar
Combinatiekorting
2.986
jaar
Bij: Kindgebonden budget
7.708
120
Besteedbaar inkomen
43.21
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
43.21
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.601
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
3.601
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
1.08
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.39
136a
Draagkrachtruimte
1.211
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
848
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
848

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 822 lid 1 sub d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.Dat volgt uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Die regel geldt voor geschillen over gezamenlijk gezag en kan ook in de voorlopige voorzieningen-procedure worden gebruikt (analoge toepassing).
3.Artikel 1:247 lid 4 BW.
4.Productie 2 van de zijde van de vrouw.
5.Productie 7 van de zijde van de vrouw.
6.Productie 9 van de zijde van de vrouw.
7.Productie 11 van de zijde van de vrouw.
8.Productie 1 van de zijde van de man.
9.Artikel 1:397 lid 2 BW.
10.Bijlage 1: draagkracht van de man.
11.Bijlage 2: draagkracht van de vrouw.