Eiser heeft op 2 april 2024 een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie van werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 52 weken een besluit genomen, waardoor eiser op 28 oktober 2025 beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van dit besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen uiterlijk 27 mei 2026 alsnog een besluit te nemen. Daarnaast wordt een dwangsom opgelegd van €50,- per dag dat verweerder te laat is, met een maximum van €15.000,-. Omdat reeds 42 dagen zijn verstreken sinds ingebrekestelling, wordt de dwangsom vastgesteld op het maximale bedrag van €1.442,-.
Verder veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €53,-. De rechtbank benadrukt dat het verstrekken van het dossier een feitelijke handeling betreft en niet via dit beroep kan worden afgedwongen.
De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich en uitgesproken op 5 december 2025. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.